1. Na de afgifte van de basiserkenning overlegt de erkenninghouder eens per drie jaar een verklaring omtrent het gedrag die niet ouder is dan twee maanden.

  2. In afwijking van het eerste lid overlegt de erkenninghouder een verklaring omtrent het gedrag die niet ouder is dan twee maanden binnen een bij ministeriële regeling te bepalen termijn nadat een bij ministeriële regeling bepaalde gebeurtenis omtrent de onderneming van de erkenninghouder, waaronder in ieder geval de toetreding van een nieuw lid tot het bestuur van een onderneming, zich voordoet.

  3. De verklaring omtrent het gedrag die overeenkomstig het eerste lid is overgelegd, wordt door de Dienst Wegverkeer vijf jaar bewaard.