Wijzigingen in deze wet

Vreemdelingenwet 2000 op 12-06-2026

Alleen artikelen met een inhoudelijke wijziging worden getoond. De diff gebruikt dezelfde opbouw als op de versie-tab van een artikel.

Vreemdelingenwet 2000

Vergelijking tussen 28-02-2026 en 12-06-2026

83 gewijzigde artikelen

Artikel 1

Gewijzigd

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel: een verzoek om internationale bescherming als bedoeld in artikel 3, onderdeel 12, van de Procedureverordening dan wel een aanvraag om verblijf als gezinslid van een vreemdeling die internationale bescherming geniet, als bedoeld in de artikelen 29b, 29c en 29d;

aanvullend document: document waarin de aanvullende informatie is opgenomen, bedoeld in artikel 6, eerste lid, tweede alinea van de Richtlijn 2011/98/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 betreffende één enkele aanvraagprocedure voor een gecombineerde vergunning voor onderdanen van derde landen om te verblijven en te werken op het grondgebied van een lidstaat, alsmede inzake een gemeenschappelijk pakket rechten voor werknemers uit derde landen die legaal in een lidstaat verblijven;

ambtenaren belast met het toezicht op vreemdelingen: de ambtenaren, bedoeld in artikel 47;

asiel:Asiel- en migratiebeheerverordening: Verordening (EU) 2024/1351 van het verblijfEuropees Parlement en de Raad van 14 mei 2024 betreffende asiel- en migratiebeheer, tot wijziging van de vreemdelingVerordeningen in(EU) Nederland op de gronden, bedoeld in de artikelen 292021/1147 en 34;(EU) 2021/1060 en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 604/2013;

asielgrensprocedure: de asielgrensprocedure bedoeld in artikel 43 van de Procedureverordening;

besluit tot buitenbehandelingstelling: een besluit tot het afwijzen van een verzoek als impliciet of expliciet ingetrokken overeenkomstig artikel 36, tweede lid, van de Procedureverordening;

buitengrenzen: de Nederlandse zeegrenzen, alsmede lucht- of zeehavens waar grenscontrole op personen wordt uitgeoefend;

buitengrenzen: de Nederlandse zeegrenzen, alsmede lucht- of zeehavens waar grenscontrole op personen wordt uitgeoefend;

Dublinverordening: de verordening (EU) nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend (PbEU 2013, L 180);

erkende referent: de referent die krachtens artikel 2c als zodanig is erkend;

Europese verordeningen die betrekking hebben op biometrische gegevens:

1°Verordening (EU) nr. 603/20132024/1358 van het Europees Parlement en de Raad van 2614 junimei 20132024 betreffende de instelling van „Eurodac»«Eurodac» voor de vergelijking van vingerafdrukkenbiometrische tengegevens behoeveom de Verordeningen (EU) 2024/1351 en (EU) 2024/1350 van eenhet doeltreffendeEuropees toepassingParlement vanen Verordeningde (EU)Raad nr.en 604/2013Richtlijn tot vaststelling2001/55/EG van de criteriaRaad doeltreffend toe te passen en instrumentenom omillegaal verblijvende onderdanen van derde landen en staatlozen te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediendidentificeren en betreffende verzoeken van rechtshandhavingsinstanties van de lidstaten en Europol om vergelijkingen van Eurodac-gegevens ten behoeve van rechtshandhaving, tot wijziging van de Verordeningen (EU) 2018/1240 en (EU) 2019/818 van het Europees Parlement en de Raad en tot wijzigingintrekking van Verordening (EU) nr. 1077/2011 tot oprichting603/2013 van eenhet Europees Agentschap voor het operationeel beheer van grootschalige IT- systemen op het gebied van vrijheid, veiligheidParlement en rechtde (PBEU L 180/1);Raad;

2°Verordening (EG) nr. 767/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 9 juli 2008 betreffende het visuminformatiesysteem (VIS) en de uitwisseling tussen de lidstaten van gegevens op het gebied van visa voor kort verblijf (VIS-verordening);

6°familieleden van de onder 5° genoemden die de nationaliteit van een derde staat bezitten en die krachtens de onder 5° genoemde Overeenkomst gerechtigd zijn een lidstaat binnen te komen en er te verblijven;

grensprocedure:Gezinsherenigingsrichtlijn: deRichtlijn asielprocedure, bedoeld in artikel 432003/86/EG van de Procedurerichtlijn;Raad van 22 september 2003 inzake het recht op gezinshereniging;

herhaalde aanvraag: een aanvraag, die op grond van artikel 4:6, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan worden afgewezen;

herhaalde aanvraag: een aanvraag, die op grond van artikel 4:6, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan worden afgewezen;

Hervestigingsverordening: Verordening (EU) 2024/1350 van het Europees Parlement en de Raad van 14 mei 2024 tot vaststelling van een Uniekader voor hervestiging en toelating op humanitaire gronden, en tot wijziging van Verordening (EU) 2021/1147;

inreisverbod: het inreisverbod, bedoeld in artikel 3, punt 6, van de Terugkeerrichtlijn;

inreisverbod: het inreisverbod, bedoeld in artikel 3, punt 6, van de Terugkeerrichtlijn;

internationale bescherming: internationale bescherming als bedoeld in artikel 2,3, onderonderdeel a,3, van de Kwalificatierichtlijn;Kwalificatieverordening;

de korpschef: de korpschef, bedoeld in artikel 27 van de Politiewet 2012;

de korpschef: de korpschef, bedoeld in artikel 27 van de Politiewet 2012;

Kwalificatierichtlijn:Kwalificatieverordening: deVerordening richtlijn(EU) nr. 2011/95/EU2024/1347 van het Europees Parlement en de Raad van 1314 decembermei 20112024 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die voor subsidiaire bescherming in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming,komen, en voor de inhoud van de verleende beschermingbescherming, (PbEUtot 2011,wijziging Lvan 337);Richtlijn 2003/109/EG van de Raad en tot intrekking van Richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad;

langdurig ingezetene: houder van een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen als bedoeld in Richtlijn 2003/109/EG van de Raad van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen, zoals gewijzigd door Richtlijn 2011/51/EU van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2011 tot wijziging van Richtlijn 2003/109/EG van de Raad teneinde haar werkingssfeer uit te breiden tot personen die internationale bescherming genieten, dan wel van een door een andere lidstaat op grond van deze richtlijn afgegeven EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen;

minderjarige: eenieder die de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt;

Niet-begeleide minderjarige: een persoon zoals gedefinieerd in artikel 2, onderdeel 5, van de Opvangrichtlijn;

Onafhankelijk toezichtmechanisme: het onafhankelijk toezichtmechanisme genoemd in artikel 10, tweede lid, van de Screeningsverordening en artikel 43, vierde lid, van de Procedureverordening;

Onze Minister: Onze Minister van Asiel en Migratie;

Onze Minister: Onze Minister van Asiel en Migratie;

Opvangrichtlijn: Richtlijn 2013/33/EU(EU) 2024/1346 van het Europees Parlementparlement en de Raad van 2614 junimei 20132024 tot vaststelling van normen voor de opvang van verzoekers om internationale bescherming (PbEU 2013, L 180);(herschikking);

opvolgendeoverdrachtsbesluit: aanvraag:het een volgend verzoek alsbesluit, bedoeld in artikel 2, onderdeel q,42 van de Procedurerichtlijn;Asiel- en migratiebeheerverordening;

overdrachtsbesluit: het besluit, bedoeld in artikel 26 van de Dublinverordening;

persoonsgegevens en verwerking van persoonsgegevens: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 4, aanhef en onder 1 en 2, van de Algemene verordening gegevensbescherming;

persoonsgegevens en verwerking van persoonsgegevens: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 4, aanhef en onder 1 en 2, van de Algemene verordening gegevensbescherming;

Procedurerichtlijn:Procedureverordening: RichtlijnVerordening 2013/32/EU(EU) 2024/1348 van het Europees Parlement en de Raad van 2614 junimei 20132024 betreffendetot vaststelling van een gemeenschappelijke proceduresprocedure voor internationale bescherming in de toekenningUnie en tot intrekking van internationaleRichtlijn bescherming (PbEU 2013, L 180);2013/32/EU;

referent: degene die overeenkomstig artikel 2a een verklaring heeft afgelegd of als zodanig is aangewezen;

Schengengrenscode: Verordening (EU) 2016/399 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende een Uniecode voor de overschrijding van de grenzen door personen (Schengengrenscode);

Screeningsautoriteiten: de bij of krachtens artikel 2ff, eerste, tweede en derde lid, aangewezen autoriteiten;

Screeningsverordening: Verordening (EU) 2024/1356 van het Europees Parlement en de Raad van 14 mei 2024 tot invoering van de screening van onderdanen van derde landen aan de buitengrenzen en tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 767/2008, (EU) 2017/2226, (EU) 2018/1240 en (EU) 2019/817;

SIS-verordening grenscontroles: Verordening (EU) 2018/1861 van 28 november 2018 betreffende de instelling, de werking en het gebruik van het Schengeninformatiesysteem (SIS) op het gebied van grenscontroles, tot wijziging van de Overeenkomst ter uitvoering van het Akkoord van Schengen en tot wijziging en intrekking van Verordening (EG) nr. 1987/2006;

Nieuwe tekst

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

  1. aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel: een verzoek om internationale bescherming als bedoeld in artikel 3, onderdeel 12, van de Procedureverordening dan wel een aanvraag om verblijf als gezinslid van een vreemdeling die internationale bescherming geniet, als bedoeld in de artikelen 29b, 29c en 29d;

  2. aanvullend document: document waarin de aanvullende informatie is opgenomen, bedoeld in artikel 6, eerste lid, tweede alinea van de Richtlijn 2011/98/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 betreffende één enkele aanvraagprocedure voor een gecombineerde vergunning voor onderdanen van derde landen om te verblijven en te werken op het grondgebied van een lidstaat, alsmede inzake een gemeenschappelijk pakket rechten voor werknemers uit derde landen die legaal in een lidstaat verblijven;

  3. ambtenaren belast met de grensbewaking: de ambtenaren, bedoeld in artikel 46;

  4. ambtenaren belast met het toezicht op referenten: de ambtenaren, bedoeld in artikel 47a;

  5. ambtenaren belast met het toezicht op vreemdelingen: de ambtenaren, bedoeld in artikel 47;

  6. Asiel- en migratiebeheerverordening: Verordening (EU) 2024/1351 van het Europees Parlement en de Raad van 14 mei 2024 betreffende asiel- en migratiebeheer, tot wijziging van de Verordeningen (EU) 2021/1147 en (EU) 2021/1060 en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 604/2013;

  7. asielgrensprocedure: de asielgrensprocedure bedoeld in artikel 43 van de Procedureverordening;

  8. besluit tot buitenbehandelingstelling: een besluit tot het afwijzen van een verzoek als impliciet of expliciet ingetrokken overeenkomstig artikel 36, tweede lid, van de Procedureverordening;

  9. buitengrenzen: de Nederlandse zeegrenzen, alsmede lucht- of zeehavens waar grenscontrole op personen wordt uitgeoefend;

  10. erkende referent: de referent die krachtens artikel 2c als zodanig is erkend;

  11. Etias-verordening: Verordening (EU) 2018/1240 van het Europees Parlement en de Raad van 12 september 2018 tot oprichting van een Europees reisinformatie- en -autorisatiesysteem (Etias) en tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 1077/2011, (EU) nr. 515/2014, (EU) 2016/399, (EU) 2016/1624 en (EU) 2017/2226;

  12. Europese verordeningen die betrekking hebben op biometrische gegevens:

    1. 1°

      Verordening (EU) 2024/1358 van het Europees Parlement en de Raad van 14 mei 2024 betreffende de instelling van «Eurodac» voor de vergelijking van biometrische gegevens om de Verordeningen (EU) 2024/1351 en (EU) 2024/1350 van het Europees Parlement en de Raad en Richtlijn 2001/55/EG van de Raad doeltreffend toe te passen en om illegaal verblijvende onderdanen van derde landen en staatlozen te identificeren en betreffende verzoeken van rechtshandhavingsinstanties van de lidstaten en Europol om vergelijkingen van Eurodac-gegevens ten behoeve van rechtshandhaving, tot wijziging van de Verordeningen (EU) 2018/1240 en (EU) 2019/818 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 603/2013 van het Europees Parlement en de Raad;

    2. 2°

      Verordening (EG) nr. 767/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 9 juli 2008 betreffende het visuminformatiesysteem (VIS) en de uitwisseling tussen de lidstaten van gegevens op het gebied van visa voor kort verblijf (VIS-verordening);

    3. 3°

      Verordening (EG) nr. 810/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 tot vaststelling van een gemeenschappelijke visumcode (Visumcode);

    4. 4°

      Verordening (EG) nr. 1030/2002 van de Raad van 13 juni 2002 betreffende de invoering van een uniform model voor verblijfstitels voor onderdanen van derde landen;

    5. 5°

      Verordening (EU) 2017/2226 van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2017 tot instelling van een inreis-uitreissysteem (EES) voor de registratie van inreis- en uitreisgegevens en van gegevens over weigering van toegang ten aanzien van onderdanen van derde landen die de buitengrenzen overschrijden en tot vaststelling van de voorwaarden voor toegang tot het EES voor rechtshandhavingsdoeleinden en tot wijziging van de overeenkomst ter uitvoering van het te Schengen gesloten akkoord en Verordeningen (EG) nr. 767/2008 en (EU) nr. 1077/2011;

  13. gecombineerde vergunning: verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14, verleend door Onze Minister onder de beperking «arbeid in loondienst», «lerend werken» of «seizoenarbeid», tevens zijnde vergunning voor het verrichten van werkzaamheden bij een specifieke werkgever, met het aanvullend document;

  14. gemeenschapsonderdanen:

    1. 1°

      onderdanen van de lidstaten van de Europese Unie die op grond van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie gerechtigd zijn een andere lidstaat binnen te komen en er te verblijven;

    2. 2°

      familieleden van de onder 1° genoemden die de nationaliteit van een derde staat bezitten en die uit hoofde van een ter toepassing van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie genomen besluit gerechtigd zijn een lidstaat binnen te komen en er te verblijven;

    3. 3°

      onderdanen van een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte van 2 mei 1992, die ter zake van binnenkomst en verblijf in een lidstaat rechten genieten die gelijk zijn aan die van burgers van de lidstaten van de Europese Unie;

    4. 4°

      familieleden van de onder 3° genoemden die de nationaliteit van een derde staat bezitten en die krachtens bovengenoemde Overeenkomst gerechtigd zijn een lidstaat binnen te komen en er te verblijven;

    5. 5°

      onderdanen van de Zwitserse Bondsstaat, indien zij verblijven op grond van de op 21 juni 1999 te Luxemburg totstandgekomen Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Zwitserse Bondsstaat, anderzijds, over het vrije verkeer van personen (Trb. 2000, 16 en 86);

    6. 6°

      familieleden van de onder 5° genoemden die de nationaliteit van een derde staat bezitten en die krachtens de onder 5° genoemde Overeenkomst gerechtigd zijn een lidstaat binnen te komen en er te verblijven;

  15. Gezinsherenigingsrichtlijn: Richtlijn 2003/86/EG van de Raad van 22 september 2003 inzake het recht op gezinshereniging;

  16. herhaalde aanvraag: een aanvraag, die op grond van artikel 4:6, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan worden afgewezen;

  17. Hervestigingsverordening: Verordening (EU) 2024/1350 van het Europees Parlement en de Raad van 14 mei 2024 tot vaststelling van een Uniekader voor hervestiging en toelating op humanitaire gronden, en tot wijziging van Verordening (EU) 2021/1147;

  18. inreisverbod: het inreisverbod, bedoeld in artikel 3, punt 6, van de Terugkeerrichtlijn;

  19. internationale bescherming: internationale bescherming als bedoeld in artikel 3, onderdeel 3, van de Kwalificatieverordening;

  20. de korpschef: de korpschef, bedoeld in artikel 27 van de Politiewet 2012;

  21. Kwalificatieverordening: Verordening (EU) 2024/1347 van het Europees Parlement en de Raad van 14 mei 2024 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die voor subsidiaire bescherming in aanmerking komen, en voor de inhoud van de verleende bescherming, tot wijziging van Richtlijn 2003/109/EG van de Raad en tot intrekking van Richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad;

  22. langdurig ingezetene: houder van een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen als bedoeld in Richtlijn 2003/109/EG van de Raad van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen, zoals gewijzigd door Richtlijn 2011/51/EU van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2011 tot wijziging van Richtlijn 2003/109/EG van de Raad teneinde haar werkingssfeer uit te breiden tot personen die internationale bescherming genieten, dan wel van een door een andere lidstaat op grond van deze richtlijn afgegeven EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen;

  23. minderjarige: eenieder die de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt;

  24. Niet-begeleide minderjarige: een persoon zoals gedefinieerd in artikel 2, onderdeel 5, van de Opvangrichtlijn;

  25. Onafhankelijk toezichtmechanisme: het onafhankelijk toezichtmechanisme genoemd in artikel 10, tweede lid, van de Screeningsverordening en artikel 43, vierde lid, van de Procedureverordening;

  26. Onze Minister: Onze Minister van Asiel en Migratie;

  27. Opvangrichtlijn: Richtlijn (EU) 2024/1346 van het Europees parlement en de Raad van 14 mei 2024 tot vaststelling van normen voor de opvang van verzoekers om internationale bescherming (herschikking);

  28. overdrachtsbesluit: het besluit, bedoeld in artikel 42 van de Asiel- en migratiebeheerverordening;

  29. persoonsgegevens en verwerking van persoonsgegevens: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 4, aanhef en onder 1 en 2, van de Algemene verordening gegevensbescherming;

  30. Procedureverordening: Verordening (EU) 2024/1348 van het Europees Parlement en de Raad van 14 mei 2024 tot vaststelling van een gemeenschappelijke procedure voor internationale bescherming in de Unie en tot intrekking van Richtlijn 2013/32/EU;

  31. referent: degene die overeenkomstig artikel 2a een verklaring heeft afgelegd of als zodanig is aangewezen;

  32. reisautorisatie: een reisautorisatie als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder 5, van de Etias-verordening;

  33. richtlijn tijdelijke bescherming: Richtlijn 2001/55/EG van de Raad van 20 juli 2001 betreffende minimumnormen voor het verlenen van tijdelijke bescherming in geval van massale toestroom van ontheemden en maatregelen ter bevordering van een evenwicht tussen de inspanning van de lidstaten voor de opvang en het dragen van de consequentie van de opvang van deze personen;

  34. Schengengrenscode: Verordening (EU) 2016/399 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende een Uniecode voor de overschrijding van de grenzen door personen (Schengengrenscode);

  35. Screeningsautoriteiten: de bij of krachtens artikel 2ff, eerste, tweede en derde lid, aangewezen autoriteiten;

  36. Screeningsverordening: Verordening (EU) 2024/1356 van het Europees Parlement en de Raad van 14 mei 2024 tot invoering van de screening van onderdanen van derde landen aan de buitengrenzen en tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 767/2008, (EU) 2017/2226, (EU) 2018/1240 en (EU) 2019/817;

  37. SIS-verordening grenscontroles: Verordening (EU) 2018/1861 van 28 november 2018 betreffende de instelling, de werking en het gebruik van het Schengeninformatiesysteem (SIS) op het gebied van grenscontroles, tot wijziging van de Overeenkomst ter uitvoering van het Akkoord van Schengen en tot wijziging en intrekking van Verordening (EG) nr. 1987/2006;

  38. SIS-verordening terugkeer: Verordening (EU) 2018/1860 van het Europees Parlement en de Raad van 28 november 2018 betreffende het gebruik van het Schengeninformatiesysteem voor de terugkeer van illegaal verblijvende onderdanen van derde landen;

  39. terugkeerbesluit: het terugkeerbesluit, bedoeld in artikel 3, punt 4, van de Terugkeerrichtlijn;

  40. Terugkeerrichtlijn: Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven;

  41. tijdelijke bescherming: rechtmatig verblijf in de zin van artikel 8, onder f of h, van de vreemdeling wiens uitzetting in verband met een aanvraag als bedoeld in artikel 28 op grond van de richtlijn tijdelijke bescherming achterwege blijft;

  42. verblijf op asielgerelateerde gronden: het verblijf van de vreemdeling in Nederland op de gronden bedoeld in de artikelen 29 tot en met 29d;

  43. verblijf op reguliere gronden: het verblijf van een vreemdeling in Nederland op grond van deze wet anders dan op de gronden bedoeld in de artikelen 29 tot en met 29d;

  44. Verordening interoperabiliteit grenzen en visa: Verordening (EU) 2019/817 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2019 tot vaststelling van een kader voor interoperabiliteit tussen de Unie-informatiesystemen op het gebied van grenzen en visa en tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 767/2008, (EU) 2016/399, (EU) 2017/2226, (EU) 2018/1240, (EU) 2018/1726 en (EU) 2018/1861 van het Europees Parlement en de Raad, Beschikking 2004/512/EG van de Raad en Besluit 2008/633/JBZ van de Raad;

  45. Verordening interoperabiliteit politiële en justitiële samenwerking, asiel en migratie: Verordening (EU) 2019/818 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2019 tot vaststelling van een kader voor interoperabiliteit tussen de Unie-informatiesystemen op het gebied van politiële en justitiële samenwerking, asiel en migratie en tot wijziging van Verordeningen (EU) 2018/1726, (EU) 2018/1862 en (EU) 2019/816;

  46. Vluchtelingenverdrag: het op 28 juli 1951 te Genève tot stand gekomen Verdrag betreffende de status van vluchtelingen (Trb. 1951, 131), zoals gewijzigd bij het op 31 januari 1967 te New York tot stand gekomen Protocol betreffende de status van vluchtelingen (Trb. 1967, 76);

  47. vreemdeling: ieder die de Nederlandse nationaliteit niet bezit en niet op grond van een wettelijke bepaling als Nederlander moet worden behandeld;

Artikel 2u

Gewijzigd

In afwijking van het eerste lid maakt Onze Minister de beslissing op een aanvraag om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf onder een beperking verband houdend met wetenschappelijk onderzoek, studie, lerend werken, of uitwisseling in het kader van Europees vrijwilligerswerk bekend binnen 60 dagen en kan die termijn niet worden verlengd.

In afwijking van het eerste lid maakt Onze Minister de beslissing op een aanvraag om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf voor verblijf als gezinslid van een vreemdeling aan wie een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd,asiel, bedoeld in artikel 28, is verleend, zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen negen maanden na indiening van de aanvraag bekend. Onze Minister kan deze termijn verlengen in geval van bijzondere omstandigheden die verband houden met het complexe karakter van de behandeling van de aanvraag.

Nieuwe tekst
  1. Onze Minister beslist binnen 90 dagen na ontvangst van een aanvraag om verlening of wijziging van een machtiging tot voorlopig verblijf. Onze Minister kan deze termijn verlengen met ten hoogste drie maanden.

  2. In afwijking van het eerste lid maakt Onze Minister de beslissing op een aanvraag om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf onder een beperking verband houdend met verblijf als houder van de Europese blauwe kaart of overplaatsing binnen een onderneming bekend binnen 90 dagen en kan die termijn niet worden verlengd.

  3. In afwijking van het eerste lid maakt Onze Minister de beslissing op een aanvraag om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf onder een beperking verband houdend met wetenschappelijk onderzoek, studie, lerend werken, of uitwisseling in het kader van Europees vrijwilligerswerk bekend binnen 60 dagen en kan die termijn niet worden verlengd.

  4. In afwijking van het eerste lid maakt Onze Minister de beslissing op een aanvraag om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf voor verblijf als gezinslid van een vreemdeling aan wie een verblijfsvergunning asiel, bedoeld in artikel 28, is verleend, zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen negen maanden na indiening van de aanvraag bekend. Onze Minister kan deze termijn verlengen in geval van bijzondere omstandigheden die verband houden met het complexe karakter van de behandeling van de aanvraag.

Artikel 2w

Gewijzigd

Geen terugkeervisum wordt verleend ten behoeve van de terugkeer uit het land van herkomst van de vreemdeling die rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, aanhef en onder c en d.

Geen terugkeervisum wordt verleend ten behoeve van de terugkeer uit het land van herkomst van de vreemdeling die een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in de artikelenartikel 28 en 33 heeft gedaan en rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, aanhef en onder f, g of h.

Nieuwe tekst
  1. Een terugkeervisum kan worden verleend voor de toegang tot Nederland van een vreemdeling die Nederland tijdelijk zal verlaten gedurende het tijdvak dat hij rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, aanhef en onder a tot en met h of l.

  2. Geen terugkeervisum wordt verleend ten behoeve van de terugkeer uit het land van herkomst van de vreemdeling die rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, aanhef en onder c en d.

  3. Geen terugkeervisum wordt verleend ten behoeve van de terugkeer uit het land van herkomst van de vreemdeling die een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28 heeft gedaan en rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, aanhef en onder f, g of h.

Artikel 2ff

Nieuw

Onze Minister is overeenkomstig de Screeningsverordening belast met de uitvoering van de taken en bezit daartoe de bevoegdheden die de Screeningsverordening aan de Screeningsautoriteiten toekent.

Ten aanzien van de in artikel 5 van de Screeningsverordening bedoelde screening aan de buitengrens, voert de Koninklijke Marechaussee de taken van de Screeningsautoriteiten overeenkomstig de Screeningsverordening uit, voor zover het de toepassing van artikel 14 en 15 van de Screeningverordening betreft, met inbegrip van de afname van biometrische gegevens van een aan de screening onderworpen onderdaan van een derde land voor de identificatie of verificatie van de identiteit van die persoon, de veiligheidscontrole van die persoon en de registratie in Eurodac van die persoon, overeenkomstig artikel 15, eerste lid, onderdeel b, en de artikelen 22, 23 en 24 van Verordening (EU) 2024/1358, naargelang het geval.

Onverminderd het eerste en tweede lid kunnen bij algemene maatregel van bestuur een of meerdere autoriteiten of instanties worden aangewezen die een of meerdere taken van de Screeningsautoriteiten uitvoeren.

De Screeningsautoriteiten verstrekken bij aanvang van de screening de aan screening onderworpen vreemdelingen op schriftelijke wijze informatie over de mogelijkheden tot het instellen van procedures bij niet-eerbiediging of niet-handhaving van grondrechten gedurende de screening, in een taal die de vreemdeling begrijpt, of waarvan redelijkerwijze kan worden aangenomen dat de vreemdeling deze begrijpt.

Nieuwe tekst
  1. Onze Minister is overeenkomstig de Screeningsverordening belast met de uitvoering van de taken en bezit daartoe de bevoegdheden die de Screeningsverordening aan de Screeningsautoriteiten toekent.

  2. Ten aanzien van de in artikel 5 van de Screeningsverordening bedoelde screening aan de buitengrens, voert de Koninklijke Marechaussee de taken van de Screeningsautoriteiten overeenkomstig de Screeningsverordening uit, voor zover het de toepassing van artikel 14 en 15 van de Screeningverordening betreft, met inbegrip van de afname van biometrische gegevens van een aan de screening onderworpen onderdaan van een derde land voor de identificatie of verificatie van de identiteit van die persoon, de veiligheidscontrole van die persoon en de registratie in Eurodac van die persoon, overeenkomstig artikel 15, eerste lid, onderdeel b, en de artikelen 22, 23 en 24 van Verordening (EU) 2024/1358, naargelang het geval.

  3. Onverminderd het eerste en tweede lid kunnen bij algemene maatregel van bestuur een of meerdere autoriteiten of instanties worden aangewezen die een of meerdere taken van de Screeningsautoriteiten uitvoeren.

  4. De Screeningsautoriteiten verstrekken bij aanvang van de screening de aan screening onderworpen vreemdelingen op schriftelijke wijze informatie over de mogelijkheden tot het instellen van procedures bij niet-eerbiediging of niet-handhaving van grondrechten gedurende de screening, in een taal die de vreemdeling begrijpt, of waarvan redelijkerwijze kan worden aangenomen dat de vreemdeling deze begrijpt.

Artikel 2gg

Nieuw

Onze Minister voorziet in de uitvoering van de in artikel 12, eerste lid, van de Screeningsverordening bedoelde voorlopige medische controle door gekwalificeerd medisch personeel en in de aanstelling van personen als bedoeld in artikel 13, derde lid, van de Screeningsverordening.

Het in het eerste lid bedoelde gekwalificeerde medische personeel en de in het eerste lid bedoelde personen verstrekken de Screeningsautoriteiten die gegevens die noodzakelijk zijn om te kunnen voldoen aan de verplichting opgenomen in artikel 17, eerste lid, onderdeel d, respectievelijk artikel 17, eerste lid, onderdeel e, van de Screeningsverordening.

Nieuwe tekst
  1. Onze Minister voorziet in de uitvoering van de in artikel 12, eerste lid, van de Screeningsverordening bedoelde voorlopige medische controle door gekwalificeerd medisch personeel en in de aanstelling van personen als bedoeld in artikel 13, derde lid, van de Screeningsverordening.

  2. Het in het eerste lid bedoelde gekwalificeerde medische personeel en de in het eerste lid bedoelde personen verstrekken de Screeningsautoriteiten die gegevens die noodzakelijk zijn om te kunnen voldoen aan de verplichting opgenomen in artikel 17, eerste lid, onderdeel d, respectievelijk artikel 17, eerste lid, onderdeel e, van de Screeningsverordening.

Artikel 2hh

Nieuw

Onze Minister voorziet in een onafhankelijk toezichtmechanisme overeenkomstig de in artikel 10, tweede en vierde lid, van de Screeningsverordening en artikel 43, vierde lid, van de Procedureverordening bedoelde vereisten.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen ten aanzien van het in het eerste lid bedoelde onafhankelijke toezichtmechanisme:

onverminderd artikel 2ii en onverminderd artikel 65, tweede lid, van de Politiewet 2012, instanties worden aangewezen die eveneens deelnemen aan de werking onverminderd en overeenkomstig de taken en bevoegdheden die de wet deze instanties toekent;

nadere regels worden gesteld met het oog op de goede werking van het mechanisme.

Nieuwe tekst
  1. Onze Minister voorziet in een onafhankelijk toezichtmechanisme overeenkomstig de in artikel 10, tweede en vierde lid, van de Screeningsverordening en artikel 43, vierde lid, van de Procedureverordening bedoelde vereisten.

  2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen ten aanzien van het in het eerste lid bedoelde onafhankelijke toezichtmechanisme:

    1. onverminderd artikel 2ii en onverminderd artikel 65, tweede lid, van de Politiewet 2012, instanties worden aangewezen die eveneens deelnemen aan de werking onverminderd en overeenkomstig de taken en bevoegdheden die de wet deze instanties toekent;

    2. nadere regels worden gesteld met het oog op de goede werking van het mechanisme.

Artikel 2ii

Nieuw

Het College voor de rechten van de mens neemt deel aan de werking van het onafhankelijk toezichtmechanisme, overeenkomstig de taken en bevoegdheden op grond van de Wet College voor de rechten van de mens.

Nieuwe tekst

Het College voor de rechten van de mens neemt deel aan de werking van het onafhankelijk toezichtmechanisme, overeenkomstig de taken en bevoegdheden op grond van de Wet College voor de rechten van de mens.

Artikel 3

Gewijzigd

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de weigering van toegang op grond van deze wet of ter uitvoering van de Schengengrenscode.

Indien een vreemdeling aan de grens te kennen geeft een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28 te willen indienen, wordt de aanvraag inop de grensprocedurelocaties waar de asielgrensprocedure wordt uitgevoerd getoetst aan:

de grond voor het niet in behandeling nemen als bedoeld in artikel 30;

de grond voor het niet in behandeling nemen als bedoeld in artikel 30;

de gronden voor niet-ontvankelijkverklaring, genoemdbedoeld in artikel 30a; en

de gronden voor afwijzing wegens kennelijke ongegrondheid, genoemd in artikel 30b.30b, met dien verstande dat een van de in artikel 42, eerste lid, onderdelen a tot en met g, en j, en artikel 42, derde lid, onderdeel b, van de Procedureverordening genoemde gevallen van toepassing is.

Indien de grensprocedureaanvraag wordt toegepast,behandeld op de locaties waar de asielgrensprocedure wordt uitgevoerd, wordt een besluit omtrent de weigering van toegang tot Nederland uitgesteld. Een reeds genomen besluit tot weigering van toegang tot Nederland vervalt met ingang van het tijdstip waarop de vreemdeling aan de grens te kennen geeft een aanvraag als bedoeld in het derde lid te willen indienen.

De vreemdeling wordt onverwijld in kennis gesteld van het uitstel van het besluit tot weigering van toegang tot Nederland.

De vreemdeling wordt onverwijld in kennis gesteld van het uitstel van het besluit tot weigering van toegang tot Nederland.

IndienOp vierde aanvraag, bedoeld in het derde lid, wordt binnen vijf weken na de kennisgeving,registratie bedoelddaarvan ineen beschikking gegeven. Indien na het vijfdeverstrijken lid,van deze termijn nog niet is beslist over het in behandeling nemen, de ontvankelijkheid of de kennelijke ongegrondheid van de aanvraag, verkrijgt de vreemdeling van rechtswege toegang tot Nederland.Nederland, onder opheffing van de maatregel, bedoeld in artikel 6, derde lid. De termijn kan met vier weken worden verlengd wanneer de vreemdeling wordt herplaatst overeenkomstig artikel 67, elfde lid, van de Asiel- en migratiebeheerverordening.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordenkunnen nadere regels worden gesteld over de grensprocedure.asielgrensprocedure.

Nieuwe tekst
  1. In andere dan de in de Schengengrenscode geregelde gevallen, wordt toegang tot Nederland geweigerd aan de vreemdeling die:

    1. niet in het bezit is van een geldig document voor grensoverschrijding, dan wel in het bezit is van een document voor grensoverschrijding waarin het benodigde visum ontbreekt;

    2. een gevaar oplevert voor de openbare orde of nationale veiligheid;

    3. niet beschikt over voldoende middelen om te voorzien zowel in de kosten van verblijf in Nederland als in die van zijn reis naar een plaats buiten Nederland waar zijn toegang gewaarborgd is, of

    4. niet voldoet aan de voorwaarden die bij of krachtens algemene maatregel van bestuur zijn gesteld.

  2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de weigering van toegang op grond van deze wet of ter uitvoering van de Schengengrenscode.

  3. Indien een vreemdeling aan de grens te kennen geeft een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28 te willen indienen, wordt de aanvraag op de locaties waar de asielgrensprocedure wordt uitgevoerd getoetst aan:

    1. de grond voor het niet in behandeling nemen als bedoeld in artikel 30;

    2. de gronden voor niet-ontvankelijkverklaring, bedoeld in artikel 30a; en

    3. de gronden voor afwijzing wegens kennelijke ongegrondheid, genoemd in artikel 30b, met dien verstande dat een van de in artikel 42, eerste lid, onderdelen a tot en met g, en j, en artikel 42, derde lid, onderdeel b, van de Procedureverordening genoemde gevallen van toepassing is.

  4. Indien de aanvraag wordt behandeld op de locaties waar de asielgrensprocedure wordt uitgevoerd, wordt een besluit omtrent de weigering van toegang tot Nederland uitgesteld. Een reeds genomen besluit tot weigering van toegang tot Nederland vervalt met ingang van het tijdstip waarop de vreemdeling aan de grens te kennen geeft een aanvraag als bedoeld in het derde lid te willen indienen.

  5. De vreemdeling wordt onverwijld in kennis gesteld van het uitstel van het besluit tot weigering van toegang tot Nederland.

  6. Op de aanvraag, bedoeld in het derde lid, wordt binnen vijf weken na de registratie daarvan een beschikking gegeven. Indien na het verstrijken van deze termijn nog niet is beslist over het in behandeling nemen, de ontvankelijkheid of de kennelijke ongegrondheid van de aanvraag, verkrijgt de vreemdeling van rechtswege toegang tot Nederland, onder opheffing van de maatregel, bedoeld in artikel 6, derde lid. De termijn kan met vier weken worden verlengd wanneer de vreemdeling wordt herplaatst overeenkomstig artikel 67, elfde lid, van de Asiel- en migratiebeheerverordening.

  7. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de asielgrensprocedure.

Artikel 6

Gewijzigd

De vreemdeling aan wie toegang is geweigerdgeweigerd, onderscheidenlijk de vreemdeling op wie artikel 5 van de Screeningsverordening van toepassing is, kan worden verplicht zich op te houden in een door de ambtenaar belast met grensbewaking aangewezen ruimte of plaats.plaats, met dien verstande dat indien de Screeningsverordening van toepassing is, dit overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 5, 6 en 8, eerste en derde lid, van de Screeningsverordening plaatsvindt.

Een ruimte of plaats, bedoeld in het eerste lid, kan worden beveiligd tegen ongeoorloofd vertrek.

Een ruimte of plaats, bedoeld in het eerste lid, kan worden beveiligd tegen ongeoorloofd vertrek.

De vreemdeling die aan de grens te kennen heeft gegeven een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28 te willen indienenindienen, met inbegrip van de vreemdeling op wie artikel 5, tweede lid, van de Screeningsverordening van toepassing is, kan, zolang hij wordt aangemerkt als verzoeker in de zin van artikel 2, aanhef en onder b,2, van de Opvangrichtlijn, eveneens worden verplicht zich op te houden in een door de ambtenaar belast met grensbewaking aangewezen ruimte of plaats die kan worden beveiligd tegen ongeoorloofd vertrek, in het kader van een procedure om een beslissing te nemen over de toegang.toegang, onderscheidenlijk in het kader van de toepassing van de screeningsprocedure overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 5, 6 en 8, eerste en derde lid, van de Screeningsverordening. Artikel 59b, vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot het voor de beveiligde ruimte of plaats, bedoeld in het eerste lid, geldende regime, waaronder begrepen de nodige beheersmaatregelen. Hoofdstuk 9 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing.

Een krachtens het vierde lid vastgestelde algemene maatregel van bestuur wordt aan de beide kamers der Staten-Generaal overgelegd. Hij treedt in werking op een tijdstip dat, nadat vier weken na de overlegging zijn verstreken, bij koninklijk besluit wordt vastgesteld, tenzij binnen die termijn door of namens een der kamers of door ten minste een vijfde van het grondwettelijk aantal leden van een der kamers de wens te kennen wordt gegeven dat het onderwerp bij wet wordt geregeld. In dat geval wordt een daartoe strekkend voorstel van wet zo spoedig mogelijk ingediend. Indien het voorstel van wet wordt ingetrokken of indien een van beide kamers van de Staten-Generaal besluit het voorstel niet aan te nemen, wordt de algemene maatregel van bestuur ingetrokken.

Onze Minister kan de maatregel, bedoeld in het eerste en tweede lid, opleggen aan de vreemdeling aan wie toegang is geweigerd en op wie voorafgaand aan de toegangsweigering het derde lid van toepassing was, indien het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid zulks vordert. De maatregel wordt uitsluitend opgelegd indien zicht op uitzetting binnen redelijke termijn bestaat, voor een zo kort mogelijke periode. Artikel 59, vijfde en zesde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over toepassing van het derde en het zesde lid.

Nieuwe tekst
  1. De vreemdeling aan wie toegang is geweigerd, onderscheidenlijk de vreemdeling op wie artikel 5 van de Screeningsverordening van toepassing is, kan worden verplicht zich op te houden in een door de ambtenaar belast met grensbewaking aangewezen ruimte of plaats, met dien verstande dat indien de Screeningsverordening van toepassing is, dit overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 5, 6 en 8, eerste en derde lid, van de Screeningsverordening plaatsvindt.

  2. Een ruimte of plaats, bedoeld in het eerste lid, kan worden beveiligd tegen ongeoorloofd vertrek.

  3. De vreemdeling die aan de grens te kennen heeft gegeven een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28 te willen indienen, met inbegrip van de vreemdeling op wie artikel 5, tweede lid, van de Screeningsverordening van toepassing is, kan, zolang hij wordt aangemerkt als verzoeker in de zin van artikel 2, aanhef en onder 2, van de Opvangrichtlijn, eveneens worden verplicht zich op te houden in een door de ambtenaar belast met grensbewaking aangewezen ruimte of plaats die kan worden beveiligd tegen ongeoorloofd vertrek, in het kader van een procedure om een beslissing te nemen over de toegang, onderscheidenlijk in het kader van de toepassing van de screeningsprocedure overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 5, 6 en 8, eerste en derde lid, van de Screeningsverordening. Artikel 59b, vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.

  4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot het voor de beveiligde ruimte of plaats, bedoeld in het eerste lid, geldende regime, waaronder begrepen de nodige beheersmaatregelen. Hoofdstuk 9 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing.

  5. Een krachtens het vierde lid vastgestelde algemene maatregel van bestuur wordt aan de beide kamers der Staten-Generaal overgelegd. Hij treedt in werking op een tijdstip dat, nadat vier weken na de overlegging zijn verstreken, bij koninklijk besluit wordt vastgesteld, tenzij binnen die termijn door of namens een der kamers of door ten minste een vijfde van het grondwettelijk aantal leden van een der kamers de wens te kennen wordt gegeven dat het onderwerp bij wet wordt geregeld. In dat geval wordt een daartoe strekkend voorstel van wet zo spoedig mogelijk ingediend. Indien het voorstel van wet wordt ingetrokken of indien een van beide kamers van de Staten-Generaal besluit het voorstel niet aan te nemen, wordt de algemene maatregel van bestuur ingetrokken.

  6. Onze Minister kan de maatregel, bedoeld in het eerste en tweede lid, opleggen aan de vreemdeling aan wie toegang is geweigerd en op wie voorafgaand aan de toegangsweigering het derde lid van toepassing was, indien het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid zulks vordert. De maatregel wordt uitsluitend opgelegd indien zicht op uitzetting binnen redelijke termijn bestaat, voor een zo kort mogelijke periode. Artikel 59, vijfde en zesde lid, is van overeenkomstige toepassing.

  7. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over toepassing van het derde en het zesde lid.

Artikel 6a

Gewijzigd

Onze Minister kan de maatregel, bedoeld in artikel 6, eerste en tweede lid, opleggen of voortzetten met het oog op de overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat, met inachtneming van artikel 2844 van de Dublinverordening.Asiel- en migratiebeheerverordening.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld omtrent de toepassing van het eerste lid.

Nieuwe tekst
  1. Onze Minister kan de maatregel, bedoeld in artikel 6, eerste en tweede lid, opleggen of voortzetten met het oog op de overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat, met inachtneming van artikel 44 van de Asiel- en migratiebeheerverordening.

  2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld omtrent de toepassing van het eerste lid.

Artikel 8

Gewijzigd

op grond van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 20, of een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen als bedoeld in artikel 45a indien op het aan de vreemdeling verschafte document, bedoeld in artikel 9, geen aantekening als bedoeld in artikel 45c, eerste lid, is geplaatst;

op grond van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijdasiel als bedoeld in artikel 28;

op grond van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 33, of een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen als bedoeld in artikel 45a indien op het aan de vreemdeling verschafte document, bedoeld in artikel 9, de aantekening, bedoeld in artikel 45c, eerste lid, is geplaatst;

als gemeenschapsonderdaan zolang deze onderdaan verblijf houdt op grond van een regeling krachtens het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie dan wel de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte;

als gemeenschapsonderdaan zolang deze onderdaan verblijf houdt op grond van een regeling krachtens het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie dan wel de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte;

in afwachting van de beslissing op een aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning, bedoeld in de artikelen 14 en 28, terwijl bij of krachtens deze wet dan wel op grond van een rechterlijke beslissing uitzetting van de aanvrager achterwege dient te blijven totdat op de aanvraag is beslist;in:

in1°artikel afwachting van de beslissing op een aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning, bedoeld in de artikelen 20, 33 en 45a, of tot het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning, bedoeld in de artikelen 14 en 28, of een wijziging ervan,14, terwijl bij of krachtens deze wet ofdan wel op grond van een rechterlijke beslissing uitzetting van de aanvrager achterwege dient te blijven totdat op de aanvraag is beslist;beslist, of

in2°artikel afwachting28, terwijl de vreemdeling overeenkomstig artikel 10, eerste lid, van de beslissingProcedureverordening het recht heeft om op eenhet bezwaarschriftgrondgebied van Nederland te verblijven totdat op de aanvraag is beslist, tenzij artikel 10, derde of eenvierde beroepschrift, terwijl bij of krachtens deze wet of op grond van een rechterlijke beslissing uitzettinglid, van de aanvragerProcedureverordening achterwegevan dienttoepassing te blijven totdat op het bezwaarschrift of het beroepschrift is beslist;is;

in afwachting van de beslissing op een aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning, bedoeld in de artikelen 20 en 45a, of tot het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 14, of een wijziging ervan, terwijl bij of krachtens deze wet of op grond van een rechterlijke beslissing uitzetting van de aanvrager achterwege dient te blijven totdat op de aanvraag is beslist;

in afwachting van:

1°de beslissing op een bezwaarschrift of een beroepschrift dat geen betrekking heeft op de beslissing op een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28, terwijl bij of krachtens deze wet of op grond van een rechterlijke beslissing uitzetting van de aanvrager achterwege dient te blijven totdat op het bezwaarschrift of het beroepschrift is beslist; of

2°de beslissing op een bezwaarschrift of beroepschrift, terwijl overeenkomstig artikel 68, tweede of vierde lid, van de Procedureverordening sprake is van een recht om op het grondgebied van Nederland te blijven dan wel op grond van een rechterlijke beslissing uitzetting of overdracht van de aanvrager achterwege dient te blijven totdat op het bezwaarschrift of het beroepschrift is beslist;

gedurende de vrije termijn, bedoeld in artikel 12, zolang het verblijf van de vreemdeling bij of krachtens artikel 12 is toegestaan;

indien de vreemdeling verblijfsrecht ontleent aan het Associatiebesluit 1/80 van de Associatieraad EEG/Turkije;

indien de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijdasiel als bedoeld in artikel 28 niet in behandeling is genomen op grond van artikel 30 terwijl hij in afwachting is van de feitelijke overdracht naar een verantwoordelijke lidstaat in de zin van de Dublinverordening.Asiel- en migratiebeheerverordening.

Nieuwe tekst

De vreemdeling heeft in Nederland uitsluitend rechtmatig verblijf:

  1. op grond van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14;

  2. op grond van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 20, of een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen als bedoeld in artikel 45a indien op het aan de vreemdeling verschafte document, bedoeld in artikel 9, geen aantekening als bedoeld in artikel 45c, eerste lid, is geplaatst;

  3. op grond van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28;

  4. op grond van een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen als bedoeld in artikel 45a indien op het aan de vreemdeling verschafte document, bedoeld in artikel 9, de aantekening, bedoeld in artikel 45c, eerste lid, is geplaatst;

  5. als gemeenschapsonderdaan zolang deze onderdaan verblijf houdt op grond van een regeling krachtens het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie dan wel de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte;

  6. in afwachting van de beslissing op een aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning, bedoeld in:

    1. 1°

      artikel 14, terwijl bij of krachtens deze wet dan wel op grond van een rechterlijke beslissing uitzetting van de aanvrager achterwege dient te blijven totdat op de aanvraag is beslist, of

    2. 2°

      artikel 28, terwijl de vreemdeling overeenkomstig artikel 10, eerste lid, van de Procedureverordening het recht heeft om op het grondgebied van Nederland te verblijven totdat op de aanvraag is beslist, tenzij artikel 10, derde of vierde lid, van de Procedureverordening van toepassing is;

  7. in afwachting van de beslissing op een aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning, bedoeld in de artikelen 20 en 45a, of tot het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 14, of een wijziging ervan, terwijl bij of krachtens deze wet of op grond van een rechterlijke beslissing uitzetting van de aanvrager achterwege dient te blijven totdat op de aanvraag is beslist;

  8. in afwachting van:

    1. 1°

      de beslissing op een bezwaarschrift of een beroepschrift dat geen betrekking heeft op de beslissing op een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28, terwijl bij of krachtens deze wet of op grond van een rechterlijke beslissing uitzetting van de aanvrager achterwege dient te blijven totdat op het bezwaarschrift of het beroepschrift is beslist; of

    2. 2°

      de beslissing op een bezwaarschrift of beroepschrift, terwijl overeenkomstig artikel 68, tweede of vierde lid, van de Procedureverordening sprake is van een recht om op het grondgebied van Nederland te blijven dan wel op grond van een rechterlijke beslissing uitzetting of overdracht van de aanvrager achterwege dient te blijven totdat op het bezwaarschrift of het beroepschrift is beslist;

  9. gedurende de vrije termijn, bedoeld in artikel 12, zolang het verblijf van de vreemdeling bij of krachtens artikel 12 is toegestaan;

  10. indien tegen de uitzetting beletselen bestaan als bedoeld in artikel 64;

  11. gedurende de periode waarin de vreemdeling door Onze Minister in de gelegenheid wordt gesteld aangifte te doen van overtreding van artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht;

  12. indien de vreemdeling verblijfsrecht ontleent aan het Associatiebesluit 1/80 van de Associatieraad EEG/Turkije;

  13. indien de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28 niet in behandeling is genomen op grond van artikel 30 terwijl hij in afwachting is van de feitelijke overdracht naar een verantwoordelijke lidstaat in de zin van de Asiel- en migratiebeheerverordening.

Artikel 9

Gewijzigd

Onze Minister verschaft aan de vreemdeling, die rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, onder aa, totb en met d, f tot en met h en j tot en met m, en aan de vreemdeling die rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, onder e, en gemeenschapsonderdaan is als bedoeld in artikel 1, sub 2°, 4° en 6°, een document of schriftelijke verklaring, waaruit het rechtmatig verblijf blijkt.

Onze Minister verschaft aan de vreemdeling die rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, onder c, de verblijfstitel waaruit het rechtmatig verblijf blijkt, bedoeld in:

artikel 24 van de Kwalificatieverordening, indien de vreemdeling de vluchtelingenstatus of subsidiairebeschermingsstatus heeft;

artikel 23, eerste lid, van de Kwalificatieverordening, indien de vreemdeling verblijf heeft als gezinslid van een vreemdeling die de vluchtelingenstatus of subsidiairebeschermingsstatus heeft, als bedoeld in artikel 29b;

artikel 13, tweede lid, van de Gezinsherenigingsrichtlijn, indien de vreemdeling verblijf heeft als bedoeld in artikel 29c, als gezinslid van een vreemdeling die de vluchtelingenstatus heeft; of

het eerste lid, indien de vreemdeling verblijf heeft als bedoeld in artikel 29d, als gezinslid van een vreemdeling die de subsidiairebeschermingsstatus heeft.

De geldigheidsduur van de verblijfstitel, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, vangt aan op de datum van verlening van de verblijfsvergunning asiel, bedoeld in artikel 44, tweede lid, en heeft een initiële geldigheidsduur van drie jaar. Wanneer de geldigheidsduur verstrijkt, kan deze met drie jaar worden verlengd.

De geldigheidsduur van de verblijfstitel, bedoeld in het tweede lid, onderdelen b, c en d, vangt aan op de datum van de verlening van de verblijfsvergunning asiel, bedoeld in artikel 44, tweede lid, en verstrijkt op dezelfde datum als waarop de verblijfstitel van de vreemdeling die de vluchtelingenstatus of de subsidiairebeschermingsstatus heeft, verstrijkt, en kan worden verlengd zolang de geldigheidsduur van de verblijfstitel die is afgegeven aan de vreemdeling die de vluchtelingenstatus of subsidiairebeschermingsstatus heeft, niet is verstreken.

Onze Minister verschaft aan de vreemdeling die rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, onder e, en gemeenschapsonderdaan is als bedoeld in artikel 1, sub 1°, 3° en 5° een document, waaruit het rechtmatig verblijf blijkt, indien de vreemdeling het duurzaam verblijfsrecht heeft verkregen als bedoeld in artikel 16 van Richtlijn nr. 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van Verordening (EEG) 1612/68 en tot intrekking van Richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG (PbEU L 158).

Bij de aanvraag van een beschikking anders dan op grond van deze wet legt de vreemdeling desgevraagd een kopie van het document of de schriftelijke verklaring over, dat wordt aangemerkt als een bescheid als bedoeld in artikel 4:3, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

Onze Minister wijst bij ministeriële regeling de bescheiden, bedoeld in het eerste tot en met derde lid, aan en kan modellenregels vaststellenstellen voor de documenten en de schriftelijke verklaring.over:

de bescheiden, bedoeld in het eerste, zesde en zevende lid, en kan daarbij modellen vaststellen voor de documenten en de schriftelijke verklaring;

de geldigheidsduur van de verblijfstitel, bedoeld in het tweede lid;

de gevallen waarin de verblijfstitel, bedoeld in het tweede lid, in afwijking van het derde en vierde lid, een kortere geldigheidsduur dan drie jaren heeft;

de administratieve formaliteiten voor verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfstitel, bedoeld in het tweede lid, ter uitvoering van:

1°artikel 24, vierde lid, van de Kwalificatieverordening met betrekking tot onderdeel a;

2°artikel 23, tweede lid, van de Kwalificatieverordening met betrekking tot onderdeel b;

3°artikel 13, tweede lid, van de Gezinsherenigingsrichtlijn met betrekking tot onderdeel c;

de administratieve formaliteiten voor verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfstitel, bedoeld in het tweede lid, onderdeel d; of

de vergoeding, bedoeld in artikel 24, derde lid, van de Kwalificatieverordening.

Het verstrijken van de geldigheidsduur van de verblijfstitel heeft niet tot gevolg dat de verblijfsvergunning asiel vervalt indien deze op dat moment niet is ingetrokken.

Nieuwe tekst
  1. Onze Minister verschaft aan de vreemdeling, die rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, onder a, b en d, f tot en met h en j tot en met m, en aan de vreemdeling die rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, onder e, en gemeenschapsonderdaan is als bedoeld in artikel 1, sub 2°, 4° en 6°, een document of schriftelijke verklaring, waaruit het rechtmatig verblijf blijkt.

  2. Onze Minister verschaft aan de vreemdeling die rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, onder c, de verblijfstitel waaruit het rechtmatig verblijf blijkt, bedoeld in:

    1. artikel 24 van de Kwalificatieverordening, indien de vreemdeling de vluchtelingenstatus of subsidiairebeschermingsstatus heeft;

    2. artikel 23, eerste lid, van de Kwalificatieverordening, indien de vreemdeling verblijf heeft als gezinslid van een vreemdeling die de vluchtelingenstatus of subsidiairebeschermingsstatus heeft, als bedoeld in artikel 29b;

    3. artikel 13, tweede lid, van de Gezinsherenigingsrichtlijn, indien de vreemdeling verblijf heeft als bedoeld in artikel 29c, als gezinslid van een vreemdeling die de vluchtelingenstatus heeft; of

    4. het eerste lid, indien de vreemdeling verblijf heeft als bedoeld in artikel 29d, als gezinslid van een vreemdeling die de subsidiairebeschermingsstatus heeft.

  3. De geldigheidsduur van de verblijfstitel, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, vangt aan op de datum van verlening van de verblijfsvergunning asiel, bedoeld in artikel 44, tweede lid, en heeft een initiële geldigheidsduur van drie jaar. Wanneer de geldigheidsduur verstrijkt, kan deze met drie jaar worden verlengd.

  4. De geldigheidsduur van de verblijfstitel, bedoeld in het tweede lid, onderdelen b, c en d, vangt aan op de datum van de verlening van de verblijfsvergunning asiel, bedoeld in artikel 44, tweede lid, en verstrijkt op dezelfde datum als waarop de verblijfstitel van de vreemdeling die de vluchtelingenstatus of de subsidiairebeschermingsstatus heeft, verstrijkt, en kan worden verlengd zolang de geldigheidsduur van de verblijfstitel die is afgegeven aan de vreemdeling die de vluchtelingenstatus of subsidiairebeschermingsstatus heeft, niet is verstreken.

  5. Onze Minister verschaft aan de vreemdeling die rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, onder e, en gemeenschapsonderdaan is als bedoeld in artikel 1, sub 1°, 3° en 5° een document, waaruit het rechtmatig verblijf blijkt, indien de vreemdeling het duurzaam verblijfsrecht heeft verkregen als bedoeld in artikel 16 van Richtlijn nr. 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van Verordening (EEG) 1612/68 en tot intrekking van Richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG (PbEU L 158).

  6. Onze Minister verschaft desgevraagd een dergelijk document of schriftelijke verklaring aan de vreemdeling die rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, onder i.

  7. Bij de aanvraag van een beschikking anders dan op grond van deze wet legt de vreemdeling desgevraagd een kopie van het document of de schriftelijke verklaring over, dat wordt aangemerkt als een bescheid als bedoeld in artikel 4:3, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

  8. Onze Minister kan regels stellen over:

    1. de bescheiden, bedoeld in het eerste, zesde en zevende lid, en kan daarbij modellen vaststellen voor de documenten en de schriftelijke verklaring;

    2. de geldigheidsduur van de verblijfstitel, bedoeld in het tweede lid;

    3. de gevallen waarin de verblijfstitel, bedoeld in het tweede lid, in afwijking van het derde en vierde lid, een kortere geldigheidsduur dan drie jaren heeft;

    4. de administratieve formaliteiten voor verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfstitel, bedoeld in het tweede lid, ter uitvoering van:

      1. 1°

        artikel 24, vierde lid, van de Kwalificatieverordening met betrekking tot onderdeel a;

      2. 2°

        artikel 23, tweede lid, van de Kwalificatieverordening met betrekking tot onderdeel b;

      3. 3°

        artikel 13, tweede lid, van de Gezinsherenigingsrichtlijn met betrekking tot onderdeel c;

    5. de administratieve formaliteiten voor verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfstitel, bedoeld in het tweede lid, onderdeel d; of

    6. de vergoeding, bedoeld in artikel 24, derde lid, van de Kwalificatieverordening.

  9. Het verstrijken van de geldigheidsduur van de verblijfstitel heeft niet tot gevolg dat de verblijfsvergunning asiel vervalt indien deze op dat moment niet is ingetrokken.

Artikel 11

Gewijzigd

Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op de bij wet of algemene maatregel van bestuur aangewezen ontheffingen of vergunningen.

Het COA, bedoeld in artikel 2 van de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers, is bevoegd de vreemdeling, bedoeld in het eerste lid, de verplichting op te leggen deel te nemen aan cursussen gericht op het verwerven van mondelinge en schriftelijke vaardigheden in de Nederlandse taal en kennis van de Nederlandse maatschappij als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Wet inburgering 2021.

Indien het COA een verplichting als bedoeld in het vierde lid heeft opgelegd en de vreemdeling deze verplichting niet of onvoldoende nakomt, is het COA bevoegd materiële voorzieningen te beperken of in te trekken.

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gegeven over:

de aard en omvang van de op te leggen maatregelen;

de voorwaarden die aan inperking of intrekking van de voorzieningen kunnen worden verbonden;

de duur van de maatregelen;

de gevolgen voor de vreemdeling, indien deze alsnog voldoet aan de opgelegde verplichtingen.

Nieuwe tekst
  1. De aanspraken van de vreemdeling die rechtmatig verblijf heeft zijn in overeenstemming met de aard van het verblijf. Tenzij bij of krachtens het wettelijk voorschrift waarop de aanspraak is gegrond anders is bepaald, is daarbij het tweede lid van toepassing.

  2. De vreemdeling, bedoeld in het eerste lid, kan aanspraken maken op voorzieningen, verstrekkingen en uitkeringen, indien hij:

    1. rechtmatig verblijf heeft, als bedoeld in artikel 8, onder a, tot en met e en l;

    2. rechtmatig verblijf heeft, als bedoeld in artikel 8, onder f, g, h, en een aanspraak wordt toegekend bij of krachtens de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers, dan wel bij of krachtens een ander wettelijk voorschrift, waarin aanspraken van deze vreemdelingen zijn neergelegd;

    3. rechtmatig verblijf heeft, als bedoeld in artikel 8, onder i tot en met k, voor de aanspraken die uitdrukkelijk aan deze vreemdelingen zijn toegekend.

  3. Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op de bij wet of algemene maatregel van bestuur aangewezen ontheffingen of vergunningen.

  4. Het COA, bedoeld in artikel 2 van de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers, is bevoegd de vreemdeling, bedoeld in het eerste lid, de verplichting op te leggen deel te nemen aan cursussen gericht op het verwerven van mondelinge en schriftelijke vaardigheden in de Nederlandse taal en kennis van de Nederlandse maatschappij als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Wet inburgering 2021.

  5. Indien het COA een verplichting als bedoeld in het vierde lid heeft opgelegd en de vreemdeling deze verplichting niet of onvoldoende nakomt, is het COA bevoegd materiële voorzieningen te beperken of in te trekken.

  6. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gegeven over:

    1. de aard en omvang van de op te leggen maatregelen;

    2. de voorwaarden die aan inperking of intrekking van de voorzieningen kunnen worden verbonden;

    3. de duur van de maatregelen;

    4. de gevolgen voor de vreemdeling, indien deze alsnog voldoet aan de opgelegde verplichtingen.

Artikel 17

Gewijzigd

de vreemdeling die slachtoffer of getuige-aangever is van mensenhandel;

de vreemdeling die onmiddellijk voorafgaande aan de aanvraag in het bezit was van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijdasiel als bedoeld in artikel 28 dan wel van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 33;28;

de vreemdeling die tijdig een aanvraag heeft ingediend tot wijziging van een verblijfsvergunning;

Nieuwe tekst
  1. Een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 wordt niet afgewezen wegens het ontbreken van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf, indien het betreft:

    1. de vreemdeling die de nationaliteit bezit van één der door bij regeling van Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Buitenlandse Zaken aan te wijzen landen;

    2. de gemeenschapsonderdaan, voorzover niet reeds vrijgesteld op grond van een aanwijzing als bedoeld onder a;

    3. de vreemdeling voor wie het gelet op diens gezondheidstoestand niet verantwoord is om te reizen;

    4. de vreemdeling die slachtoffer of getuige-aangever is van mensenhandel;

    5. de vreemdeling die onmiddellijk voorafgaande aan de aanvraag in het bezit was van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28;

    6. de vreemdeling die tijdig een aanvraag heeft ingediend tot wijziging van een verblijfsvergunning;

    7. de vreemdeling die behoort tot een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen categorie;

    8. een langdurig ingezetene uit een andere EU-lidstaat, dan wel diens echtgenoot of minderjarig kind ingeval het gezin reeds was gevormd in die andere lidstaat.

  2. De voordracht voor een krachtens het eerste lid, onder g, vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet gedaan dan nadat een ontwerp in de Staatscourant is bekendgemaakt en aan een ieder de gelegenheid is geboden om binnen vier weken na de dag waarop de bekendmaking is geschied, wensen en bedenkingen ter kennis van Onze Minister te brengen. Gelijktijdig met de bekendmaking wordt het ontwerp aan de beide kamers der Staten-Generaal overgelegd.

Artikel 19

Gewijzigd

De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd kan worden ingetrokken op de gronden bedoeld in artikel 18, eerste lid, met uitzondering van onderdeel b, en wordt ingetrokken indien aan de houder daarvan ambtshalve een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28, eerste lid, onderdeel e,c, subonderdeel 3°, wordt verleend.

Nieuwe tekst

De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd kan worden ingetrokken op de gronden bedoeld in artikel 18, eerste lid, met uitzondering van onderdeel b, en wordt ingetrokken indien aan de houder daarvan ambtshalve een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28, eerste lid, onderdeel c, subonderdeel 3°, wordt verleend.

Artikel 22

Gewijzigd

De verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, bedoeld in artikel 20, wordt ingetrokken indien aan de houder daarvan ambtshalve een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 33 wordt verleend.

De verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, bedoeld in artikel 20, kan worden ingetrokken indien:

de vreemdeling een gevaar vormt voor de nationale veiligheid.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de gronden, bedoeld in het tweedeeerste lid.

Nieuwe tekst
  1. De verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, bedoeld in artikel 20, kan worden ingetrokken indien:

    1. de houder daarvan zijn hoofdverblijf buiten Nederland heeft gevestigd;

    2. de vreemdeling onjuiste gegevens heeft verstrekt dan wel gegevens heeft achtergehouden terwijl die gegevens tot afwijzing van de aanvraag tot het verlenen, wijzigen of verlengen zouden hebben geleid;

    3. de houder daarvan bij onherroepelijk geworden rechterlijk vonnis is veroordeeld wegens een misdrijf waartegen een gevangenisstraf van drie jaren of meer is bedreigd, dan wel hem terzake de maatregel, bedoeld in artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht, is opgelegd; of

    4. de vreemdeling een gevaar vormt voor de nationale veiligheid.

  2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de gronden, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 27

Gewijzigd

De beschikking, bedoeld in het eerste lid, kan tevens een inreisverbod inhouden.

In afwijking van het eerste lid, aanhef, geldt de beschikking waarbij een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 of een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 20 wordt afgewezen, niet als terugkeerbesluit, indien dat niet in overeenstemming is met de Terugkeerrichtlijn en het beginsel van non-refoulement.

Nieuwe tekst
  1. De beschikking waarbij een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 of een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 20 wordt afgewezen, geldt als terugkeerbesluit, tenzij reeds eerder een terugkeerbesluit tegen de vreemdeling is uitgevaardigd en aan de daaruit voortvloeiende terugkeerverplichting niet is voldaan, en heeft van rechtswege tot gevolg dat:

    1. de vreemdeling niet langer rechtmatig verblijf heeft tenzij er een andere rechtsgrond voor rechtmatig verblijf van toepassing is;

    2. de vreemdeling Nederland uit eigen beweging dient te verlaten binnen de in artikel 62 gestelde termijn, bij gebreke waarvan de vreemdeling kan worden uitgezet, en

    3. de ambtenaren belast met het toezicht op vreemdelingen, na ommekomst van de termijn waarbinnen de vreemdeling Nederland uit eigen beweging dient te verlaten, bevoegd zijn elke plaats te betreden, daaronder begrepen een woning, zonder de toestemming van de bewoner, teneinde de vreemdeling uit te zetten.

  2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing indien:

    1. ingevolge artikel 24 of ingevolge artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht is besloten dat de aanvraag niet in behandeling wordt genomen;

    2. het rechtmatig verblijf van rechtswege is geëindigd;

    3. een verblijfsvergunning is ingetrokken of de geldigheidsduur ervan niet is verlengd.

  3. De gevolgen, bedoeld in het eerste lid, treden niet in indien de vreemdeling bezwaar of beroep heeft ingesteld en de werking van de beschikking is opgeschort.

  4. De beschikking, bedoeld in het eerste lid, kan tevens een inreisverbod inhouden.

  5. In afwijking van het eerste lid, aanhef, geldt de beschikking waarbij een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 of een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 20 wordt afgewezen, niet als terugkeerbesluit, indien dat niet in overeenstemming is met de Terugkeerrichtlijn en het beginsel van non-refoulement.

Artikel 27a

Nieuw

Overeenkomstig artikel 4, eerste en derde lid, van de Procedureverordening is Onze Minister als beslissingsautoriteit en bevoegde autoriteit belast met de uitoefening van de taken en bevoegdheden die aan die autoriteiten worden toegekend door de Procedureverordening, de Asiel- en migratiebeheerverordening en de Kwalificatieverordening.

Overeenkomstig artikel 4, tweede lid, van de Procedureverordening zijn belast met de uitoefening van de daarin opgenomen taken en bevoegdheden:

Onze Minister;

Onze Minister van Justitie en Veiligheid;

de korpschef;

het Centraal Orgaan opvang asielzoekers;

de ambtenaren bedoeld in de artikelen 46, eerste lid, en 47, eerste lid.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de toekenning van taken en bevoegdheden uit de Procedureverordening, de Asiel- en migratiebeheerverordening en de Kwalificatieverordening.

Nieuwe tekst
  1. Overeenkomstig artikel 4, eerste en derde lid, van de Procedureverordening is Onze Minister als beslissingsautoriteit en bevoegde autoriteit belast met de uitoefening van de taken en bevoegdheden die aan die autoriteiten worden toegekend door de Procedureverordening, de Asiel- en migratiebeheerverordening en de Kwalificatieverordening.

  2. Overeenkomstig artikel 4, tweede lid, van de Procedureverordening zijn belast met de uitoefening van de daarin opgenomen taken en bevoegdheden:

    1. Onze Minister;

    2. Onze Minister van Justitie en Veiligheid;

    3. de korpschef;

    4. het Centraal Orgaan opvang asielzoekers;

    5. de ambtenaren bedoeld in de artikelen 46, eerste lid, en 47, eerste lid.

  3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de toekenning van taken en bevoegdheden uit de Procedureverordening, de Asiel- en migratiebeheerverordening en de Kwalificatieverordening.

Artikel 28

Gewijzigd

Onze Minister is bevoegd:

de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijdasiel in te willigen, af te wijzen, niet in behandeling te nemen, niet-ontvankelijk te verklaren dan wel buiten behandeling te stellen;

deeen aanvraagverblijfsvergunning tot het verlengen van de geldigheidsduur ervanasiel in te willigen, af te wijzen dan wel niet in behandeling te nemen;trekken;

ambtshalve een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd inasiel te trekken;verlenen aan:

ambtshalve1°het gezinslid van een verblijfsvergunningvreemdeling voordie bepaaldede tijdvluchtelingenstatus teheeft, verlenendie voldoet aan de in artikel 29c gestelde voorwaarden en die houder is van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf die voldoet aan de in artikel 29, tweede lid, gestelde voorwaarden;verblijf;

ambtshalve2°het gezinslid van een verblijfsvergunningvreemdeling voordie bepaaldede tijdsubsidiairebeschermingsstatus teheeft, verlenendie voldoet aan de langdurigin ingezetene,artikel afkomstig29d uitgestelde een andere EU-lidstaatvoorwaarden en indie hethouder bezitis van een verblijfsvergunninggeldige als bedoeld in artikel 14, indien de verantwoordelijkheid voor de afgifte van het reisdocument bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder d, van de Paspoortwet, aan de vreemdeling, is overgedragen aan Nederland op grond van de Europese Overeenkomst inzake de overdracht van verantwoordelijkheid met betrekkingmachtiging tot vluchtelingenvoorlopig vanverblijf; 16 oktober 1980 (Trb. 1981, 239).of

De3°de langdurig ingezetene, afkomstig uit een andere EU-lidstaat en in het bezit van een verblijfsvergunning voorals bepaaldebedoeld tijdin wordtartikel verleend14, indien de verantwoordelijkheid voor tende hoogste vijf achtereenvolgende jaren. Bij algemene maatregelafgifte van bestuurhet kunnenreisdocument debedoeld gevallenin wordenartikel aangewezen2, waarineerste delid, verblijfsvergunningonder voor minder dan vijf achtereenvolgende jaren wordt verleend. Daarbij kunnen regels worden gesteld over de geldigheidsduurd, van de verblijfsvergunningPaspoortwet, en overaan de verlengingvreemdeling, ervan.is overgedragen aan Nederland op grond van de Europese Overeenkomst inzake de overdracht van verantwoordelijkheid met betrekking tot vluchtelingen van 16 oktober 1980 (Trb. 1981, 239).

De verblijfsvergunning die ambtshalve wordt verleend in de situatiesituatie, bedoeld in het eerste lid, onderonderdeel d,c, subonderdelen 1° en 2°, wordt verleend binnen twee weken nadat de houder van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf zich overeenkomstig artikel 54, eerste lid, onderonderdeel e, heeft aangemeld.

Nieuwe tekst
  1. Onze Minister is bevoegd:

    1. de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel in te willigen, af te wijzen, niet in behandeling te nemen, niet-ontvankelijk te verklaren dan wel buiten behandeling te stellen;

    2. een verblijfsvergunning asiel in te trekken;

    3. ambtshalve een verblijfsvergunning asiel te verlenen aan:

      1. 1°

        het gezinslid van een vreemdeling die de vluchtelingenstatus heeft, die voldoet aan de in artikel 29c gestelde voorwaarden en die houder is van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf;

      2. 2°

        het gezinslid van een vreemdeling die de subsidiairebeschermingsstatus heeft, die voldoet aan de in artikel 29d gestelde voorwaarden en die houder is van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf; of

      3. 3°

        de langdurig ingezetene, afkomstig uit een andere EU-lidstaat en in het bezit van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 14, indien de verantwoordelijkheid voor de afgifte van het reisdocument bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder d, van de Paspoortwet, aan de vreemdeling, is overgedragen aan Nederland op grond van de Europese Overeenkomst inzake de overdracht van verantwoordelijkheid met betrekking tot vluchtelingen van 16 oktober 1980 (Trb. 1981, 239).

  2. De verblijfsvergunning die ambtshalve wordt verleend in de situatie, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, subonderdelen 1° en 2°, wordt verleend binnen twee weken nadat de houder van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf zich overeenkomstig artikel 54, eerste lid, onderdeel e, heeft aangemeld.

Artikel 29

Gewijzigd

EenOvereenkomstig artikel 39, tweede lid, van de Procedureverordening kan Onze Minister een verblijfsvergunning voor bepaalde tijdasiel als bedoeld in artikel 28 kan worden verleendverlenen aan de vreemdeling:vreemdeling die op grond van de hoofdstukken II en III, van de Kwalificatieverordening in aanmerking komt voor de vluchtelingenstatus, bedoeld in artikel 13 van de Kwalificatieverordening.

die verdragsvluchteling is;Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot dit artikel.

die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt op ernstige schade, bestaande uit:

1°doodstraf of executie;

2°folteringen, onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen; of

3°ernstige en individuele bedreiging van het leven of de persoon van een burger als gevolg van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict.

Een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 kan voorts worden verleend aan de hierna te noemen gezinsleden, indien deze op het tijdstip van binnenkomst van de in het eerste lid bedoelde vreemdeling behoorden tot diens gezin en gelijktijdig met die vreemdeling Nederland zijn ingereisd dan wel zijn nagereisd binnen drie maanden nadat aan die vreemdeling de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 28, is verleend:

de echtgenoot of het minderjarige kind van de in het eerste lid bedoelde vreemdeling;

de vreemdeling die als partner of meerderjarig kind van de in het eerste lid bedoelde vreemdeling zodanig afhankelijk is van die vreemdeling, dat hij om die reden behoort tot diens gezin;

de ouders van de in het eerste lid bedoelde vreemdeling, indien die vreemdeling een alleenstaande minderjarige is in de zin van artikel 2, onder f, van Richtlijn 2003/86/EG van de Raad van 22 september 2003 inzake het recht op gezinshereniging (PbEU 2003, L 251).

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot het eerste lid. Daarbij wordt bepaald in welke gevallen een verblijfsvergunning wordt verleend.

De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 28, kan eveneens worden verleend aan een gezinslid als bedoeld in het tweede lid, dat slechts niet uiterlijk binnen drie maanden is nagereisd nadat aan de vreemdeling, bedoeld in het eerste lid, een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 is verleend, indien binnen die drie maanden door of ten behoeve van dat gezinslid een machtiging tot voorlopig verblijf is aangevraagd.

De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 28, wordt niet geweigerd indien de overschrijding van de in het tweede of vierde lid bedoelde termijn op grond van bijzondere omstandigheden objectief verschoonbaar is.

Nieuwe tekst
  1. Overeenkomstig artikel 39, tweede lid, van de Procedureverordening kan Onze Minister een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28 verlenen aan de vreemdeling die op grond van de hoofdstukken II en III, van de Kwalificatieverordening in aanmerking komt voor de vluchtelingenstatus, bedoeld in artikel 13 van de Kwalificatieverordening.

  2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot dit artikel.

Artikel 29a

Nieuw

Overeenkomstig artikel 39, tweede lid, van de Procedureverordening kan Onze Minister een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28 aan de vreemdeling verlenen die op grond van de hoofdstukken II en V, van de Kwalificatieverordening in aanmerking komt voor de subsidiairebeschermingsstatus, bedoeld in artikel 18 van de Kwalificatieverordening.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot dit artikel.

Nieuwe tekst
  1. Overeenkomstig artikel 39, tweede lid, van de Procedureverordening kan Onze Minister een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28 aan de vreemdeling verlenen die op grond van de hoofdstukken II en V, van de Kwalificatieverordening in aanmerking komt voor de subsidiairebeschermingsstatus, bedoeld in artikel 18 van de Kwalificatieverordening.

  2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot dit artikel.

Artikel 29b

Nieuw

Onze Minister kan een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28 aan de vreemdeling verlenen die overeenkomstig artikel 23, eerste lid, van de Kwalificatieverordening in aanmerking komt voor verblijf als gezinslid van een vreemdeling die de vluchtelingenstatus of de subsidiairebeschermingsstatus heeft.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot dit artikel.

Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op het verblijf van gezinsleden als bedoeld in artikel 9, zestiende lid, van de Hervestigingsverordening.

Nieuwe tekst
  1. Onze Minister kan een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28 aan de vreemdeling verlenen die overeenkomstig artikel 23, eerste lid, van de Kwalificatieverordening in aanmerking komt voor verblijf als gezinslid van een vreemdeling die de vluchtelingenstatus of de subsidiairebeschermingsstatus heeft.

  2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot dit artikel.

  3. Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op het verblijf van gezinsleden als bedoeld in artikel 9, zestiende lid, van de Hervestigingsverordening.

Artikel 29c

Nieuw

Onze Minister kan krachtens artikel 13 van de Gezinsherenigingsrichtlijn een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28 verlenen aan de hierna te noemen gezinsleden van de vreemdeling die de vluchtelingenstatus heeft, indien deze op het tijdstip van binnenkomst van die vreemdeling behoorden tot diens gezin en zijn nagereisd binnen drie maanden nadat aan die vreemdeling de verblijfsvergunning asiel, bedoeld in artikel 28, is verleend, dan wel binnen die drie maanden door of ten behoeve van dat gezinslid een machtiging tot voorlopig verblijf is aangevraagd:

de meerderjarige echtgenoot;

het biologische of geadopteerde minderjarige kind;

de ouders, indien die vreemdeling een alleenstaande minderjarige is;

de minderjarige broer of zus, indien die vreemdeling een alleenstaande minderjarige is, die broer of zus gelijktijdig met een ouder, bedoeld in onderdeel c, de aanvraag heeft ingediend en ten laste komt van die ouder.

De verblijfsvergunning asiel wordt niet geweigerd indien de overschrijding van de in het eerste lid bedoelde termijn op grond van bijzondere omstandigheden objectief verschoonbaar is.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot dit artikel.

Nieuwe tekst
  1. Onze Minister kan krachtens artikel 13 van de Gezinsherenigingsrichtlijn een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28 verlenen aan de hierna te noemen gezinsleden van de vreemdeling die de vluchtelingenstatus heeft, indien deze op het tijdstip van binnenkomst van die vreemdeling behoorden tot diens gezin en zijn nagereisd binnen drie maanden nadat aan die vreemdeling de verblijfsvergunning asiel, bedoeld in artikel 28, is verleend, dan wel binnen die drie maanden door of ten behoeve van dat gezinslid een machtiging tot voorlopig verblijf is aangevraagd:

    1. de meerderjarige echtgenoot;

    2. het biologische of geadopteerde minderjarige kind;

    3. de ouders, indien die vreemdeling een alleenstaande minderjarige is;

    4. de minderjarige broer of zus, indien die vreemdeling een alleenstaande minderjarige is, die broer of zus gelijktijdig met een ouder, bedoeld in onderdeel c, de aanvraag heeft ingediend en ten laste komt van die ouder.

  2. De verblijfsvergunning asiel wordt niet geweigerd indien de overschrijding van de in het eerste lid bedoelde termijn op grond van bijzondere omstandigheden objectief verschoonbaar is.

  3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot dit artikel.

Artikel 29d

Nieuw

Onze Minister kan een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28 verlenen aan de gezinsleden, genoemd in artikel 29c, eerste lid, van de vreemdeling die de subsidiairebeschermingsstatus heeft, indien dat gezinslid op het tijdstip van binnenkomst van die vreemdeling tot diens gezin behoorde.

De verblijfsvergunning asiel, bedoeld in het eerste lid, kan worden geweigerd, indien:

nog geen twee jaar zijn verstreken sinds de verlening van de verblijfsvergunning asiel, bedoeld in artikel 29a, aan de vreemdeling, bedoeld in het eerste lid;

de vreemdeling niet zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan;

de vreemdeling niet over huisvesting beschikt, waaronder mede wordt verstaan het verblijf op een doorstroomlocatie.

Het tweede lid, onderdelen b en c, is niet van toepassing indien de vreemdeling een alleenstaande minderjarige is.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot dit artikel. Daarbij wordt bepaald in welke gevallen een verblijfsvergunning asiel wordt verleend.

Nieuwe tekst
  1. Onze Minister kan een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28 verlenen aan de gezinsleden, genoemd in artikel 29c, eerste lid, van de vreemdeling die de subsidiairebeschermingsstatus heeft, indien dat gezinslid op het tijdstip van binnenkomst van die vreemdeling tot diens gezin behoorde.

  2. De verblijfsvergunning asiel, bedoeld in het eerste lid, kan worden geweigerd, indien:

    1. nog geen twee jaar zijn verstreken sinds de verlening van de verblijfsvergunning asiel, bedoeld in artikel 29a, aan de vreemdeling, bedoeld in het eerste lid;

    2. de vreemdeling niet zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan;

    3. de vreemdeling niet over huisvesting beschikt, waaronder mede wordt verstaan het verblijf op een doorstroomlocatie.

  3. Het tweede lid, onderdelen b en c, is niet van toepassing indien de vreemdeling een alleenstaande minderjarige is.

  4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot dit artikel. Daarbij wordt bepaald in welke gevallen een verblijfsvergunning asiel wordt verleend.

Artikel 30

Gewijzigd

EenOnze Minister neemt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijdasiel als bedoeld in artikel 2828, wordtovereenkomstig artikel 39, eerste lid, onderdeel a, van de Procedureverordening, niet in behandeling genomen, indienwanneer op grond van de DublinverordeningAsiel- en migratiebeheerverordening is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

DeBij vreemdelingof wordtkrachtens gehoordalgemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over zijn eventuele bezwaren tegen overdracht naar de verantwoordelijketoepassing lidstaat.van het eerste lid.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de toepassing van het eerste en tweede lid.

Nieuwe tekst
  1. Onze Minister neemt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28, overeenkomstig artikel 39, eerste lid, onderdeel a, van de Procedureverordening, niet in behandeling wanneer op grond van de Asiel- en migratiebeheerverordening is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

  2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de toepassing van het eerste lid.

Artikel 30a

Gewijzigd

EenOnze Minister kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijdasiel als bedoeld in artikel 28 kan niet-ontvankelijk worden verklaardverklaren in de zingevallen, vanbedoeld in artikel 3338, eerste lid, van de Procedurerichtlijn,Procedureverordening indien:en verklaart de aanvraag niet-ontvankelijk in de gevallen, bedoeld in artikel 38, tweede lid, van de Procedureverordening.

de vreemdeling in een andere lidstaat van de Europese Unie internationale bescherming geniet;

de vreemdeling erkend is als vluchteling in een derde land en hij die bescherming nog kan genieten of anderszins voldoende bescherming geniet in dat land, met inbegrip van het beginsel van non-refoulement, en opnieuw tot het grondgebied van dat land wordt toegelaten;

een derde land voor de vreemdeling als veilig derde land wordt beschouwd;

de vreemdeling een opvolgende aanvraag heeft ingediend waaraan door de vreemdeling geen nieuwe elementen of bevindingen ten grondslag zijn gelegd of waarin geen nieuwe elementen of bevindingen aan de orde zijn gekomen die relevant kunnen zijn voor de beoordeling van de aanvraag; of

aan de vreemdeling reeds een verblijfsvergunning is verleend op grond van artikel 29, eerste lid.

Het besluit een aanvraag niet-ontvankelijk te verklaren, wordt voor de toepassing van het bepaalde bij of krachtens deze wet gelijkgesteld met een afwijzing.

Nieuwe tekst
  1. Onze Minister kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28 niet-ontvankelijk verklaren in de gevallen, bedoeld in artikel 38, eerste lid, van de Procedureverordening en verklaart de aanvraag niet-ontvankelijk in de gevallen, bedoeld in artikel 38, tweede lid, van de Procedureverordening.

  2. Het besluit een aanvraag niet-ontvankelijk te verklaren, wordt voor de toepassing van het bepaalde bij of krachtens deze wet gelijkgesteld met een afwijzing.

  3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de toepassing van het eerste lid.

Artikel 30b

Gewijzigd

EenOnze Minister kan een ongegronde aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijdasiel als bedoeld in artikel 28 kan worden afgewezen als kennelijk ongegrond in de zin vanovereenkomstig artikel 32,39, tweedevierde lid, van de Procedurerichtlijn,Procedureverordening indien:afwijzen als kennelijk ongegrond, indien op het tijdstip van afronding van de behandeling een van de gevallen bedoeld in artikel 42, eerste en derde lid, van de Procedureverordening van toepassing is.

Onze Minister kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28 afwijzen als kennelijk ongegrond, indien reeds is vastgesteld dat de vreemdeling bij de indiening van zijn aanvraag en de toelichting van de feiten alleen aangelegenheden aan de orde heeft gesteld die niet ter zake doen met betrekking tot de vraag of hij in aanmerking komt voor verleninginternationale bescherming op grond van eende verblijfsvergunningKwalificatieverordening, voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28;overeenkomstig:

deartikel vreemdeling40, afkomstigvierde is uit een veilig landlid, van herkomstde Procedureverordening in de zinfase vanwaarin de artikelenaanvraag 36expliciet enwordt 37ingetrokken; van de Procedurerichtlijn;of

artikel 41, eerste en vijfde lid, van de vreemdeling Onze Minister heeft misleid door omtrent zijn identiteit of nationaliteit valse informatie of documenten te verstrekken of door relevante informatie of documenten die een negatieve invloedProcedureverordening op het ogenblik waarop de beslissingaanvraag haddenimpliciet kunnenwordt hebben, achter te houden;ingetrokken.

de vreemdeling waarschijnlijk, te kwader trouw, een identiteits-Bij of reisdocumentkrachtens datalgemene ertoemaatregel konvan bijdragenbestuur datkunnen zijnnadere identiteitregels ofworden nationaliteitgesteld werdover vastgesteld,de heefttoepassing vernietigdvan ofdit zich daarvan heeft ontdaan;artikel.

de vreemdeling kennelijk inconsequente en tegenstrijdige, kennelijk valse of duidelijk onwaarschijnlijke verklaringen heeft afgelegd die strijdig zijn met voldoende geverifieerde informatie over het land van herkomst, waardoor zijn verklaringen alle overtuigingskracht wordt ontnomen met betrekking tot de vraag of hij in aanmerking komt voor verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28;

de vreemdeling zijn aanvraag enkel heeft ingediend teneinde zijn uitzetting of overdracht uit te stellen of te verijdelen;

de vreemdeling een opvolgende aanvraag heeft ingediend en deze niet overeenkomstig artikel 30a, eerste lid, onderdeel d of e, niet-ontvankelijk is verklaard;

de vreemdeling Nederland onrechtmatig is binnengekomen of zijn verblijf op onrechtmatige wijze heeft verlengd en zich, gezien de omstandigheden van zijn binnenkomst, zonder gegronde reden niet zo snel mogelijk bij een ambtenaar belast met de grensbewaking of het toezicht op vreemdelingen heeft aangemeld, en daar kenbaar heeft gemaakt dat hij internationale bescherming wenst;

de vreemdeling weigert te voldoen aan de verplichting zijn vingerafdrukken te laten nemen;

de vreemdeling op ernstige gronden een gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid; of

de vreemdeling onder dwang is uitgezet om ernstige redenen van openbare veiligheid of openbare orde.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de toepassing van het eerste lid.

Nieuwe tekst
  1. Onze Minister kan een ongegronde aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28 overeenkomstig artikel 39, vierde lid, van de Procedureverordening afwijzen als kennelijk ongegrond, indien op het tijdstip van afronding van de behandeling een van de gevallen bedoeld in artikel 42, eerste en derde lid, van de Procedureverordening van toepassing is.

  2. Onze Minister kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28 afwijzen als kennelijk ongegrond, indien reeds is vastgesteld dat de vreemdeling niet in aanmerking komt voor internationale bescherming op grond van de Kwalificatieverordening, overeenkomstig:

    1. artikel 40, vierde lid, van de Procedureverordening in de fase waarin de aanvraag expliciet wordt ingetrokken; of

    2. artikel 41, eerste en vijfde lid, van de Procedureverordening op het ogenblik waarop de aanvraag impliciet wordt ingetrokken.

  3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de toepassing van dit artikel.

Artikel 30c

Gewijzigd

EenOnze Minister kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijdasiel als bedoeld in artikel 28 kan buiten behandeling wordenstellen gesteld in de zin van artikel 28 van de Procedurerichtlijn, indien:als:

deexpliciet vreemdelingingetrokken heeftovereenkomstig nagelatenartikel te antwoorden op verzoeken om informatie te verstrekken die40 van wezenlijkde belangProcedureverordening; is voor zijn aanvraag;of

deimpliciet vreemdelingingetrokken nietovereenkomstig isartikel verschenen bij een gehoor en hij niet binnen een termijn41 van tweede weken heeft aangetoond dat dit niet aan hem is toe te rekenen; ofProcedureverordening.

de vreemdeling is verdwenen of zonder toestemming van Onze Minister is vertrokken en hierover toerekenbaar niet binnen een termijn van twee weken contact heeft opgenomen met de bevoegde autoriteiten.

Indien de vreemdeling een nieuwe aanvraag indient nadat zijn aanvraag buiten behandeling is gesteld, wordt deze behandeld als een eerste aanvraag, tenzij de vreemdeling eerder een aanvraag heeft gedaan die is afgewezen.

Het besluit een aanvraag buiten behandeling te stellen, wordt voor de toepassing van het bepaalde bij of krachtens deze wet gelijkgesteld met een afwijzing.

Nieuwe tekst
  1. Onze Minister kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28 buiten behandeling stellen als:

    1. expliciet ingetrokken overeenkomstig artikel 40 van de Procedureverordening; of

    2. impliciet ingetrokken overeenkomstig artikel 41 van de Procedureverordening.

  2. Het besluit een aanvraag buiten behandeling te stellen, wordt voor de toepassing van het bepaalde bij of krachtens deze wet gelijkgesteld met een afwijzing.

  3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de toepassing van het eerste en tweede lid.

Artikel 31

Gewijzigd

EenOnze Minister kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijdasiel als bedoeld in artikel 2829, wordt29a afgewezenof als29b, ongegrond in de zin vanovereenkomstig artikel 32,39, eerstederde lid, van de Procedurerichtlijn,Procedureverordening afwijzen als ongegrond, indien de vreemdelingaanvrager op grond van de Kwalificatieverordening niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in verbandaanmerking metkomt andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.voor:

Dede vreemdelingvluchtelingenstatus, brengtbedoeld allein elementenartikel ter staving13 van zijn aanvraag zo spoedig mogelijk naar voren. Onze Minister beoordeelt in samenwerking met de vreemdeling de relevante elementen.Kwalificatieverordening;

Dede elementen,subsidiairebeschermingsstatus, bedoeld in hetartikel tweede lid, omvatten de verklaringen18 van de vreemdelingKwalificatieverordening; en alle relevante documentatie in het bezit van de vreemdeling.of

Bijverblijf deals beoordelinggezinslid, als bedoeld in artikel 23, eerste lid, van de aanvraag wordt onder meer rekening gehouden met:Kwalificatieverordening.

alleOnze relevanteMinister feitenkan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in verbandartikel met29c hetof land29d vanafwijzen, herkomstindien opniet hetwordt tijdstipvoldaan waarop een beslissing inzakeaan de aanvraagdaarin wordtgestelde genomen, met inbegrip van wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van het land van herkomst en de wijze waarop deze worden toegepast;voorwaarden.

deOnze doorMinister dekan vreemdelingeen afgelegdeaanvraag verklaringtot enhet overgelegde documenten, samen met informatie over de vraag of de vreemdeling aan vervolging in de zinverlenen van heteen Vluchtelingenverdragverblijfsvergunning of ernstige schadeasiel als bedoeld in artikel 29,28 eersteafwijzen lid,als onderongegrond, b,indien blootgesteldreeds is danvastgesteld weldat blootgesteldde zouvreemdeling kunnenniet worden;in aanmerking komt voor internationale bescherming op grond van de Kwalificatieverordening, overeenkomstig:

deartikel individuele40, situatievierde en persoonlijke omstandighedenlid, van de vreemdeling, waartoe factoren behoren als achtergrond, geslacht en leeftijd, teneinde te beoordelen of op basis van de persoonlijke omstandigheden van de vreemdeling, de daden waaraan hij blootgesteld is of blootgesteld zou kunnen worden, met vervolgingProcedureverordening in de zinfase vanwaarin hetde Vluchtelingenverdragaanvraag expliciet wordt ingetrokken; of ernstige schade als bedoeld in artikel 29, eerste lid, onder b, overeenkomen;

deartikel vraag41, ofeerste zijnen activiteiten,vijfde sinds hij zijn landlid, van herkomstde ofProcedureverordening eenop landhet vanogenblik eerder verblijf heeft verlaten, uitsluitend ten doel haddenwaarop de nodigeaanvraag voorwaardenimpliciet tewordt scheppen om een verzoek om internationale bescherming te kunnen indienen, teneinde na te gaan of de vreemdeling, in geval van terugkeer naar dat land, door die activiteiten aan vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag of ernstige schade als bedoeld in artikel 29, eerste lid, onder b, zou worden blootgesteld;ingetrokken.

Een aanvraag van een gezinslid als bedoeld in artikel 29c, eerste lid, tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in de vraagartikelen 29c of in redelijkheid29d, kan worden verwachtafgewezen, datindien gezinshereniging mogelijk is in een derde land waarmee de vreemdeling zich onderdie de beschermingvluchtelingenstatus kanof stellende vansubsidiairebeschermingsstatus eenheeft anderof landhet waardesbetreffende hijgezinslid zichbijzondere opbanden zijn nationaliteit kan beroepen.heeft.

HetBij feitof datkrachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de vreemdeling in het verleden reeds is blootgesteld aan vervolging in de zintoepassing van hetdit Vluchtelingenverdrag of ernstige schade als bedoeld in artikel 29, eerste lid, onder b, of dat hij hiermee rechtstreeks is bedreigd, is een duidelijke aanwijzing dat de vrees van de vreemdeling voor die vervolging gegrond is en het risico op die ernstige schade reëel is, tenzij er goede redenen zijn om aan te nemen dat die vervolging of die ernstige schade zich niet opnieuw zal voordoen.artikel.

Indien de vreemdeling zijn verklaringen of een deel van zijn verklaringen niet met documenten kan onderbouwen, worden deze verklaringen geloofwaardig geacht en wordt de vreemdeling het voordeel van de twijfel gegund, wanneer aan de volgende voorwaarden is voldaan:

de vreemdeling heeft een oprechte inspanning geleverd om zijn aanvraag te staven;

alle relevante elementen waarover de vreemdeling beschikt, zijn overgelegd, en er is een bevredigende verklaring gegeven omtrent het ontbreken van andere relevante elementen;

de verklaringen van de vreemdeling zijn samenhangend en aannemelijk bevonden en zijn niet in strijd met beschikbare algemene en specifieke informatie die relevant is voor zijn aanvraag;

de vreemdeling heeft zijn aanvraag zo spoedig mogelijk ingediend, tenzij hij goede redenen kan aanvoeren waarom hij dit heeft nagelaten; en

vast is komen te staan dat de vreemdeling in grote lijnen als geloofwaardig kan worden beschouwd.

Een aanvraag wordt niet onder verwijzing naar een eerdere afwijzende beslissing afgewezen indien de door de vreemdeling bij de aanvraag aangevoerde elementen en bevindingen grond bieden voor het vermoeden dat sprake is van bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende, feiten en omstandigheden die hieraan in de weg staan.

Een aanvraag van een gezinslid als bedoeld in artikel 29, tweede lid, tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 kan worden afgewezen, indien gezinshereniging mogelijk is in een derde land waarmee de vreemdeling, bedoeld in artikel 29, eerste lid, of het desbetreffende gezinslid bijzondere banden heeft.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de toepassing van het eerste tot en met achtste lid.

Nieuwe tekst
  1. Onze Minister kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 29, 29a of 29b, overeenkomstig artikel 39, derde lid, van de Procedureverordening afwijzen als ongegrond, indien de aanvrager op grond van de Kwalificatieverordening niet in aanmerking komt voor:

    1. de vluchtelingenstatus, bedoeld in artikel 13 van de Kwalificatieverordening;

    2. de subsidiairebeschermingsstatus, bedoeld in artikel 18 van de Kwalificatieverordening; of

    3. verblijf als gezinslid, als bedoeld in artikel 23, eerste lid, van de Kwalificatieverordening.

  2. Onze Minister kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 29c of 29d afwijzen, indien niet wordt voldaan aan de daarin gestelde voorwaarden.

  3. Onze Minister kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28 afwijzen als ongegrond, indien reeds is vastgesteld dat de vreemdeling niet in aanmerking komt voor internationale bescherming op grond van de Kwalificatieverordening, overeenkomstig:

    1. artikel 40, vierde lid, van de Procedureverordening in de fase waarin de aanvraag expliciet wordt ingetrokken; of

    2. artikel 41, eerste en vijfde lid, van de Procedureverordening op het ogenblik waarop de aanvraag impliciet wordt ingetrokken.

  4. Een aanvraag van een gezinslid als bedoeld in artikel 29c, eerste lid, tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in de artikelen 29c of 29d, kan worden afgewezen, indien gezinshereniging mogelijk is in een derde land waarmee de vreemdeling die de vluchtelingenstatus of de subsidiairebeschermingsstatus heeft of het desbetreffende gezinslid bijzondere banden heeft.

  5. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de toepassing van dit artikel.

Artikel 32

Gewijzigd

DeOnze Minister trekt de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd alsasiel, bedoeld in artikel 2829, kanin worden ingetrokken dan welovereenkomstig de aanvraagartikelen voor65 verlengingen 66 van de geldigheidsduurProcedureverordening ervanop kangrond wordenvan afgewezenartikel indien:14 van de Kwalificatieverordening.

Onze Minister trekt de vreemdelingverblijfsvergunning onjuisteasiel, gegevensbedoeld heeftin verstrektartikel dan29a, welin gegevensovereenkomstig heeftde achtergehoudenartikelen terwijl65 dieen gegevens tot afwijzing66 van de oorspronkelijkeProcedureverordening aanvraagop totgrond hetvan verlenenartikel of19 verlengenvan zoudende hebben geleid;Kwalificatieverordening.

Bij toepassing van het eerste, tweede of zesde lid, trekt Onze Minister gelijktijdig de verblijfsvergunning asiel, bedoeld in de artikelen 29b, 29c of 29d, in die is verleend aan het gezinslid van de vreemdeling wiens verblijfsvergunning asiel met toepassing van het eerste of tweede lid is ingetrokken of ten aanzien van wie toepassing is gegeven aan het zesde lid.

Onze Minister kan de verblijfsvergunning asiel, bedoeld in artikel 29b, voorts intrekken in de gevallen bedoeld in artikel 23, derde tot en met vijfde lid, van de Kwalificatieverordening.

Onze Minister kan de verblijfsvergunning asiel, bedoeld in de artikelen 29c en 29d voorts intrekken, indien:

de vreemdeling onjuiste gegevens heeft verstrekt dan wel gegevens heeft achtergehouden terwijl die gegevens tot afwijzing van de oorspronkelijke aanvraag tot het verlenen zouden hebben geleid;

de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid;

de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid;

de grondgronden voor verlening, bedoeld in artikelde 29,artikelen is29c of 29d, zijn komen te vervallen;

het gezinslid niet of niet langer een werkelijk huwelijks- of gezinsleven onderhoudt met de vreemdeling zijndie hoofdverblijfinternationale buitenbescherming Nederlandgeniet heeften gevestigd;die houder is van de verblijfsvergunning asiel, bedoeld in de artikelen 29 of 29a.

hetBij eende vergunning betreft die is verleend aan een gezinslid alsafsluiting, bedoeld in artikel 29,66, tweedezesde lid, en dat gezinslid niet of niet langer een werkelijk huwelijks- of gezinsleven onderhoudt metvan de vreemdeling,Procedureverordening, bedoeldvermeldt Onze Minister dat in het artikeldossier 29,van eerstede lid.vreemdeling en vermeldt hij daarbij de rechtsgrond voor die afsluiting.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld metover betrekkingdit tot het eerste lid. Daarbij wordt bepaald in welke gevallen een verblijfsvergunning als bedoeld in het eerste lid die is verleend op grond van artikel 29, eerste lid, wordt ingetrokken dan wel de aanvraag voor verlenging van de geldigheidsduur van zodanige verblijfsvergunning wordt afgewezen.artikel.

Nieuwe tekst
  1. Onze Minister trekt de verblijfsvergunning asiel, bedoeld in artikel 29, in overeenkomstig de artikelen 65 en 66 van de Procedureverordening op grond van artikel 14 van de Kwalificatieverordening.

  2. Onze Minister trekt de verblijfsvergunning asiel, bedoeld in artikel 29a, in overeenkomstig de artikelen 65 en 66 van de Procedureverordening op grond van artikel 19 van de Kwalificatieverordening.

  3. Bij toepassing van het eerste, tweede of zesde lid, trekt Onze Minister gelijktijdig de verblijfsvergunning asiel, bedoeld in de artikelen 29b, 29c of 29d, in die is verleend aan het gezinslid van de vreemdeling wiens verblijfsvergunning asiel met toepassing van het eerste of tweede lid is ingetrokken of ten aanzien van wie toepassing is gegeven aan het zesde lid.

  4. Onze Minister kan de verblijfsvergunning asiel, bedoeld in artikel 29b, voorts intrekken in de gevallen bedoeld in artikel 23, derde tot en met vijfde lid, van de Kwalificatieverordening.

  5. Onze Minister kan de verblijfsvergunning asiel, bedoeld in de artikelen 29c en 29d voorts intrekken, indien:

    1. de vreemdeling onjuiste gegevens heeft verstrekt dan wel gegevens heeft achtergehouden terwijl die gegevens tot afwijzing van de oorspronkelijke aanvraag tot het verlenen zouden hebben geleid;

    2. de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid;

    3. de gronden voor verlening, bedoeld in de artikelen 29c of 29d, zijn komen te vervallen;

    4. het gezinslid niet of niet langer een werkelijk huwelijks- of gezinsleven onderhoudt met de vreemdeling die internationale bescherming geniet en die houder is van de verblijfsvergunning asiel, bedoeld in de artikelen 29 of 29a.

  6. Bij de afsluiting, bedoeld in artikel 66, zesde lid, van de Procedureverordening, vermeldt Onze Minister dat in het dossier van de vreemdeling en vermeldt hij daarbij de rechtsgrond voor die afsluiting.

  7. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over dit artikel.

Artikel 32a

Nieuw

Bij regeling van Onze Minister kunnen overeenkomstig artikel 64, eerste lid, van de Procedureverordening met het oog op de behandeling van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28 landen als veilig derde land of als veilig land van herkomst worden aangewezen, voor zover dat andere landen zijn dan die welke op het niveau van de Unie als zodanig zijn aangewezen.

Nieuwe tekst

Bij regeling van Onze Minister kunnen overeenkomstig artikel 64, eerste lid, van de Procedureverordening met het oog op de behandeling van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28 landen als veilig derde land of als veilig land van herkomst worden aangewezen, voor zover dat andere landen zijn dan die welke op het niveau van de Unie als zodanig zijn aangewezen.

Artikel 33

Gewijzigd

Onze⚠ MinisterDit artikel is bevoegd:vervallen.Vervallen

de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd in te willigen, af te wijzen dan wel niet in behandeling te nemen;

een verleende verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd in te trekken;

ambtshalve een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd te verlenen aan de vreemdeling wiens EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen is ingetrokken, indien op het aan de vreemdeling verschafte document, bedoeld in artikel 9, de aantekening, bedoeld in artikel 45c, eerste lid, was geplaatst;

ambtshalve een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd te verlenen aan de langdurig ingezetene, afkomstig uit een andere EU-lidstaat en in het bezit van een vergunning als bedoeld in artikel 20, indien de verantwoordelijkheid voor de afgifte van het reisdocument bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder d, van de Paspoortwet voor betrokken vreemdeling aan Nederland is overgedragen op grond van de Europese Overeenkomst inzake de overdracht van verantwoordelijkheid met betrekking tot vluchtelingen van 16 oktober 1980 (Trb. 1981, 239).

Nieuwe tekst
⚠ Dit artikel is vervallen.

Vervallen

Artikel 34

Gewijzigd

De⚠ aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld inDit artikel 33,is van de vreemdeling die direct voorafgaande aan de aanvraag gedurende vijf achtereenvolgende jaren rechtmatig verblijf heeft genoten als bedoeld in artikel 8, onderdeel c, kan slechts worden afgewezen, indien:vervallen.Vervallen

zich op het moment waarop de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 28, afloopt, een grond als bedoeld in artikel 32 voordoet; of

de vreemdeling niet heeft voldaan aan het bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vast te stellen inburgeringsvereiste.

De periode van verblijf op grond van artikel 14, van de vreemdeling aan wie op grond van artikel 28, eerste lid, onderdeel e, ambtshalve een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd is verleend, wordt aangemerkt als rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, onderdeel c.

Bij of krachtens de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, worden in ieder geval regels gesteld omtrent de inhoud van het inburgeringstraject en het te behalen niveau, alsmede omtrent de vrijstellingen en ontheffingen.

Nieuwe tekst
⚠ Dit artikel is vervallen.

Vervallen

Artikel 35

Gewijzigd

De⚠ verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld inDit artikel 33is kan worden ingetrokken indien:vervallen.Vervallen

de vreemdeling onjuiste gegevens heeft verstrekt dan wel gegevens heeft achtergehouden terwijl die gegevens tot afwijzing van de aanvraag tot het verlenen of verlengen zouden hebben geleid;

de vreemdeling bij onherroepelijk geworden rechterlijk vonnis is veroordeeld wegens een misdrijf waartegen een gevangenisstraf van drie jaren of meer is bedreigd, dan wel hem terzake de maatregel, bedoeld in artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht, is opgelegd;

de vreemdeling zijn hoofdverblijf buiten Nederland heeft gevestigd;

de vreemdeling een gevaar vormt voor de nationale veiligheid.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot het eerste lid.

Nieuwe tekst
⚠ Dit artikel is vervallen.

Vervallen

Artikel 36

Gewijzigd

InDe aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28 wordt, in afwijking van artikel 2:1, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht worden de volgende aanvragenbestuursrecht, ingediend door de vreemdeling of zijn wettelijkewettelijk vertegenwoordiger:vertegenwoordiger.

een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld inOvereenkomstig artikel 28 of tot het verlengen19 van de geldigheidsduurProcedureverordening ervan;en artikel 21 van de Asiel- en migratiebeheerverordening worden bij regeling van Onze Minister regels gesteld over:

de erkenning of toelating van juridisch adviseurs of andere counselors die de vreemdeling tijdens de behandeling van de aanvraag om een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijdasiel als bedoeld in artikel 33.28 kosteloze juridische counseling verstrekken, bijstaan of vertegenwoordigen;

de accreditatie van niet-gouvernementele organisaties die deze vreemdeling juridische diensten of vertegenwoordiging bieden; en

de procedurele regels voor de indiening en behandeling van verzoeken om kosteloze juridische counseling en wettelijke vertegenwoordiging, waaronder regels over het uitsluiten of beperken daarvan.

Nieuwe tekst
  1. De aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28 wordt, in afwijking van artikel 2:1, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, ingediend door de vreemdeling of zijn wettelijk vertegenwoordiger.

  2. Overeenkomstig artikel 19 van de Procedureverordening en artikel 21 van de Asiel- en migratiebeheerverordening worden bij regeling van Onze Minister regels gesteld over:

    1. de erkenning of toelating van juridisch adviseurs of andere counselors die de vreemdeling tijdens de behandeling van de aanvraag om een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28 kosteloze juridische counseling verstrekken, bijstaan of vertegenwoordigen;

    2. de accreditatie van niet-gouvernementele organisaties die deze vreemdeling juridische diensten of vertegenwoordiging bieden; en

    3. de procedurele regels voor de indiening en behandeling van verzoeken om kosteloze juridische counseling en wettelijke vertegenwoordiging, waaronder regels over het uitsluiten of beperken daarvan.

Artikel 37

Gewijzigd

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden ter uitvoering van de Procedureverordening en de Asiel- en migratiebeheerverordening regels gesteld omtrent:

de wijze van indiening en behandeling van een aanvraag;

de wijze van indiening en behandeling van een aanvraag;

de wijzeprocedure waaropvoor de behandeling van een aanvraag tot het onderzoekverlenen naarvan deeen aanvraag,verblijfsvergunning daaronderasiel begrepenals hetbedoeld horenin artikel 28, indien dat noodzakelijk is ter uitvoering van de vreemdeling,Procedureverordening wordtof ingericht;de Asiel- en migratiebeheerverordening;

de gegevens die de vreemdeling in persoon moet verstrekken;

de wijze waarop beschikkingen bij of krachtens deze wet ten aanzien van de vreemdeling gegeven, alsmede de bij of krachtens deze wet voorgeschreven kennisgevingen, mededelingen of berichten aan de vreemdeling of aan andere belanghebbenden worden bekendgemaakt. Daarbij kan worden bepaald, dat de bekendmaking van beschikkingen ook kan geschieden door middel van het toezenden of uitreiken van een document en door het stellen van aantekeningen in een daarbij aan te wijzen document.

de wijze waarop beschikkingen bij of krachtens deze wet ten aanzien van de vreemdeling gegeven, alsmede de bij of krachtens deze wet voorgeschreven kennisgevingen, mededelingen of berichten aan de vreemdeling of aan andere belanghebbenden worden bekendgemaakt. Daarbij kan worden bepaald, dat de bekendmaking van beschikkingen ook kan geschieden door middel van het toezenden of uitreiken van een document en door het stellen van aantekeningen in een daarbij aan te wijzen document.

De vreemdeling is, volgens door Onze Minister te geven regels, leges verschuldigd terzake van de afdoening van een aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 33. Daarbij kan Onze Minister bepalen dat de vreemdeling voor de afgifte van het document waaruit het rechtmatig verblijf blijkt leges verschuldigd is. Als betaling achterwege blijft, wordt de aanvraag niet in behandeling genomen dan wel het document niet afgegeven. Artikel 4:5, vierde lid, Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing.

Onze Minister kan bepalen dat de vreemdeling leges verschuldigd is voor de afgifte van een vervangend document waaruit het rechtmatig verblijf blijkt als bedoeld in artikel 8, onder c, indien het oorspronkelijke document wordt vermist, verloren is gegaan of voor identificatie ondeugdelijk is geworden. Indien betaling achterwege blijft, wordt het document niet afgegeven.

Nieuwe tekst

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden ter uitvoering van de Procedureverordening en de Asiel- en migratiebeheerverordening regels gesteld omtrent:

  1. de wijze van indiening en behandeling van een aanvraag;

  2. de procedure voor de behandeling van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28, indien dat noodzakelijk is ter uitvoering van de Procedureverordening of de Asiel- en migratiebeheerverordening;

  3. de wijze waarop beschikkingen bij of krachtens deze wet ten aanzien van de vreemdeling gegeven, alsmede de bij of krachtens deze wet voorgeschreven kennisgevingen, mededelingen of berichten aan de vreemdeling of aan andere belanghebbenden worden bekendgemaakt. Daarbij kan worden bepaald, dat de bekendmaking van beschikkingen ook kan geschieden door middel van het toezenden of uitreiken van een document en door het stellen van aantekeningen in een daarbij aan te wijzen document.

Artikel 39

Gewijzigd

IndienDe Onzeartikelen Minister4:7 voornemensen is4:8 van de Algemene wet bestuursrecht zijn niet van toepassing op de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning of het verlengen van de geldigheidsduur ervan af te wijzen, dan wordt de vreemdeling hiervan, onder opgave van redenen, schriftelijk mededeling gedaan. De mededeling kan eveneens betrekking hebben op het voornemen om niet ambtshalve een verblijfsvergunning voor bepaalde tijdasiel als bedoeld in artikel 14 te verlenen dan wel op het voornemen om de uitzetting of overdracht niet op grond van artikel 64 achterwege te laten. Het schriftelijke voornemen wordt aan de vreemdeling meegedeeld door uitreiking of toezending ervan. De op de aanvraag betrekking hebbende stukken worden bij de schriftelijke mededeling gevoegd, voor zover de vreemdeling geen kennis kan hebben van de inhoud van deze stukken.28.

De vreemdeling brengt zijn zienswijze, in afwijking van artikel 4:9 van de Algemene wet bestuursrecht, schriftelijk naar voren binnen de door Onze Minister bepaalde redelijke termijn.

Bij de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 37, worden regels gesteld omtrent de termijn, bedoeld in het tweede lid, alsmede de toepassing van de voorgaande leden.

Nieuwe tekst

De artikelen 4:7 en 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht zijn niet van toepassing op de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28.

Artikel 40

Gewijzigd

De⚠ aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld inDit artikel 33is kan niet eerder worden ingediend dan vier weken voordat de vreemdeling gedurende vijf achtereenvolgende jaren rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, onder c, heeft gehad.vervallen.Vervallen

Nieuwe tekst
⚠ Dit artikel is vervallen.

Vervallen

Artikel 41

Gewijzigd

Indien Onze Minister voornemens is om de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd,asiel, bedoeld in artikel 28, dan wel de verblijfsvergunningartikelen voor29 onbepaaldeof tijd, bedoeld in artikel 33,29a, in te trekken, zijnwordt de artikelenvreemdeling 38hiervan enovereenkomstig 39artikel 66, eerste lid, van overeenkomstigede toepassing.Procedureverordening onder opgave van redenen schriftelijk in kennis gesteld.

IndienHet eerste lid is van overeenkomstige toepassing indien Onze Minister, na ontvangst van de zienswijze van de vreemdeling,Minister voornemens blijftis de verblijfsvergunning inasiel, te trekken, dan wordt de vreemdelingbedoeld in de gelegenheidartikelen gesteld29b, zich29c of 29d, in te doen horen.trekken.

De kennisgeving kan eveneens betrekking hebben op het voornemen om niet ambtshalve een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 te verlenen dan wel op het voornemen om de uitzetting of overdracht niet op grond van artikel 64 achterwege te laten. Het schriftelijke voornemen wordt aan de vreemdeling medegedeeld door uitreiking of toezending ervan. De op het voornemen tot intrekking betrekking hebbende stukken worden bij de schriftelijke mededeling gevoegd, voor zover de vreemdeling geen kennis kan hebben van de inhoud van deze stukken.

De vreemdeling brengt zijn zienswijze in afwijking van artikel 4:9 van de Algemene wet bestuursrecht schriftelijk naar voren binnen de door Onze Minister bepaalde redelijke termijn.

Indien Onze Minister, na ontvangst van de zienswijze van de vreemdeling, voornemens blijft de verblijfsvergunning asiel in te trekken, dan wordt de vreemdeling in de gelegenheid gesteld zich te doen horen.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent de termijn, bedoeld in het vierde lid, alsmede de toepassing van de voorgaande leden.

Nieuwe tekst
  1. Indien Onze Minister voornemens is de verblijfsvergunning asiel, bedoeld in de artikelen 29 of 29a, in te trekken, wordt de vreemdeling hiervan overeenkomstig artikel 66, eerste lid, van de Procedureverordening onder opgave van redenen schriftelijk in kennis gesteld.

  2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing indien Onze Minister voornemens is de verblijfsvergunning asiel, bedoeld in de artikelen 29b, 29c of 29d, in te trekken.

  3. De kennisgeving kan eveneens betrekking hebben op het voornemen om niet ambtshalve een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 te verlenen dan wel op het voornemen om de uitzetting of overdracht niet op grond van artikel 64 achterwege te laten. Het schriftelijke voornemen wordt aan de vreemdeling medegedeeld door uitreiking of toezending ervan. De op het voornemen tot intrekking betrekking hebbende stukken worden bij de schriftelijke mededeling gevoegd, voor zover de vreemdeling geen kennis kan hebben van de inhoud van deze stukken.

  4. De vreemdeling brengt zijn zienswijze in afwijking van artikel 4:9 van de Algemene wet bestuursrecht schriftelijk naar voren binnen de door Onze Minister bepaalde redelijke termijn.

  5. Indien Onze Minister, na ontvangst van de zienswijze van de vreemdeling, voornemens blijft de verblijfsvergunning asiel in te trekken, dan wordt de vreemdeling in de gelegenheid gesteld zich te doen horen.

  6. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent de termijn, bedoeld in het vierde lid, alsmede de toepassing van de voorgaande leden.

Artikel 42

Gewijzigd

Op⚠ de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld inDit artikel 28,is dan wel een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 33, wordt binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag een beschikking gegeven.vervallen.Vervallen

De inwilliging van de aanvraag is mede afgestemd op het beleid dat Onze Minister na overleg met Onze Minister van Buitenlandse Zaken dienaangaande voert.

Indien de aanvraag wordt afgewezen, wordt in de beschikking ingegaan op de zienswijze van de vreemdeling. In de beschikking wordt tevens ingegaan op de zienswijze van de vreemdeling op het voornemen om niet ambtshalve een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14, te verlenen, dan wel op het voornemen om de uitzetting of overdracht niet op grond van artikel 64 achterwege te laten indien hem van dat voornemen mededeling is gedaan.

De termijn, bedoeld in het eerste lid, kan met ten hoogste negen maanden worden verlengd, indien:

complexe feitelijke of juridische kwesties aan de orde zijn;

een groot aantal vreemdelingen tegelijk een aanvraag indient waardoor het in de praktijk zeer moeilijk is de procedure binnen de termijn van zes maanden af te ronden; of

de vertraging van de behandeling van de aanvraag aan de vreemdeling is toe te schrijven.

Bij wijze van uitzondering kunnen, in naar behoren gerechtvaardigde gevallen, de in het eerste en vierde lid genoemde termijnen met ten hoogste drie maanden worden verlengd indien dit noodzakelijk is met het oog op een behoorlijke en volledige behandeling van de aanvraag.

Indien in het kader van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 wordt onderzocht of de aanvraag op grond van artikel 30 niet in behandeling dient te worden genomen, vangt de termijn, bedoeld in het eerste lid, aan op het tijdstip waarop overeenkomstig de Dublinverordening wordt vastgesteld dat Nederland verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek.

Onze Minister stelt de vreemdeling in kennis van de verlenging van de termijn en geeft, indien de vreemdeling daarom verzoekt, informatie over de reden van de verlenging en een indicatie van het tijdsbestek waarbinnen de beschikking, bedoeld in het eerste lid, te verwachten valt.

Nieuwe tekst
⚠ Dit artikel is vervallen.

Vervallen

Artikel 43

Gewijzigd

Bij besluit van Onze Minister kankan, voorovereenkomstig bepaaldeartikel categorieën35, vreemdelingenzevende dielid, van de Procedureverordening, het afronden van de behandelingsprocedure van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijdasiel als bedoeld in artikel 28 hebbenuitstellen ingediend,wanneer redelijkerwijs niet kan worden verwacht dat het besluit op de termijn,aanvraag bedoeldwordt genomen binnen de in artikel 42,35, eerstevierde lid, wordenvan verlengdde totProcedureverordening tenvastgestelde hoogstetermijnen eenentwintig maanden, indien naar verwachting voorvanwege een korte periode onzekerheid zal bestaan over deonzekere situatie in het land van herkomst endie opnaar grondverwachting daarvantijdelijk redelijkerwijs niet kan worden beslist of de aanvraag op een van de gronden genoemd in artikel 29 kan worden ingewilligd.is.

Indien Onze Minister een besluit neemt als bedoeld in het eerste lid, wordt:

ten minste elke zes maanden de situatie in het betreffende land van herkomst beoordeeld;

binnen een redelijke termijn mededeling van het uitstel en de redenen voor het uitstel gedaan aan de aanvragers; en

binnen een redelijke termijn mededeling van het uitstel gedaan aan de Europese Commissie.

Nieuwe tekst

Onze Minister kan, overeenkomstig artikel 35, zevende lid, van de Procedureverordening, het afronden van de behandelingsprocedure van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28 uitstellen wanneer redelijkerwijs niet kan worden verwacht dat het besluit op de aanvraag wordt genomen binnen de in artikel 35, vierde lid, van de Procedureverordening vastgestelde termijnen vanwege een onzekere situatie in het land van herkomst die naar verwachting tijdelijk is.

Artikel 43a

Gewijzigd

In afwijking van artikel 42, eerste lid, en onverminderdOnverminderd artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht,bestuursrecht wordtworden de termijnen als bedoeld in artikel 35 van de Procedureverordening voor het geven van een beschikking op de aanvraag tot het verlenen van deeen verblijfsvergunning voor bepaalde tijdasiel als bedoeld in artikel 28 ten aanzien van vreemdelingen die tijdelijke bescherming genieten, opverlengd een tijdstip gelegen tussenmet de ontvangst van de aanvraag en zes maanden na afloopduur van de tijdelijke bescherming gegeven.bescherming.

De artikelen 42, vierde lid, en 43 zijn van overeenkomstige toepassing.

Nieuwe tekst

Onverminderd artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht worden de termijnen als bedoeld in artikel 35 van de Procedureverordening voor het geven van een beschikking op de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28 ten aanzien van vreemdelingen die tijdelijke bescherming genieten, verlengd met de duur van de tijdelijke bescherming.

Artikel 44

Gewijzigd

Verlening van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd,asiel, bedoeld in artikel 28, die rechtmatig verblijf inhoudt, heeft van rechtswege tot gevolg de beëindiging van de verstrekkingen voorzien bij of krachtens de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers of een ander wettelijk voorschrift dat soortgelijke verstrekkingen regelt. De verstrekkingen worden beëindigd op de wijze voorzien bij of krachtens de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers of in het andere wettelijk voorschrift en binnen de daartoe gestelde termijn.

Indien de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijdasiel als bedoeld in artikelde 28,artikelen eerste29 lid,tot onderen a,met 29d, wordt ingewilligd, wordt deze verblijfsvergunning verleend met ingang van de datumdag waaropna de aanvraagbekendmaking isvan ontvangen.de beschikking.

De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd alsasiel, bedoeld in artikel 28, eerste lid, onderonderdeel e,c, subonderdeel 3°, wordt verleend met ingang van de datum waarop de verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 14 is ingetrokken.

De verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 33 wordt verleend met ingang van de datum waarop de vreemdeling heeft aangetoond dat hij aan alle voorwaarden voldoet.

Indien de vreemdeling de aanvraag tot verlenging van de verblijfsvergunning bedoeld in artikel 28, dan wel de gegevens waaruit blijkt dat aan de voorwaarden wordt voldaan niet tijdig heeft ingediend en hem dit niet is toe te rekenen, kan de verblijfsvergunning worden verlengd met ingang van de dag na die waarop de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning waarvoor verlenging is gevraagd afloopt. De voorgaande volzin is van overeenkomstige toepassing op de aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 33.

Nieuwe tekst
  1. Verlening van de verblijfsvergunning asiel, bedoeld in artikel 28, die rechtmatig verblijf inhoudt, heeft van rechtswege tot gevolg de beëindiging van de verstrekkingen voorzien bij of krachtens de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers of een ander wettelijk voorschrift dat soortgelijke verstrekkingen regelt. De verstrekkingen worden beëindigd op de wijze voorzien bij of krachtens de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers of in het andere wettelijk voorschrift en binnen de daartoe gestelde termijn.

  2. Indien de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in de artikelen 29 tot en met 29d, wordt ingewilligd, wordt deze verblijfsvergunning verleend met ingang van de dag na de bekendmaking van de beschikking.

  3. De verblijfsvergunning asiel, bedoeld in artikel 28, eerste lid, onderdeel c, subonderdeel 3°, wordt verleend met ingang van de datum waarop de verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 14 is ingetrokken.

Artikel 44a

Gewijzigd

Indien een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voorasiel bepaalde tijd,als bedoeld in artikel 28, niet in behandeling wordt genomen op grond van artikel 30, eerste lid, geldt dit besluit als overdrachtsbesluit, en heeft het van rechtswege tot gevolg dat:

de vreemdeling rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, onder m;

de ambtenaren belast met het toezicht op vreemdelingen bevoegd zijn elke plaats te betreden, daaronder begrepen een woning zonder toestemming van de bewoner, teneinde de vreemdeling over te dragen;

de vreemdeling Nederlanddoor uitOnze eigenMinister beweging dient te verlaten binnenovereenkomstig de inAsiel- artikelen 62c gestelde termijn, bij gebreke waarvan de vreemdelingmigratiebeheerverordening kan worden overgedragen.overgedragen aan een verantwoordelijke lidstaat;

Hetde vreemdeling overeenkomstig artikel 18, eerste lid, van de Asiel- en migratiebeheerverordening geen recht heeft op de opvangvoorzieningen, verstrekkingen en uitkeringen, bedoeld in de artikelen 17 tot en met 20 van de Opvangrichtlijn, toegekend bij of krachtens de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers of bij of krachtens een ander wettelijk voorschrift. Zulks wordt vermeld in het eerstebesluit. lid,Dit onderdoet b,geen bedoeldeafbreuk gevolg treedt niet in, indienaan de noodzaak om een levensstandaard te waarborgen die in artikel 62c bedoelde termijn nog nietovereenstemming is verstreken.met het Unierecht, met inbegrip van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, en internationale verplichtingen.

Nieuwe tekst

Indien een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28, niet in behandeling wordt genomen op grond van artikel 30, eerste lid, geldt dit besluit als overdrachtsbesluit, en heeft het van rechtswege tot gevolg dat:

  1. de vreemdeling rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, onder m;

  2. de ambtenaren belast met het toezicht op vreemdelingen bevoegd zijn elke plaats te betreden, daaronder begrepen een woning zonder toestemming van de bewoner, teneinde de vreemdeling over te dragen;

  3. de vreemdeling door Onze Minister overeenkomstig de Asiel- en migratiebeheerverordening kan worden overgedragen aan een verantwoordelijke lidstaat;

  4. de vreemdeling overeenkomstig artikel 18, eerste lid, van de Asiel- en migratiebeheerverordening geen recht heeft op de opvangvoorzieningen, verstrekkingen en uitkeringen, bedoeld in de artikelen 17 tot en met 20 van de Opvangrichtlijn, toegekend bij of krachtens de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers of bij of krachtens een ander wettelijk voorschrift. Zulks wordt vermeld in het besluit. Dit doet geen afbreuk aan de noodzaak om een levensstandaard te waarborgen die in overeenstemming is met het Unierecht, met inbegrip van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, en internationale verplichtingen.

Artikel 45

Gewijzigd

De beschikking waarbij een aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd,asiel, bedoeld in artikel 28, of voor onbepaalde tijd, bedoeld in artikel 33, wordt afgewezen, geldt als terugkeerbesluit, tenzij reeds eerder een terugkeerbesluit tegen de vreemdeling is uitgevaardigd en aan de daaruit voortvloeiende terugkeerverplichting niet is voldaan, en heeft van rechtswege tot gevolg dat:

de vreemdeling niet langer rechtmatig in Nederland verblijft tenzij een andere rechtsgrond voor rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8 van toepassing is;

de ambtenaren belast met het toezicht op vreemdelingen bevoegd zijn na ommekomst van de termijn als bedoeld in onderdeel c een onroerende zaak gedwongen te ontruimen teneinde het onderdak of het verblijf in de woonruimte als verstrekking geboden, bedoeld in onderdeel c, te beëindigen.

Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing indien:indien de verblijfsvergunning asiel, bedoeld in artikel 28, is ingetrokken.

ingevolgeIn artikel 4:5afwijking van het eerste lid, aanhef, geldt de Algemenebeschikking wetwaarbij bestuursrecht is besloten dat deeen aanvraag tot het verlenen van eende verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd alsasiel, bedoeld in artikel 3328, wordt afgewezen niet inals behandelingterugkeerbesluit, wordt genomen, ofindien:

eendat verblijfsvergunningniet in overeenstemming is ingetrokkenmet de Terugkeerrichtlijn en het beginsel van non-refoulement; of niet verlengd.

De in het eerste lid bedoelde gevolgen van de beschikking tredenis nietgenomen in zolangde hetasielgrensprocedure beroepmet toepassing van deartikel vreemdeling3, dezesde werking van de beschikking opschort.lid.

Onze Minister kan besluiten dat, in afwijking van het eerste lid, aanhef en onder c, de verstrekkingen voorzien bij of krachtens de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers of een ander wettelijk voorschrift dat soortgelijke verstrekkingen regelt, voor bepaalde categorieën vreemdelingen niet worden beëindigd, of voor de duur van het besluit opnieuw worden verleend. Het besluit wordt uiterlijk één jaar na de bekendmaking ervan ingetrokken. Na afloop van de duur van het besluit treden de opgeschorte rechtsgevolgen opnieuw in.

De beschikking, bedoeld in het eerste lid, kan tevens een inreisverbod inhouden.

Indien de beschikking inhoudt dat de aanvraag van de vreemdeling tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijdasiel als bedoeld in artikel 28 niet-ontvankelijk is verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, met toepassing van artikel 38, eerste lid, onderdeel a,c, van de Procedureverordening, geldt de beschikking, in afwijking van het eerste lid, aanhef, niet als terugkeerbesluit en is de vreemdeling, in afwijking van het eerste lid, onderdeel b, gehouden Nederland onmiddellijk te verlaten en zich naar het grondgebied te begeven van de lidstaat die een geldige verblijfsvergunning of andere toestemming tot verblijf heeft gegeven.

Nieuwe tekst
  1. De beschikking waarbij een aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning asiel, bedoeld in artikel 28, wordt afgewezen, geldt als terugkeerbesluit, tenzij reeds eerder een terugkeerbesluit tegen de vreemdeling is uitgevaardigd en aan de daaruit voortvloeiende terugkeerverplichting niet is voldaan, en heeft van rechtswege tot gevolg dat:

    1. de vreemdeling niet langer rechtmatig in Nederland verblijft tenzij een andere rechtsgrond voor rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8 van toepassing is;

    2. de vreemdeling Nederland uit eigen beweging dient te verlaten binnen de in artikel 62 gestelde termijn, bij gebreke waarvan de vreemdeling kan worden uitgezet;

    3. de verstrekkingen voorzien bij of krachtens de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers of een ander wettelijk voorschrift dat soortgelijke verstrekkingen regelt worden beëindigd op de bij of krachtens die wet of dat wettelijke voorschrift voorziene wijze en binnen de daartoe gestelde termijn;

    4. de ambtenaren belast met het toezicht op vreemdelingen na ommekomst van de termijn waarbinnen de vreemdeling Nederland uit eigen beweging dient te verlaten, bevoegd zijn elke plaats te betreden, daaronder begrepen een woning zonder toestemming van de bewoner, teneinde de vreemdeling uit te zetten;

    5. de ambtenaren belast met het toezicht op vreemdelingen bevoegd zijn na ommekomst van de termijn als bedoeld in onderdeel c een onroerende zaak gedwongen te ontruimen teneinde het onderdak of het verblijf in de woonruimte als verstrekking geboden, bedoeld in onderdeel c, te beëindigen.

  2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing indien de verblijfsvergunning asiel, bedoeld in artikel 28, is ingetrokken.

  3. In afwijking van het eerste lid, aanhef, geldt de beschikking waarbij een aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning asiel, bedoeld in artikel 28, wordt afgewezen niet als terugkeerbesluit, indien:

    1. dat niet in overeenstemming is met de Terugkeerrichtlijn en het beginsel van non-refoulement; of

    2. de beschikking is genomen in de asielgrensprocedure met toepassing van artikel 3, zesde lid.

  4. Onze Minister kan besluiten dat, in afwijking van het eerste lid, aanhef en onder c, de verstrekkingen voorzien bij of krachtens de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers of een ander wettelijk voorschrift dat soortgelijke verstrekkingen regelt, voor bepaalde categorieën vreemdelingen niet worden beëindigd, of voor de duur van het besluit opnieuw worden verleend. Het besluit wordt uiterlijk één jaar na de bekendmaking ervan ingetrokken. Na afloop van de duur van het besluit treden de opgeschorte rechtsgevolgen opnieuw in.

  5. De vreemdeling op wie het besluit als bedoeld in het vierde lid van toepassing is, wordt geacht rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, onder j, te hebben.

  6. De in het eerste lid bedoelde gevolgen van de beschikking treden niet in zolang de uitzetting van de vreemdeling op grond van de richtlijn tijdelijke bescherming achterwege blijft. De reeds ingetreden gevolgen worden opgeschort, indien Onze Minister heeft vastgesteld dat uitzetting op grond van de richtlijn tijdelijke bescherming achterwege blijft. De opgeschorte gevolgen, bedoeld in het eerste lid, treden opnieuw in na afloop van de tijdelijke bescherming.

  7. Het verblijf van de vreemdeling, bedoeld in het zesde lid, wordt gelijkgesteld met rechtmatig verblijf in de zin van artikel 8, onder f.

  8. De beschikking, bedoeld in het eerste lid, kan tevens een inreisverbod inhouden.

  9. Indien de beschikking inhoudt dat de aanvraag van de vreemdeling tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28 niet-ontvankelijk is verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, met toepassing van artikel 38, eerste lid, onderdeel c, van de Procedureverordening, geldt de beschikking, in afwijking van het eerste lid, aanhef, niet als terugkeerbesluit en is de vreemdeling, in afwijking van het eerste lid, onderdeel b, gehouden Nederland onmiddellijk te verlaten en zich naar het grondgebied te begeven van de lidstaat die een geldige verblijfsvergunning of andere toestemming tot verblijf heeft gegeven.

Artikel 45b

Gewijzigd

verblijf heeft op grond van een bijzondere geprivilegieerde status;

verblijf heeft op grond van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijdasiel als bedoeld in artikel 28, die niet is verleend op grond van artikelde 29,artikelen eerste lid, onder a29 of b;29a;

verblijf heeft op grond van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijdasiel als bedoeld in artikel 28, die is verleend op grond van artikelde 29,artikelen tweede29b, lid,29c of 29d, bij een vreemdeling die in het bezit is van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28, die niet is verleend op grond van artikelde 29,artikelen eerste lid, onder a29 of b.29a.

Onverminderd het eerste lid kan de aanvraag tot het verlenen van een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen slechts worden afgewezen, indien de vreemdeling:

Voor de berekening van de periode bedoeld in het tweede lid, onder a, wordt verblijf als bedoeld in het eerste lid en verblijf als bedoeld in het tweede lid, onder b, niet meegeteld, met uitzondering van verblijf voor studie of beroepsopleiding, dat voor de helft wordt meegeteld.

Voor de berekening van de periode, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, wordt de periode tussen de datum van indiening van de aanvraag waarop een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in de artikelen 29 of 29a werd verleend en de datum waarop de in artikel 9, tweede lid, onder a, bedoelde verblijfstitel werd afgegeven, volledig in aanmerking genomen.

Wanneer de vreemdeling die verblijf heeft op grond van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28, die is verleend op grond van de artikelen 29 of 29a, wordt aangetroffen in een andere lidstaat zonder dat hij het recht heeft daar te wonen of te verblijven, wordt de periode waarin hij voorafgaand daaraan rechtmatig in Nederland verbleef, niet in aanmerking genomen bij de berekening van de periode, bedoeld in het tweede lid, onder a.

Onze Minister kan het vijfde lid buiten toepassing laten indien de vreemdeling aantoont dat de redenen om in de andere lidstaat te wonen of te verblijven zonder dat hij daartoe het recht had, te wijten zijn aan omstandigheden die buiten zijn controle lagen.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de toepassing van het eerste lid en het tweede lid, onderdelen a tot en met f.

Nieuwe tekst
  1. De aanvraag tot het verlenen van een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen wordt afgewezen, indien de vreemdeling direct voorafgaande aan de aanvraag:

    1. een verblijfsrecht van tijdelijke aard heeft op grond van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14;

    2. een formeel beperkt verblijfsrecht heeft;

    3. verblijf heeft op grond van een bijzondere geprivilegieerde status;

    4. verblijf heeft op grond van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28, die niet is verleend op grond van de artikelen 29 of 29a;

    5. verblijf heeft op grond van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28, die is verleend op grond van de artikelen 29b, 29c of 29d, bij een vreemdeling die in het bezit is van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28, die niet is verleend op grond van de artikelen 29 of 29a.

  2. Onverminderd het eerste lid kan de aanvraag tot het verlenen van een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen slechts worden afgewezen, indien de vreemdeling:

    1. niet gedurende vijf jaren ononderbroken en direct voorafgaande aan de aanvraag rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8 heeft gehad, met inachtneming van het derde lid;

    2. in de periode, bedoeld onder a, zes of meer achtereenvolgende maanden of in totaal tien of meer maanden buiten Nederland heeft verbleven;

    3. al of niet tezamen met de gezinsleden bij wie hij verblijft, niet zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan;

    4. bij onherroepelijk geworden rechterlijk vonnis is veroordeeld wegens een misdrijf waartegen een gevangenisstraf van drie jaren of meer is bedreigd, dan wel hem ter zake de maatregel, bedoeld in artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht, is opgelegd;

    5. een gevaar vormt voor de nationale veiligheid;

    6. niet beschikt over een toereikende ziektekostenverzekering voor hemzelf en de te zijnen laste komende gezinsleden; of

    7. niet heeft voldaan aan het bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vast te stellen inburgeringsvereiste.

  3. Voor de berekening van de periode bedoeld in het tweede lid, onder a, wordt verblijf als bedoeld in het eerste lid en verblijf als bedoeld in het tweede lid, onder b, niet meegeteld, met uitzondering van verblijf voor studie of beroepsopleiding, dat voor de helft wordt meegeteld.

  4. Voor de berekening van de periode, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, wordt de periode tussen de datum van indiening van de aanvraag waarop een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in de artikelen 29 of 29a werd verleend en de datum waarop de in artikel 9, tweede lid, onder a, bedoelde verblijfstitel werd afgegeven, volledig in aanmerking genomen.

  5. Wanneer de vreemdeling die verblijf heeft op grond van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28, die is verleend op grond van de artikelen 29 of 29a, wordt aangetroffen in een andere lidstaat zonder dat hij het recht heeft daar te wonen of te verblijven, wordt de periode waarin hij voorafgaand daaraan rechtmatig in Nederland verbleef, niet in aanmerking genomen bij de berekening van de periode, bedoeld in het tweede lid, onder a.

  6. Onze Minister kan het vijfde lid buiten toepassing laten indien de vreemdeling aantoont dat de redenen om in de andere lidstaat te wonen of te verblijven zonder dat hij daartoe het recht had, te wijten zijn aan omstandigheden die buiten zijn controle lagen.

  7. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de toepassing van het eerste lid en het tweede lid, onderdelen a tot en met f.

  8. Bij of krachtens de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het tweede lid, onderdeel g, worden in ieder geval regels gesteld omtrent de inhoud van het inburgeringstraject en het te behalen niveau, alsmede omtrent de vrijstellingen en ontheffingen.

Artikel 45c

Gewijzigd

Op het document, bedoeld in artikel 9, van de vreemdeling aan wie een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen is verleend, wordt de aantekening «Internationale bescherming op [datum] verleend door Nederland» geplaatst, indien:indien de vreemdeling direct voorafgaande aan de aanvraag in het bezit was van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28 die is verleend op grond van de artikelen 29 of 29a, tenzij de grond voor die verlening is vervallen.

de vreemdeling direct voorafgaande aan de aanvraag in het bezit was van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28, die is verleend op grond van artikel 29, eerste lid, onder a of b, tenzij de grond voor die verlening is vervallen; of

de vreemdeling direct voorafgaande aan de aanvraag in het bezit was van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 33, mits hij voordien in het bezit was van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28, die is verleend op grond van artikel 29, eerste lid, onder a of b.

Indien de EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen wordt verleend aan een onderdaan van een derde land die reeds een verblijfsdocument bezit dat door een andere lidstaat is afgegeven en dat de aantekening «Internationale bescherming op [datum] verleend door [lidstaat]» bevat, wordt op het document, bedoeld in artikel 9, dezelfde aantekening geplaatst, tenzij de internationale bescherming bij een definitief besluit van die andere lidstaat is ingetrokken.

Nieuwe tekst
  1. Op het document, bedoeld in artikel 9, van de vreemdeling aan wie een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen is verleend, wordt de aantekening «Internationale bescherming op [datum] verleend door Nederland» geplaatst, indien de vreemdeling direct voorafgaande aan de aanvraag in het bezit was van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28 die is verleend op grond van de artikelen 29 of 29a, tenzij de grond voor die verlening is vervallen.

  2. Indien de EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen wordt verleend aan een onderdaan van een derde land die reeds een verblijfsdocument bezit dat door een andere lidstaat is afgegeven en dat de aantekening «Internationale bescherming op [datum] verleend door [lidstaat]» bevat, wordt op het document, bedoeld in artikel 9, dezelfde aantekening geplaatst, tenzij de internationale bescherming bij een definitief besluit van die andere lidstaat is ingetrokken.

  3. Indien uit een verzoek van de autoriteiten van een andere lidstaat van de Europese Unie aan Onze Minister blijkt dat de internationale bescherming van de houder van een document als bedoeld in artikel 9, met daarop de aantekening als bedoeld in het eerste lid, door deze lidstaat is overgenomen alvorens deze lidstaat een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen heeft afgegeven, wordt de aantekening op het document, bedoeld in artikel 9, dienovereenkomstig gewijzigd.

  4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over het bepaalde in het eerste, tweede en derde lid.

Artikel 45f

Gewijzigd

Indien Onze Minister voornemens is de aanvraag tot het verlenen van een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen af te wijzen en de vreemdeling in het bezit is van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 of artikel 33, is het bij of krachtens artikel 39 bepaalde van overeenkomstige toepassing.

Indien Onze Minister voornemens is de aanvraag van de vreemdeling die in het bezit is van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 of artikel 33, tot het verlenen van een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen in te willigen, zonder op het aan de vreemdeling te verstrekken document, bedoeld in artikel 9, de aantekening als bedoeld in artikel 45c, eerste lid, te plaatsen, is het bij of krachtens artikel 39 bepaalde van overeenkomstige toepassing.

Indien Onze Minister voornemens is om de EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen met op het aan de vreemdeling verstrekte document, bedoeld in artikel 9, de aantekening als bedoeld in artikel 45c, eerste lid, in te trekken, is artikel 41 van overeenkomstige toepassing.

Nieuwe tekst

Indien Onze Minister voornemens is om de EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen met op het aan de vreemdeling verstrekte document, bedoeld in artikel 9, de aantekening als bedoeld in artikel 45c, eerste lid, in te trekken, is artikel 41 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 50

Gewijzigd

De ambtenaren belast met de grensbewaking en de ambtenaren belast met het toezicht op vreemdelingen, zijn bevoegd, hetzij op grond van feiten en omstandigheden die, naar objectieve maatstaven gemeten, een redelijk vermoeden van illegaal verblijf opleveren hetzij ter bestrijding van illegaal verblijf na grensoverschrijding, personen staande te houden ter vaststelling van hun identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie. Degene die stelt Nederlander te zijn, maar dat niet kan aantonen, kan worden onderworpen aan de dwangmiddelen als bedoeld in het tweede en vijfde lid. Bij algemene maatregel van bestuur worden de documenten aangewezen waarover een vreemdeling moet beschikken ter vaststelling van zijn identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie.

Indien de identiteit van de staande gehouden persoon niet onmiddellijk kan worden vastgesteld, of indien dit noodzakelijk is voor de toepassing van artikel 7 van de Screeningsverordening, mag hij worden overgebracht naar een plaats bestemd voor verhoor.verhoor of een plaats bestemd voor screening. Hij wordt aldaar niet langer dan gedurende zes uren opgehouden, met dien verstande, dat de tijd tussen middernacht en negen uur voormiddags niet wordt meegerekend.

Indien de identiteit van de staande gehouden persoon onmiddellijk kan worden vastgesteld en indien blijkt dat deze persoon geen rechtmatig verblijf geniet, dan wel niet onmiddellijk blijkt dat hij rechtmatig verblijf heeft, of indien dit noodzakelijk is voor de toepassing van artikel 7 van de Screeningsverordening, mag hij worden overgebracht naar een plaats bestemd voor verhoor.verhoor of een plaats bestemd voor screening. Hij wordt aldaar niet langer dan gedurende zes uren opgehouden, met dien verstande, dat de tijd tussen middernacht en negen uur voormiddags niet wordt meegerekend.

Indien nog grond bestaat voor het vermoeden dat de opgehouden persoon geen rechtmatig verblijf heeft, kan de in het tweede en derde lid bepaalde termijn door de Commandant der Koninklijke marechaussee respectievelijk door de korpschef in het belang van het onderzoek met ten hoogste acht en veertig uren worden verlengd. Indien artikel 7 van de Screeningsverordening van toepassing is, geldt in afwijking van het tweede en derde lid, overeenkomstig artikel 8, vierde lid, van de Screeningsverordening, dat hij niet langer wordt opgehouden dan 72 uur op de plaats bestemd voor verhoor of een plaats bestemd voor screening.

De in het eerste lid bedoelde ambtenaren zijn bevoegd de opgehouden persoon aan diens kleding of lichaam te onderzoeken, alsmede zaken van deze persoon te doorzoeken.

Nieuwe tekst
  1. De ambtenaren belast met de grensbewaking en de ambtenaren belast met het toezicht op vreemdelingen, zijn bevoegd, hetzij op grond van feiten en omstandigheden die, naar objectieve maatstaven gemeten, een redelijk vermoeden van illegaal verblijf opleveren hetzij ter bestrijding van illegaal verblijf na grensoverschrijding, personen staande te houden ter vaststelling van hun identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie. Degene die stelt Nederlander te zijn, maar dat niet kan aantonen, kan worden onderworpen aan de dwangmiddelen als bedoeld in het tweede en vijfde lid. Bij algemene maatregel van bestuur worden de documenten aangewezen waarover een vreemdeling moet beschikken ter vaststelling van zijn identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie.

  2. Indien de identiteit van de staande gehouden persoon niet onmiddellijk kan worden vastgesteld, of indien dit noodzakelijk is voor de toepassing van artikel 7 van de Screeningsverordening, mag hij worden overgebracht naar een plaats bestemd voor verhoor of een plaats bestemd voor screening. Hij wordt aldaar niet langer dan gedurende zes uren opgehouden, met dien verstande, dat de tijd tussen middernacht en negen uur voormiddags niet wordt meegerekend.

  3. Indien de identiteit van de staande gehouden persoon onmiddellijk kan worden vastgesteld en indien blijkt dat deze persoon geen rechtmatig verblijf geniet, dan wel niet onmiddellijk blijkt dat hij rechtmatig verblijf heeft, of indien dit noodzakelijk is voor de toepassing van artikel 7 van de Screeningsverordening, mag hij worden overgebracht naar een plaats bestemd voor verhoor of een plaats bestemd voor screening. Hij wordt aldaar niet langer dan gedurende zes uren opgehouden, met dien verstande, dat de tijd tussen middernacht en negen uur voormiddags niet wordt meegerekend.

  4. Indien nog grond bestaat voor het vermoeden dat de opgehouden persoon geen rechtmatig verblijf heeft, kan de in het tweede en derde lid bepaalde termijn door de Commandant der Koninklijke marechaussee respectievelijk door de korpschef in het belang van het onderzoek met ten hoogste acht en veertig uren worden verlengd. Indien artikel 7 van de Screeningsverordening van toepassing is, geldt in afwijking van het tweede en derde lid, overeenkomstig artikel 8, vierde lid, van de Screeningsverordening, dat hij niet langer wordt opgehouden dan 72 uur op de plaats bestemd voor verhoor of een plaats bestemd voor screening.

  5. De in het eerste lid bedoelde ambtenaren zijn bevoegd de opgehouden persoon aan diens kleding of lichaam te onderzoeken, alsmede zaken van deze persoon te doorzoeken.

  6. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regelen gegeven omtrent de toepassing van de voorgaande leden van dit artikel.

Artikel 55

Gewijzigd

De vreemdeling die rechtmatig verblijf geniet op grond van artikel 8, onder f,f of h, alsmede de vreemdeling op wie artikel 7 van de Screeningsverordening van toepassing is, dient zich, in verband met het onderzoek naar de inwilligbaarheid van de aanvraag om een verblijfsvergunningverblijfsvergunning, onderscheidenlijk de toepassing van de Screeningsverordening, beschikbaar te houden op een door Onze Minister aangewezen plaats, overeenkomstig hem daartoe door de bevoegde autoriteit gegeven aanwijzingen.

Ter ondersteuning van het onderzoek of een aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 kan worden ingewilligd, zijn de ambtenaren belast met de grensbewaking en de ambtenaren belast met het toezicht op vreemdelingen bevoegd om een vreemdeling staande te houden en aan diens kleding of lichaam te onderzoeken, alsmede zijn bagage te doorzoeken met het oog op eventuele aanwezigheid van reis- of identiteitspapieren, documenten of bescheiden, die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van zijn aanvraag. Gelijke bevoegdheid bestaat indien de vreemdeling te kennen geeft een aanvraag te willen indienen.

Nieuwe tekst
  1. De vreemdeling die rechtmatig verblijf geniet op grond van artikel 8, onder f of h, alsmede de vreemdeling op wie artikel 7 van de Screeningsverordening van toepassing is, dient zich, in verband met het onderzoek naar de inwilligbaarheid van de aanvraag om een verblijfsvergunning, onderscheidenlijk de toepassing van de Screeningsverordening, beschikbaar te houden op een door Onze Minister aangewezen plaats, overeenkomstig hem daartoe door de bevoegde autoriteit gegeven aanwijzingen.

  2. Ter ondersteuning van het onderzoek of een aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 kan worden ingewilligd, zijn de ambtenaren belast met de grensbewaking en de ambtenaren belast met het toezicht op vreemdelingen bevoegd om een vreemdeling staande te houden en aan diens kleding of lichaam te onderzoeken, alsmede zijn bagage te doorzoeken met het oog op eventuele aanwezigheid van reis- of identiteitspapieren, documenten of bescheiden, die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van zijn aanvraag. Gelijke bevoegdheid bestaat indien de vreemdeling te kennen geeft een aanvraag te willen indienen.

  3. De ambtenaren belast met de grensbewaking en de ambtenaren belast met het toezicht op vreemdelingen zijn bevoegd een vreemdeling die zich in verband met het onderzoek op een plaats als bedoeld in het eerste lid bevindt, dan wel een vreemdeling die zich in een verwijdercentrum bevindt, aan diens kleding of lichaam te onderzoeken, alsmede zijn bagage te doorzoeken met het oog op de veiligheid op die plaats.

Onze Minister kan een vreemdeling toewijzen aan een geografisch gebied in Nederland waarbinnen hij zich vrij kan bewegen gedurende de duur van de asielprocedure indien dit zorgt voor een snelle, efficiënte en effectieve verwerking van zijn asielaanvraag in overeenstemming met de Procedureverordening, of voor de geografische spreiding van vreemdelingen waarbij rekening wordt gehouden met de capaciteit van de betrokken geografische gebieden.

De vreemdeling wordt zo snel mogelijk schriftelijk in kennis gesteld van de toewijzing aan een geografisch gebied en van de geografische grenzen van dat gebied.

De vreemdeling aan wie een geografisch gebied is toegewezen, kan Onze Minister om toestemming verzoeken om dat gebied tijdelijk te verlaten.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere voorwaarden gesteld voor de toepassing van dit artikel.

Nieuwe tekst
  1. Onze Minister kan een vreemdeling toewijzen aan een geografisch gebied in Nederland waarbinnen hij zich vrij kan bewegen gedurende de duur van de asielprocedure indien dit zorgt voor een snelle, efficiënte en effectieve verwerking van zijn asielaanvraag in overeenstemming met de Procedureverordening, of voor de geografische spreiding van vreemdelingen waarbij rekening wordt gehouden met de capaciteit van de betrokken geografische gebieden.

  2. De vreemdeling wordt zo snel mogelijk schriftelijk in kennis gesteld van de toewijzing aan een geografisch gebied en van de geografische grenzen van dat gebied.

  3. De vreemdeling aan wie een geografisch gebied is toegewezen, kan Onze Minister om toestemming verzoeken om dat gebied tijdelijk te verlaten.

  4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere voorwaarden gesteld voor de toepassing van dit artikel.

Artikel 56

Gewijzigd

Overeenkomstig bij algemene maatregel van bestuur te geven regels kan, indien het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid zulks vordert, dan wel om doeltreffend te voorkomen dat de vreemdeling onderduikt wanneer er een onderduikrisico bestaat, door Onze Minister de vrijheid van beweging worden beperkt van de vreemdeling die:

geen rechtmatig verblijf heeft;

Nieuwe tekst
  1. Overeenkomstig bij algemene maatregel van bestuur te geven regels kan, indien het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid zulks vordert, dan wel om doeltreffend te voorkomen dat de vreemdeling onderduikt wanneer er een onderduikrisico bestaat, door Onze Minister de vrijheid van beweging worden beperkt van de vreemdeling die:

    1. geen rechtmatig verblijf heeft;

    2. rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, met uitzondering van de onderdelen b, d en e.

  2. Toepassing van het eerste lid blijft achterwege wanneer en wordt beëindigd zodra de vreemdeling te kennen geeft Nederland te willen verlaten en hiertoe voor hem ook gelegenheid bestaat.

Artikel 59

Gewijzigd

Indien het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid zulks vordert kan, met het oog op de uitzetting, door Onze Minister in bewaringvreemdelingenbewaring worden gesteld de vreemdeling die:

geen rechtmatig verblijf heeft;

die rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, onder f, g en h, niet zijnde een vreemdeling als bedoeld in artikel 59a of 59b.

Indien de voor de terugkeer van de vreemdeling noodzakelijke bescheiden voorhanden zijn, dan wel binnen korte termijn voorhanden zullen zijn, wordt het belang van de openbare orde geacht de bewaringvreemdelingenbewaring van de vreemdeling te vorderen, tenzij de vreemdeling rechtmatig verblijf heeft gehad op grond van artikel 8, onder a tot en met e, en l.

BewaringVreemdelingenbewaring van een vreemdeling blijft achterwege indien en wordt beëindigd zodra hij te kennen geeft Nederland te willen verlaten en hiertoe voor hem ook gelegenheid bestaat.

BewaringVreemdelingenbewaring krachtens het eerste lid, onder b, of het tweede lid duurt in geen geval langer dan vier weken. Indien voorafgaande aan de beslissing op de aanvraag toepassing is gegeven aan artikel 39, duurt de bewaring krachtens het eerste lid, onder b, in geen geval langer dan zes weken.

Onverminderd het vierde lid duurt de bewaringvreemdelingenbewaring krachtens het eerste lid niet langer dan zes maanden.

In afwijking van het vijfde lid en onverminderd het vierde lid kan de bewaringvreemdelingenbewaring krachtens het eerste lid ten hoogste met nog eens twaalf maanden worden verlengd, indien de uitzetting, alle redelijke inspanningen ten spijt, wellicht meer tijd zal vergen, op grond dat de vreemdeling niet meewerkt aan zijn uitzetting of de daartoe benodigde documentatie uit derde landen nog ontbreekt.

Het vijfde en zesde lid zijn van overeenkomstige toepassing op de vreemdeling aan wie de verplichting of maatregel, bedoeld in artikel 6, eerste of tweede lid, dan wel artikel 58 is opgelegd.

Het vijfde en zesde lid zijn van overeenkomstige toepassing op de vreemdeling aan wie de verplichting of maatregel, bedoeld in artikel 6, eerste of tweede lid, dan wel artikel 58 is opgelegd.

De ambtenaren belast met de grensbewaking en de ambtenaren belast met het toezicht op vreemdelingen zijn bevoegd de in bewaringvreemdelingenbewaring gestelde persoon aan diens kleding of lichaam te onderzoeken, alsmede zaken van deze persoon te doorzoeken, voor zover dit noodzakelijk is voor het verkrijgen van informatie omtrent de identiteit, nationaliteit en de verblijfsrechtelijke positie van de betreffende vreemdeling.

Nieuwe tekst
  1. Indien het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid zulks vordert kan, met het oog op de uitzetting, door Onze Minister in vreemdelingenbewaring worden gesteld de vreemdeling die:

    1. geen rechtmatig verblijf heeft;

    2. die rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, onder f, g en h, niet zijnde een vreemdeling als bedoeld in artikel 59a of 59b.

  2. Indien de voor de terugkeer van de vreemdeling noodzakelijke bescheiden voorhanden zijn, dan wel binnen korte termijn voorhanden zullen zijn, wordt het belang van de openbare orde geacht de vreemdelingenbewaring van de vreemdeling te vorderen, tenzij de vreemdeling rechtmatig verblijf heeft gehad op grond van artikel 8, onder a tot en met e, en l.

  3. Vreemdelingenbewaring van een vreemdeling blijft achterwege indien en wordt beëindigd zodra hij te kennen geeft Nederland te willen verlaten en hiertoe voor hem ook gelegenheid bestaat.

  4. Vreemdelingenbewaring krachtens het eerste lid, onder b, of het tweede lid duurt in geen geval langer dan vier weken.

  5. Onverminderd het vierde lid duurt de vreemdelingenbewaring krachtens het eerste lid niet langer dan zes maanden.

  6. In afwijking van het vijfde lid en onverminderd het vierde lid kan de vreemdelingenbewaring krachtens het eerste lid ten hoogste met nog eens twaalf maanden worden verlengd, indien de uitzetting, alle redelijke inspanningen ten spijt, wellicht meer tijd zal vergen, op grond dat de vreemdeling niet meewerkt aan zijn uitzetting of de daartoe benodigde documentatie uit derde landen nog ontbreekt.

  7. Het vijfde en zesde lid zijn van overeenkomstige toepassing op de vreemdeling aan wie de verplichting of maatregel, bedoeld in artikel 6, eerste of tweede lid, dan wel artikel 58 is opgelegd.

  8. De ambtenaren belast met de grensbewaking en de ambtenaren belast met het toezicht op vreemdelingen zijn bevoegd de in vreemdelingenbewaring gestelde persoon aan diens kleding of lichaam te onderzoeken, alsmede zaken van deze persoon te doorzoeken, voor zover dit noodzakelijk is voor het verkrijgen van informatie omtrent de identiteit, nationaliteit en de verblijfsrechtelijke positie van de betreffende vreemdeling.

Artikel 59a

Gewijzigd

Onze Minister kan vreemdelingen op wie de DublinverordeningAsiel- en migratiebeheerverordening van toepassing is, met het oog op de overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat in bewaringvreemdelingenbewaring stellen met inachtneming van artikel 2844 van de Dublinverordening.Asiel- en migratiebeheerverordening.

Artikel 59, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Nieuwe tekst
  1. Onze Minister kan vreemdelingen op wie de Asiel- en migratiebeheerverordening van toepassing is, met het oog op de overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat in vreemdelingenbewaring stellen met inachtneming van artikel 44 van de Asiel- en migratiebeheerverordening.

  2. Artikel 59, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 59b

Gewijzigd

De vreemdeling die rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, aanhef en onder f, gsubonderdeel 2° of onder h, subonderdeel 2°, voor zover dit betrekking heeft op een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28, kan door Onze Minister in bewaringvreemdelingenbewaring worden gesteld, indien:

bewaringvreemdelingenbewaring noodzakelijk is met het oog op vaststelling van de identiteit of nationaliteit van de vreemdeling;

bewaringvreemdelingenbewaring noodzakelijk is met het oog op het verkrijgenvaststellen van de gegevens die noodzakelijkten zijngrondslag voorliggen beoordeling vanaan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijdasiel als bedoeld in artikel 28,28 en die niet zouden kunnen worden verkregen indien de aanvrager niet in vreemdelingenbewaring zou worden gehouden, met name indien erwanneer sprake is van een risico op onttrekking;onderduikrisico;

de vreemdeling:

de vreemdeling:

1°in bewaringvreemdelingenbewaring werd gehouden in het kader van een terugkeerprocedure uit hoofde van de Terugkeerrichtlijn;

2°reeds de mogelijkheid van toegang tot de asielprocedure heeft gehad; en

2°reeds de mogelijkheid van toegang tot de asielprocedure heeft gehad; en

3°op redelijke gronden aangenomen kan worden dat hij de aanvraag louter heeft ingediend om de uitvoering van het terugkeerbesluit uit te stellen of te verijdelen; of

de vreemdeling een gevaar vormt voor de nationale veiligheid of openbare orde als bedoeld in artikel 8,10, derdevierde lid, onderdeel e,f, van de Opvangrichtlijn.Opvangrichtlijn; of

Devreemdelingenbewaring bewaringnoodzakelijk krachtensis hetten behoeve van de handhaving van de opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel, bedoeld in artikel 56, eerste lid, onderdeelin a,het bgeval ofde c,vreemdeling duurtdie maatregel niet langernaleeft danen vierhet weken,onderduikrisico tenzijblijft toepassing is gegeven aan artikel 39. In dat geval duurt de bewaring niet langer dan zes weken.bestaan.

De bewaringvreemdelingenbewaring krachtens het eerste lid, onderdeelduurt a,zo bkort ofmogelijk, c,uitsluitend kanzo worden verlengd met ten hoogste drie maanden indienlang de vreemdelingin rechtmatighet verblijfeerste heeftlid opgenoemde grondgronden van artikeltoepassing 8,zijn onderen h.niet langer dan zes maanden.

DeOnze bewaringMinister kan de vreemdelingenbewaring krachtens het eerste lid,lid onderdeelmet d,ten duurt niet langer danhoogste zes maanden.maanden verlengen, indien er sprake is van:

Onzecomplexe Ministerfeitelijke kanof dejuridische bewaringkwesties; krachtens het eerste lid, onderdeel d, met ten hoogste negen maanden verlengen, indien er sprake is van:of

complexede feitelijkevertraging en juridische omstandigheden die betrekking hebben opin de behandeling van de aanvraag tot het verlenen vanom een verblijfsvergunning voor bepaalde tijdasiel als bedoeld in artikel 28;28 duidelijk en uitsluitend kan worden toegeschreven aan het feit dat de vreemdeling de krachtens artikel 9 van de Procedureverordening op hem rustende verplichtingen niet nakomt.

De vreemdeling wordt niet in vreemdelingenbewaring gesteld om de enkele reden dat hij een zwaarwegendaanvraag belangtot het verlenen van openbareeen ordeverblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28 heeft ingediend of nationaleop veiligheid.basis van zijn nationaliteit. De vreemdelingenbewaring mag niet bestraffend van aard zijn.

In afwijking van het eerste lid, wordt een minderjarige vreemdeling in de regel niet in vreemdelingenbewaring gesteld. In uitzonderlijke omstandigheden kunnen minderjarigen als maatregel in laatste instantie en nadat is gebleken dat minder dwingende alternatieve maatregelen niet doeltreffend kunnen worden toegepast, en nadat overeenkomstig artikel 26 van de Opvangrichtlijn is beoordeeld dat vreemdelingenbewaring in hun belang is, voor zo kort mogelijke duur in vreemdelingenbewaring worden gehouden:

in het geval van begeleide minderjarigen, wanneer de ouder of hoofdverzorger van de minderjarige in vreemdelingenbewaring wordt gehouden, of

in het geval van niet-begeleide minderjarigen, wanneer de minderjarige door de vreemdelingenbewaring wordt beschermd.

Nieuwe tekst
  1. De vreemdeling die rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, aanhef en onder f, subonderdeel 2° of onder h, subonderdeel 2°, voor zover dit betrekking heeft op een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28, kan door Onze Minister in vreemdelingenbewaring worden gesteld, indien:

    1. vreemdelingenbewaring noodzakelijk is met het oog op vaststelling van de identiteit of nationaliteit van de vreemdeling;

    2. vreemdelingenbewaring noodzakelijk is met het oog op het vaststellen van de gegevens die ten grondslag liggen aan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28 en die niet zouden kunnen worden verkregen indien de aanvrager niet in vreemdelingenbewaring zou worden gehouden, met name wanneer sprake is van een onderduikrisico;

    3. de vreemdeling:

      1. 1°

        in vreemdelingenbewaring werd gehouden in het kader van een terugkeerprocedure uit hoofde van de Terugkeerrichtlijn;

      2. 2°

        reeds de mogelijkheid van toegang tot de asielprocedure heeft gehad; en

      3. 3°

        op redelijke gronden aangenomen kan worden dat hij de aanvraag louter heeft ingediend om de uitvoering van het terugkeerbesluit uit te stellen of te verijdelen;

    4. de vreemdeling een gevaar vormt voor de nationale veiligheid of openbare orde als bedoeld in artikel 10, vierde lid, onderdeel f, van de Opvangrichtlijn; of

    5. vreemdelingenbewaring noodzakelijk is ten behoeve van de handhaving van de opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel, bedoeld in artikel 56, eerste lid, in het geval de vreemdeling die maatregel niet naleeft en het onderduikrisico blijft bestaan.

  2. De vreemdelingenbewaring krachtens het eerste lid, duurt zo kort mogelijk, uitsluitend zo lang de in het eerste lid genoemde gronden van toepassing zijn en niet langer dan zes maanden.

  3. Onze Minister kan de vreemdelingenbewaring krachtens het eerste lid met ten hoogste zes maanden verlengen, indien er sprake is van:

    1. complexe feitelijke of juridische kwesties; of

    2. de vertraging in de behandeling van de aanvraag om een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28 duidelijk en uitsluitend kan worden toegeschreven aan het feit dat de vreemdeling de krachtens artikel 9 van de Procedureverordening op hem rustende verplichtingen niet nakomt.

  4. De vreemdeling wordt niet in vreemdelingenbewaring gesteld om de enkele reden dat hij een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28 heeft ingediend of op basis van zijn nationaliteit. De vreemdelingenbewaring mag niet bestraffend van aard zijn.

  5. In afwijking van het eerste lid, wordt een minderjarige vreemdeling in de regel niet in vreemdelingenbewaring gesteld. In uitzonderlijke omstandigheden kunnen minderjarigen als maatregel in laatste instantie en nadat is gebleken dat minder dwingende alternatieve maatregelen niet doeltreffend kunnen worden toegepast, en nadat overeenkomstig artikel 26 van de Opvangrichtlijn is beoordeeld dat vreemdelingenbewaring in hun belang is, voor zo kort mogelijke duur in vreemdelingenbewaring worden gehouden:

    1. in het geval van begeleide minderjarigen, wanneer de ouder of hoofdverzorger van de minderjarige in vreemdelingenbewaring wordt gehouden, of

    2. in het geval van niet-begeleide minderjarigen, wanneer de minderjarige door de vreemdelingenbewaring wordt beschermd.

Artikel 59c

Gewijzigd

Onze Minister stelt een vreemdeling slechts in bewaringvreemdelingenbewaring op grond van artikel 59, 59a of 59b, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast.

BewaringVreemdelingenbewaring van een vreemdeling blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de bewaring.vreemdelingenbewaring.

In het besluit tot vrijheidsontneming of vreemdelingenbewaring op grond van de artikelen 6, 6a, 59, 59a of 59b vermeldt Onze Minister de feitelijke en juridische gronden waarop de vreemdelingenbewaring is gebaseerd en de reden dat geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast, bedoeld in het eerste lid.

Nieuwe tekst
  1. Onze Minister stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59, 59a of 59b, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast.

  2. Vreemdelingenbewaring van een vreemdeling blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.

  3. In het besluit tot vrijheidsontneming of vreemdelingenbewaring op grond van de artikelen 6, 6a, 59, 59a of 59b vermeldt Onze Minister de feitelijke en juridische gronden waarop de vreemdelingenbewaring is gebaseerd en de reden dat geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 60

Gewijzigd

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gegeven omtrent de toepassing van dit hoofdstuk. Daarbij kan worden voorzien in de mogelijkheid van verhaal van de kosten van bewaringvreemdelingenbewaring op de vreemdeling zelf en, indien hij minderjarig is, op degenen die het wettig gezag over hem uitoefenen.

Nieuwe tekst

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gegeven omtrent de toepassing van dit hoofdstuk. Daarbij kan worden voorzien in de mogelijkheid van verhaal van de kosten van vreemdelingenbewaring op de vreemdeling zelf en, indien hij minderjarig is, op degenen die het wettig gezag over hem uitoefenen.

Artikel 62

Gewijzigd

Onze Minister kan de voor een vreemdeling geldende termijn, bedoeld in het eerste lid, verkorten, dan wel, in afwijking van het eerste lid, bepalen dat een vreemdeling Nederland onmiddellijk moet verlaten, indien:

er een risicoonderduikrisico bestaat dat de vreemdeling zich aan het toezicht zal onttrekken;bestaat;

de aanvraag van de vreemdeling tot het verlenen van een verblijfsvergunning of tot het verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning is afgewezen als kennelijk ongegrond of wegens het verstrekken van onjuiste of onvolledige gegevens; of

Nieuwe tekst
  1. Nadat tegen de vreemdeling, niet zijnde gemeenschapsonderdaan, een terugkeerbesluit is uitgevaardigd, dient hij Nederland uit eigen beweging binnen vier weken te verlaten.

  2. Onze Minister kan de voor een vreemdeling geldende termijn, bedoeld in het eerste lid, verkorten, dan wel, in afwijking van het eerste lid, bepalen dat een vreemdeling Nederland onmiddellijk moet verlaten, indien:

    1. er een onderduikrisico bestaat;

    2. de aanvraag van de vreemdeling tot het verlenen van een verblijfsvergunning of tot het verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning is afgewezen als kennelijk ongegrond of wegens het verstrekken van onjuiste of onvolledige gegevens; of

    3. de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde, de openbare veiligheid of de nationale veiligheid.

  3. Nadat het rechtmatig verblijf van de gemeenschapsonderdaan is geëindigd, dient hij Nederland uit eigen beweging binnen een maand na de kennisgeving daarvan te verlaten. Onze Minister kan deze termijn verkorten in naar behoren aangetoonde dringende gevallen.

  4. Onze Minister kan de voor een vreemdeling geldende termijnen, bedoeld in het eerste en derde lid, verlengen, rekening houdend met de specifieke omstandigheden van het individuele geval. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over de duur van de verlenging en worden de gevallen aangewezen waarin de termijn kan worden verlengd.

Artikel 62b

Gewijzigd

Onze Minister stelt de vreemdeling die kan worden overgedragen op grond van de DublinverordeningAsiel- en migratiebeheerverordening schriftelijk in kennis van het besluit om hem over te dragen aan de verantwoordelijke lidstaat.

De kennisgeving, bedoeld in het eerste lid, geldt als een overdrachtsbesluit.

Nieuwe tekst
  1. Onze Minister stelt de vreemdeling die kan worden overgedragen op grond van de Asiel- en migratiebeheerverordening schriftelijk in kennis van het besluit om hem over te dragen aan de verantwoordelijke lidstaat.

  2. De kennisgeving, bedoeld in het eerste lid, geldt als een overdrachtsbesluit.

Artikel 62c

Gewijzigd

Nadat tegen de vreemdeling een overdrachtsbesluit is uitgevaardigd, dient hij Nederland uit eigen beweging binnen vier weken te verlaten.

Artikel 62, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.

Onze Minister kan, in afwijking van het eerste en tweede lid, de voor een vreemdeling geldende termijn verkorten dan wel bepalen dat een vreemdeling Nederland onmiddellijk moet verlaten, indien dit noodzakelijk is ten behoeve van het realiseren van de overdracht binnen zes maanden na het akkoord van de verantwoordelijke lidstaat.

Het rechtmatig verblijf op grond van artikel 8, onder m, eindigt van rechtswege nadat de vreemdeling Nederland kennelijk uit eigen beweging heeft verlaten, dan wel de feitelijke overdracht is gerealiseerd.

Nieuwe tekst

Het rechtmatig verblijf op grond van artikel 8, onder m, eindigt van rechtswege nadat de vreemdeling Nederland kennelijk uit eigen beweging heeft verlaten, dan wel de feitelijke overdracht is gerealiseerd.

Artikel 63a

Gewijzigd

De vreemdeling tegen wie een overdrachtsbesluit is uitgevaardigduitgevaardigd, kan overeenkomstig artikel 46, eerste lid, van de Asiel- en die Nederland niet binnen de in artikel 62c bedoelde termijn uit eigen beweging heeft verlaten, kanmigratiebeheerverordening door Onze Minister worden overgedragen aan eende verantwoordelijke lidstaat in de zin van de Dublinverordening.Asiel- en migratiebeheerverordening.

Nieuwe tekst

De vreemdeling tegen wie een overdrachtsbesluit is uitgevaardigd, kan overeenkomstig artikel 46, eerste lid, van de Asiel- en migratiebeheerverordening door Onze Minister worden overgedragen aan de verantwoordelijke lidstaat in de zin van de Asiel- en migratiebeheerverordening.

Artikel 69

Gewijzigd

In afwijking van artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift vier weken.

In afwijking van het eerste lidlid, bedraagt de beroepstermijn één week, indien de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28:beroepstermijn:

iséén afgewezenweek, binnenindien de aanvraag tot het verlenen van een bijverblijfsvergunning algemeneasiel maatregelals vanbedoeld bestuurin teartikel bepalen aantal dagen, dat niet de dagen van de rust- en voorbereidingstermijn omvat;28:

niet1°niet in behandeling is genomen op grond van artikel 30;

niet-ontvankelijk2°niet-ontvankelijk is verklaard op grond van artikel 30a;

is3°is afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b; of

buiten4°buiten behandeling is gesteld op grond van artikel 30c.30c, eerste lid, onderdeel b; of

In5°buiten afwijkingbehandeling is gesteld op grond van artikel 6:730c, vaneerste delid, Algemeneonderdeel weta, bestuursrecht isen het instellen van beroep alszich bedoeldricht in de artikelen 94 en 96 tegen een besluit als bedoeld in artikel 93 niet aan enige termijn gebonden. De termijn voortot het instellendaarmee vansamenhangende het hoger beroep, bedoeld in artikel 95, bedraagt één week.terugkeerbesluit.

twee weken, indien:

1°de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28 is ingewilligd op grond van artikel 29a;

2°de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28 is afgewezen als ongegrond op grond van artikel 31; of

3°de verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28 is ingetrokken op grond van artikel 32.

In afwijking van artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht is het instellen van beroep als bedoeld in artikel 96 tegen een besluit als bedoeld in artikel 93 niet aan enige termijn gebonden. De termijn voor het instellen van het hoger beroep, bedoeld in artikel 95, bedraagt één week.

In afwijking van het eerste lid bedraagt de beroepstermijn één week, indien een overdrachtsbesluit is genomen op grond van artikel 62b.

In afwijking van het eerste lid bedraagt de beroepstermijn één week, indien een overdrachtsbesluit is genomen op grond van artikel 62b.

In afwijking van het eerste lid, bedraagt de termijn voor het instellen van hoger beroep:

twee weken, in de gevallen bedoeld in het tweede lid, onderdeel a; of

vier weken, in de gevallen bedoeld in het tweede lid, onderdeel b.

Het verzoek om een voorlopige voorziening, bedoeld in artikel 68, vierde lid, van de Procedureverordening, wordt ingediend binnen een week na de bekendmaking van het besluit tot afwijzing van de asielaanvraag of het besluit tot intrekking van de verblijfsvergunning asiel, bedoeld in de artikelen 29 of 29a, in de gevallen, bedoeld in artikel 68, derde lid, van de Procedureverordening.

Het verzoek om een voorlopige voorziening om de uitvoering van het overdrachtsbesluit op te schorten, bedoeld in artikel 43, derde lid, van de Asiel- en migratiebeheerverordening, wordt gelijktijdig ingediend met het beroepschrift tegen een overdrachtsbesluit als bedoeld in artikel 44a, of artikel 62b. Overeenkomstig artikel 43, derde lid, van de Asiel- en migratiebeheerverordening wordt de uitvoering van een overdrachtsbesluit als bedoeld in artikel 44a of 62b niet opgeschort indien de vreemdeling geen verzoek om een voorlopige voorziening heeft ingediend.

Nieuwe tekst
  1. In afwijking van artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift vier weken.

  2. In afwijking van het eerste lid, bedraagt de beroepstermijn:

    1. één week, indien de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28:

      1. 1°

        niet in behandeling is genomen op grond van artikel 30;

      2. 2°

        niet-ontvankelijk is verklaard op grond van artikel 30a;

      3. 3°

        is afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b;

      4. 4°

        buiten behandeling is gesteld op grond van artikel 30c, eerste lid, onderdeel b; of

      5. 5°

        buiten behandeling is gesteld op grond van artikel 30c, eerste lid, onderdeel a, en het beroep zich richt tot het daarmee samenhangende terugkeerbesluit.

    2. twee weken, indien:

      1. 1°

        de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28 is ingewilligd op grond van artikel 29a;

      2. 2°

        de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28 is afgewezen als ongegrond op grond van artikel 31; of

      3. 3°

        de verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28 is ingetrokken op grond van artikel 32.

  3. In afwijking van artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht is het instellen van beroep als bedoeld in artikel 96 tegen een besluit als bedoeld in artikel 93 niet aan enige termijn gebonden. De termijn voor het instellen van het hoger beroep, bedoeld in artikel 95, bedraagt één week.

  4. In afwijking van het eerste lid bedraagt de beroepstermijn één week, indien een overdrachtsbesluit is genomen op grond van artikel 62b.

  5. In afwijking van het eerste lid, bedraagt de termijn voor het instellen van hoger beroep:

    1. twee weken, in de gevallen bedoeld in het tweede lid, onderdeel a; of

    2. vier weken, in de gevallen bedoeld in het tweede lid, onderdeel b.

  6. Het verzoek om een voorlopige voorziening, bedoeld in artikel 68, vierde lid, van de Procedureverordening, wordt ingediend binnen een week na de bekendmaking van het besluit tot afwijzing van de asielaanvraag of het besluit tot intrekking van de verblijfsvergunning asiel, bedoeld in de artikelen 29 of 29a, in de gevallen, bedoeld in artikel 68, derde lid, van de Procedureverordening.

  7. Het verzoek om een voorlopige voorziening om de uitvoering van het overdrachtsbesluit op te schorten, bedoeld in artikel 43, derde lid, van de Asiel- en migratiebeheerverordening, wordt gelijktijdig ingediend met het beroepschrift tegen een overdrachtsbesluit als bedoeld in artikel 44a, of artikel 62b. Overeenkomstig artikel 43, derde lid, van de Asiel- en migratiebeheerverordening wordt de uitvoering van een overdrachtsbesluit als bedoeld in artikel 44a of 62b niet opgeschort indien de vreemdeling geen verzoek om een voorlopige voorziening heeft ingediend.

Artikel 73

Gewijzigd

21, eerste lid, onder c of d;

artikel 22, tweedeeerste lid, onder c of d;

45b, tweede lid, onder d of e.

Het eerste lid is evenmin van toepassing indien de vreemdeling rechtens zijn vrijheid is of wordt ontnomen op grond van artikel 59, 59a of 59b.

Het eerste lid is, voor zover het betreft de opschortende werking gedurende de termijn voor het maken van bezwaar of het instellen van administratief beroep zolang geen bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, niet van toepassing op de verplichting, bedoeld in artikel 62, eerste of derde lid of artikel 62c, eerste lid.

Nieuwe tekst
  1. De werking van het besluit tot afwijzing van de aanvraag of de intrekking van de verblijfsvergunning wordt opgeschort totdat de termijn voor het maken van bezwaar of het instellen van administratief beroep is verstreken of, indien bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, totdat op het bezwaar of administratief beroep is beslist.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing indien de aanvraag is afgewezen dan wel de verblijfsvergunning is ingetrokken op de grond, bedoeld in artikel:

    1. 16, eerste lid, onder a of d;

    2. 18, eerste lid, onder e, en indien het een gecombineerde vergunning betreft, onder g;

    3. 21, eerste lid, onder c of d;

    4. artikel 22, eerste lid, onder c of d;

    5. 45b, tweede lid, onder d of e.

  3. Het eerste lid is voorts niet van toepassing indien het besluit inhoudt de afwijzing van een herhaalde aanvraag of indien het bezwaarschrift of het administratief beroepschrift niet tijdig is ingediend.

  4. Het eerste lid is evenmin van toepassing indien de vreemdeling rechtens zijn vrijheid is of wordt ontnomen op grond van artikel 59, 59a of 59b.

  5. Het eerste lid is, voor zover het betreft de opschortende werking gedurende de termijn voor het maken van bezwaar of het instellen van administratief beroep zolang geen bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, niet van toepassing op de verplichting, bedoeld in artikel 62, eerste of derde lid.

Artikel 79

Gewijzigd

Deze afdeling is slechts van toepassing indien beroep wordt ingesteld tegen:

een besluit omtrent een verblijfsvergunning als bedoeld in deartikel artikelen 28 en 33;28;

een besluit omtrent een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen van een vreemdeling die in het bezit is van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 of artikel 33;28;

een besluit omtrent de intrekking van een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen van een vreemdeling op wiens document, bedoeld in artikel 9, de aantekening, bedoeld in artikel 45c, eerste lid, is geplaatst dan wel omtrent het wijzigen of schrappen van die aantekening;

een besluit omtrent de intrekking van een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen van een vreemdeling op wiens document, bedoeld in artikel 9, de aantekening, bedoeld in artikel 45c, eerste lid, is geplaatst dan wel omtrent het wijzigen of schrappen van die aantekening;

een besluit omtrent tijdelijke bescherming of toepassing van artikel 45, vierde lid, indien de vreemdeling in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze over het voornemen van dat besluit te geven.geven;

een besluit om niet ambtshalve een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 14 te verlenen dan wel een besluit om de uitzetting of overdracht niet op grond van artikel 64 achterwege te laten dat tegelijkertijd met een besluit omtrent een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 is genomen, mits de vreemdeling bij de voorbereiding van laatstgenoemd besluit in de gelegenheid is gesteld omstandigheden aan te voeren die daarvoor relevant kunnen zijn.

Deze afdeling is van overeenkomstige toepassing indien beroep wordt ingesteld tegen een besluit als bedoeld in de artikelen 43 en 45, vierde lid.

Deze afdeling is van overeenkomstige toepassing indien beroep wordt ingesteld tegen een besluit als bedoeld in de artikelen 43 en 45, vierde lid.

Deze afdeling is van overeenkomstige toepassing indien in de voornemenprocedure, bedoeld in de artikelen 39 enartikel 41, de vreemdeling tevens in de gelegenheid is gesteld om zijn zienswijze te geven over het voornemen niet ambtshalve een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 14 te verlenen dan wel over het voornemen om de uitzetting of overdracht niet op grond van artikel 64 achterwege te laten.

Nieuwe tekst
  1. Deze afdeling is slechts van toepassing indien beroep wordt ingesteld tegen:

    1. een besluit omtrent een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28;

    2. een besluit omtrent een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen van een vreemdeling die in het bezit is van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28;

    3. een besluit omtrent de intrekking van een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen van een vreemdeling op wiens document, bedoeld in artikel 9, de aantekening, bedoeld in artikel 45c, eerste lid, is geplaatst dan wel omtrent het wijzigen of schrappen van die aantekening;

    4. een besluit omtrent tijdelijke bescherming of toepassing van artikel 45, vierde lid, indien de vreemdeling in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze over het voornemen van dat besluit te geven;

    5. een besluit om niet ambtshalve een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 14 te verlenen dan wel een besluit om de uitzetting of overdracht niet op grond van artikel 64 achterwege te laten dat tegelijkertijd met een besluit omtrent een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 is genomen, mits de vreemdeling bij de voorbereiding van laatstgenoemd besluit in de gelegenheid is gesteld omstandigheden aan te voeren die daarvoor relevant kunnen zijn.

  2. Deze afdeling is van overeenkomstige toepassing indien beroep wordt ingesteld tegen een besluit als bedoeld in de artikelen 43 en 45, vierde lid.

  3. Deze afdeling is van overeenkomstige toepassing indien in de voornemenprocedure, bedoeld in artikel 41, de vreemdeling tevens in de gelegenheid is gesteld om zijn zienswijze te geven over het voornemen niet ambtshalve een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 14 te verlenen dan wel over het voornemen om de uitzetting of overdracht niet op grond van artikel 64 achterwege te laten.

Artikel 80

Gewijzigd

⚠In Ditafwijking van artikel is8:1 vervallen.Vervallenvan de Algemene wet bestuursrecht kan geen beroep worden ingesteld tegen:

het besluit tot afsluiting, dat is genomen met toepassing van artikel 32, zesde lid; of

het besluit tot buitenbehandelingstelling, bedoeld in artikel 30c, eerste lid, onderdeel a.

Nieuwe tekst

In afwijking van artikel 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht kan geen beroep worden ingesteld tegen:

  1. het besluit tot afsluiting, dat is genomen met toepassing van artikel 32, zesde lid; of

  2. het besluit tot buitenbehandelingstelling, bedoeld in artikel 30c, eerste lid, onderdeel a.

Artikel 82

Gewijzigd

DeOnverminderd artikel 68, eerste en tweede lid, van de Procedureverordening, wordt de werking van het besluit omtrent een verblijfsvergunning wordtasiel als bedoeld in artikel 28 opgeschort totdat de beroepstermijn is verstreken of, indien beroep is ingesteld, op het beroep is beslist.

Het eerste lid is niet van toepassing, indien:

Het eerste lid is niet van toepassing, indien:

deartikel aanvraag68, nietderde in behandeling is genomen op grondlid, van artikelde 30;Procedureverordening van toepassing is;

deartikel aanvraag43, niet-ontvankelijkderde is verklaard op grondlid, van artikelde 30a,Asiel- meten uitzonderingmigratiebeheerverordening van artikeltoepassing 30a, eerste lid, onderdeel c;is;

de aanvraag is afwezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, met uitzondering van artikel 30b, eerste lid, onderdeel h;

de aanvraag buiten behandeling is gesteld op grond van artikel 30c;

de aanvraag is afgewezen met toepassing van artikel 4:6 van de Awb, onder verwijzing naar een besluit waarin met toepassing van de Dublinverordening is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag; of

het een besluit als bedoeld in artikel 43 of 45, vierde lid, betreft.

het een besluit als bedoeld in artikel 43 of 45, vierde lid, betreft.

Het eerste lid is niet van toepassing indien het beroepschrift niet tijdig is ingediend.

Het eerste lid is, voor zover het betreft de opschortende werking gedurende de beroepstermijn zolang geen beroep is ingesteld, niet van toepassing op de verplichting, bedoeld in artikel 62, eerste of derde lid.

Het tweede lid, onder a en b, en het derde lid zijn niet van toepassing, indien de vreemdeling tijdelijke bescherming heeft.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld omtrent het recht om al dan niet in afwachting van de uitspraak op een verzoek om een voorlopige voorziening in Nederland te mogen verblijven.

Nieuwe tekst
  1. Onverminderd artikel 68, eerste en tweede lid, van de Procedureverordening, wordt de werking van het besluit omtrent een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28 opgeschort totdat de beroepstermijn is verstreken of, indien beroep is ingesteld, op het beroep is beslist.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing, indien:

    1. artikel 68, derde lid, van de Procedureverordening van toepassing is;

    2. artikel 43, derde lid, van de Asiel- en migratiebeheerverordening van toepassing is;

    3. het een besluit als bedoeld in artikel 43 of 45, vierde lid, betreft.

  3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld omtrent het recht om al dan niet in afwachting van de uitspraak op een verzoek om een voorlopige voorziening in Nederland te mogen verblijven.

Artikel 83

Gewijzigd

Met de in het eerste lid bedoelde gegevens wordt slechts rekening gehouden indien deze relevant kunnen zijn voor:

de beschikking omtrent de verblijfsvergunning, bedoeld in deartikel artikelen 28 en 33;28;

de beschikking omtrent de EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen van een vreemdeling die in het bezit is van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 of 33;28;

een besluit omtrent de intrekking van een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen van een vreemdeling op wiens document, bedoeld in artikel 9, de aantekening, bedoeld in artikel 45c, eerste lid, is geplaatst dan wel omtrent het wijzigen of schrappen van die aantekening;

aan een schriftelijke reactie redelijkerwijs geen behoefte bestaat;

deze gegevens niet relevant kunnen zijn voor de beschikking omtrent de verblijfsvergunning, bedoeld in de artikelenartikel 28 en 33 of de EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen van een vreemdeling die in het bezit is van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 of 33,28, een beschikking omtrent de intrekking van de EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen van een vreemdeling op wiens document, bedoeld in artikel 9, de aantekening, bedoeld in artikel 45c, eerste lid, is geplaatst, of omtrent de ambtshalve verlening van een vergunning als bedoeld in artikel 14, dan wel het achterwege laten van de uitzetting of overdracht op grond van artikel 64;

de goede procesorde zich daartegen verzet of de afdoening van de zaak daardoor ontoelaatbaar wordt vertraagd.

Nieuwe tekst
  1. De rechtbank houdt bij de beoordeling van het beroep rekening met:

    1. feiten en omstandigheden die na het bestreden besluit zijn aangevoerd, en

    2. wijzigingen van beleid die na het bestreden besluit zijn bekendgemaakt.

  2. Met de in het eerste lid bedoelde gegevens wordt slechts rekening gehouden indien deze relevant kunnen zijn voor:

    1. de beschikking omtrent de verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 28;

    2. de beschikking omtrent de EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen van een vreemdeling die in het bezit is van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28;

    3. een besluit omtrent de intrekking van een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen van een vreemdeling op wiens document, bedoeld in artikel 9, de aantekening, bedoeld in artikel 45c, eerste lid, is geplaatst dan wel omtrent het wijzigen of schrappen van die aantekening;

    4. de ambtshalve verlening van een vergunning als bedoeld in artikel 14, dan wel het achterwege laten van de uitzetting of overdracht op grond van artikel 64.

  3. Met de in het eerste lid bedoelde gegevens wordt geen rekening gehouden voor zover de goede procesorde zich daartegen verzet of de afdoening van de zaak daardoor ontoelaatbaar wordt vertraagd.

  4. Indien de indiener van het beroepschrift zich beroept op feiten of omstandigheden als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, maar deze niet aanstonds aannemelijk maakt, stelt de rechtbank hem zo nodig in de gelegenheid deze feiten of omstandigheden binnen een door de rechtbank te bepalen termijn alsnog aannemelijk te maken, tenzij de goede procesorde zich daartegen verzet of de afdoening van de zaak daardoor ontoelaatbaar wordt vertraagd.

  5. Onze Minister laat de wederpartij en de rechtbank zo spoedig mogelijk schriftelijk weten of de gegevens, bedoeld in het eerste lid, aanleiding zijn voor handhaving, wijziging of intrekking van het bestreden besluit. De rechtbank kan daarvoor een termijn stellen.

  6. Indien Onze Minister zich beroept op gegevens als bedoeld in het eerste lid, biedt de rechtbank de vreemdeling de gelegenheid om daarop schriftelijk te reageren.

  7. Het vijfde en zesde lid zijn niet van toepassing indien:

    1. aan een schriftelijke reactie redelijkerwijs geen behoefte bestaat;

    2. deze gegevens niet relevant kunnen zijn voor de beschikking omtrent de verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 28 of de EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen van een vreemdeling die in het bezit is van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28, een beschikking omtrent de intrekking van de EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen van een vreemdeling op wiens document, bedoeld in artikel 9, de aantekening, bedoeld in artikel 45c, eerste lid, is geplaatst, of omtrent de ambtshalve verlening van een vergunning als bedoeld in artikel 14, dan wel het achterwege laten van de uitzetting of overdracht op grond van artikel 64;

    3. de goede procesorde zich daartegen verzet of de afdoening van de zaak daardoor ontoelaatbaar wordt vertraagd.

Artikel 83a

Gewijzigd

DeOvereenkomstig artikel 67, derde lid, van de Procedureverordening omvat de toetsing van de rechtbank omvat een volledig en ex nunc onderzoek naar zowel de feitelijke als de juridische gronden, met inbegrip van, indien van toepassing, een onderzoek naar de behoefte aan internationale bescherming.

Nieuwe tekst

Overeenkomstig artikel 67, derde lid, van de Procedureverordening omvat de toetsing van de rechtbank een volledig en ex nunc onderzoek naar zowel de feitelijke als de juridische gronden, met inbegrip van, indien van toepassing, een onderzoek naar de behoefte aan internationale bescherming.

Artikel 83b

Gewijzigd

IndienDe de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 is afgewezen binnen een bij algemene maatregel van bestuur te bepalen aantal dagen, dat niet de dagen van de rust- en voorbereidingstermijn omvat,rechtbank doet de rechtbank binnen vier weken na het instellen van het beroep uitspraak.uitspraak, indien:

Indien de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijdasiel als bedoeld in artikel 28 is afgewezen in andere dan de in het eerste lid bedoelde gevallen, doet de rechtbank binnen drieëntwintig weken na het instellen van het beroep uitspraak.28:

In1°niet afwijkingin behandeling is genomen op grond van hetartikel tweede lid doet de rechtbank binnen vier weken na het instellen van het beroep uitspraak, indien de aanvraag:30;

niet in behandeling2°niet-ontvankelijk is genomenverklaard op grond van artikel 30;30a;

niet-ontvankelijk3°is isafgewezen verklaardals kennelijk ongegrond op grond van artikel 30a;30b;

4°buiten behandeling is afgewezen als kennelijk ongegrondgesteld op grond van artikel 30b;30c; of

ishet afgewezenberoep metzich toepassingricht vantegen een overdrachtsbesluit als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb, onder verwijzing naar een besluit waarin met toepassing van de Dublinverordening is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag; of62b.

buitenIn behandelingafwijking van het eerste lid, doet de rechtbank uitspraak binnen twaalf weken, dan wel zestien weken indien artikel 67, elfde lid van de Asiel- en migratiebeheerverordening van toepassing is, gerekend vanaf de datum van registratie van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28, indien de aanvraag is gesteldbehandeld opin grondde vanasielgrensprocedure. artikelDeze 30c.termijn kan niet worden verlengd.

In afwijking van het eerste lid, doet de rechtbank uitspraak binnen drieëntwintig weken na het instellen van het beroep, indien:

de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28 is ingewilligd op grond van artikel 29a;

de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28 is afgewezen als ongegrond op grond van artikel 31; of

de verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28 is ingetrokken op grond van artikel 32.

In de gevallen, bedoeld in het eerste en derde lid, is artikel 8:52, tweede en derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht van overeenkomstige toepassing.

Nieuwe tekst
  1. De rechtbank doet binnen vier weken na het instellen van het beroep uitspraak, indien:

    1. de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28:

      1. 1°

        niet in behandeling is genomen op grond van artikel 30;

      2. 2°

        niet-ontvankelijk is verklaard op grond van artikel 30a;

      3. 3°

        is afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b;

      4. 4°

        buiten behandeling is gesteld op grond van artikel 30c; of

    2. het beroep zich richt tegen een overdrachtsbesluit als bedoeld in artikel 62b.

  2. In afwijking van het eerste lid, doet de rechtbank uitspraak binnen twaalf weken, dan wel zestien weken indien artikel 67, elfde lid van de Asiel- en migratiebeheerverordening van toepassing is, gerekend vanaf de datum van registratie van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28, indien de aanvraag is behandeld in de asielgrensprocedure. Deze termijn kan niet worden verlengd.

  3. In afwijking van het eerste lid, doet de rechtbank uitspraak binnen drieëntwintig weken na het instellen van het beroep, indien:

    1. de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28 is ingewilligd op grond van artikel 29a;

    2. de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28 is afgewezen als ongegrond op grond van artikel 31; of

    3. de verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28 is ingetrokken op grond van artikel 32.

  4. In de gevallen, bedoeld in het eerste en derde lid, is artikel 8:52, tweede en derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht van overeenkomstige toepassing.

Artikel 83ba

Nieuw

In afwijking van artikel 8:84 van de Algemene wet bestuursrecht doet de voorzieningenrechter overeenkomstig artikel 43, derde lid, van de Asiel- en migratiebeheerverordening uitspraak binnen een maand na ontvangst van het verzoek om voorlopige voorziening dat strekt tot opschorting van de uitvoering van een overdrachtsbesluit als bedoeld in de artikelen 44a of 62b.

Indien de voorzieningenrechter de voorlopige voorziening heeft toegewezen, tracht de rechtbank, in afwijking van artikel 83b, eerste lid, onderdeel a, subonderdeel 1°, en onderdeel b, overeenkomstig artikel 43, derde lid, van de Asiel- en migratiebeheerverordening binnen een maand uitspraak te doen in de hoofdzaak.

Nieuwe tekst
  1. In afwijking van artikel 8:84 van de Algemene wet bestuursrecht doet de voorzieningenrechter overeenkomstig artikel 43, derde lid, van de Asiel- en migratiebeheerverordening uitspraak binnen een maand na ontvangst van het verzoek om voorlopige voorziening dat strekt tot opschorting van de uitvoering van een overdrachtsbesluit als bedoeld in de artikelen 44a of 62b.

  2. Indien de voorzieningenrechter de voorlopige voorziening heeft toegewezen, tracht de rechtbank, in afwijking van artikel 83b, eerste lid, onderdeel a, subonderdeel 1°, en onderdeel b, overeenkomstig artikel 43, derde lid, van de Asiel- en migratiebeheerverordening binnen een maand uitspraak te doen in de hoofdzaak.

Artikel 83bb

Nieuw

De opname van het persoonlijk onderhoud of een schriftelijke weergave daarvan, bedoeld in artikel 14 van de Procedureverordening, wordt als bewijs toegelaten in de beroepsprocedure bij de rechtbank.

Nieuwe tekst

De opname van het persoonlijk onderhoud of een schriftelijke weergave daarvan, bedoeld in artikel 14 van de Procedureverordening, wordt als bewijs toegelaten in de beroepsprocedure bij de rechtbank.

Artikel 83bc

Nieuw

Indien de rechtbank toepassing geeft aan artikel 8:72, vierde lid, onderdeel b, van de Algemene wet bestuursrecht, stelt de rechtbank de termijn vast op:

ten hoogste zes weken, in de gevallen, bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de Procedureverordening;

ten hoogste tien weken, in de gevallen, bedoeld in artikel 35, derde lid, van de Procedureverordening; of

ten hoogste vijf maanden, in de gevallen, bedoeld in artikel 35, vierde lid, van de Procedureverordening.

Nieuwe tekst

Indien de rechtbank toepassing geeft aan artikel 8:72, vierde lid, onderdeel b, van de Algemene wet bestuursrecht, stelt de rechtbank de termijn vast op:

  1. ten hoogste zes weken, in de gevallen, bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de Procedureverordening;

  2. ten hoogste tien weken, in de gevallen, bedoeld in artikel 35, derde lid, van de Procedureverordening; of

  3. ten hoogste vijf maanden, in de gevallen, bedoeld in artikel 35, vierde lid, van de Procedureverordening.

Artikel 83c

Gewijzigd

als bedoeld in artikel 95, eerste lid;

inzake een terugkeerbesluit of een inreisverbod, tenzij dat besluit of verbod deel uitmaakt van of wordt opgelegd tegelijk met het besluit op een aanvraag om een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 14, 20, 2820 of 33,28, dan wel ingevolge artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht wordt betrokken bij het hoger beroep tegen een dergelijk besluit.

Nieuwe tekst
  1. Op het hoger beroep zijn de titels 8.1 tot en met 8.3 van de Algemene wet bestuursrecht van overeenkomstige toepassing, met uitzondering van de artikelen 8:1 tot en met 8:5, 8:6, eerste lid, 8:7 tot en met 8:9, 8:10a, eerste tot en met derde lid, 8:13, 8:41, tweede lid, 8:54, tweede lid, 8:55, en 8:74, voor zover in deze wet niet anders is bepaald.

  2. Artikel 8:108, eerste en derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing.

  3. Deze afdeling, met uitzondering van artikel 86, is van overeenkomstige toepassing op het incidenteel hoger beroep. Voor zover nodig in afwijking van artikel 8:110 van de Algemene wet bestuursrecht zijn de termijnen voor het instellen van incidenteel hoger beroep als bedoeld in het tweede lid van dat artikel en voor het naar voren brengen van de zienswijze, bedoeld in het derde lid van dat artikel, gelijk aan de termijn voor het instellen van hoger beroep.

  4. De artikelen 8:110 tot en met 8:112 van de Algemene wet bestuursrecht zijn niet van toepassing op een hoger beroep:

    1. als bedoeld in artikel 95, eerste lid;

    2. inzake een terugkeerbesluit of een inreisverbod, tenzij dat besluit of verbod deel uitmaakt van of wordt opgelegd tegelijk met het besluit op een aanvraag om een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 14, 20 of 28, dan wel ingevolge artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht wordt betrokken bij het hoger beroep tegen een dergelijk besluit.

Artikel 93

Gewijzigd

Een aanwijzing op grond van artikel 6, eerste, tweede of derde lid, artikel 6a, of op grond van artikel 55, eerste lid, een beslissing op grond van artikel 55.0a, de ophouding en de verlenging van de ophouding bedoeld in artikel 50, tweede, derde en vierde lid, de ophouding bedoeld in artikel 50a, eerste lid, en een ingevolge hoofdstuk 5 van deze wet genomen maatregel strekkende tot vrijheidsbeperking of vrijheidsontneming worden voor de toepassing van artikel 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht gelijkgesteld met een besluit.

In afwijking van artikel 8:41 van de Algemene wet bestuursrecht wordt door de griffier geen griffierecht geheven.

Nieuwe tekst
  1. Een aanwijzing op grond van artikel 6, eerste, tweede of derde lid, artikel 6a, of op grond van artikel 55, eerste lid, een beslissing op grond van artikel 55.0a, de ophouding en de verlenging van de ophouding bedoeld in artikel 50, tweede, derde en vierde lid, de ophouding bedoeld in artikel 50a, eerste lid, en een ingevolge hoofdstuk 5 van deze wet genomen maatregel strekkende tot vrijheidsbeperking of vrijheidsontneming worden voor de toepassing van artikel 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht gelijkgesteld met een besluit.

  2. In afwijking van artikel 8:41 van de Algemene wet bestuursrecht wordt door de griffier geen griffierecht geheven.

Artikel 94

Gewijzigd

Uiterlijk op de achtentwintigste dagOnverwijld na de bekendmaking van een besluit tot oplegging van een vrijheidsontnemende maatregel als bedoeld in de artikelen 6, 6a, 58, 59, 59a en 59b, stelt Onze Minister de rechtbank hiervan in kennis, tenzij de vreemdeling voordien zelf beroep heeft ingesteld.kennis. Zodra de rechtbank de kennisgeving heeft ontvangen wordt de vreemdeling geacht beroep te hebben ingesteld tegen het besluit tot oplegging van een vrijheidsontnemende maatregel. Het beroep strekt tevens tot een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

Indien aan de vreemdeling, bedoeld in het eerste lid, een besluit tot weigering van toegang tot Nederland is uitgereikt, wordt het beroep, bedoeld in het eerste lid, geacht mede een beroep tegen dit besluit te omvatten.

Het tweede lid is niet van toepassing indien tussen de uitreiking van het besluit tot weigering van toegang tot Nederland en het opleggen van de vrijheidsontnemende maatregel meer dan achtentwintig dagen zijn verstreken.

De rechtbank bepaalt onmiddellijk het tijdstip van het onderzoek ter zitting. De zitting vindt uiterlijk op de veertiende dag na ontvangst van het beroepschrift dan wel de kennisgeving plaats. De rechtbank roept de vreemdeling op om in persoon dan wel in persoon of bij raadsman en Onze Minister om bij gemachtigde te verschijnen teneinde te worden gehoord. In afwijking van artikel 8:42, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan de in dat artikel bedoelde termijn niet worden verlengd.

De rechtbank doet mondeling of schriftelijk uitspraak. De schriftelijketermijn waarbinnen de rechtbank uitspraak wordtdoet binnenbedraagt zeventen hoogste vijftien dagen, dan wel ten hoogste eenentwintig dagen nain uitzonderlijke omstandigheden en vangt aan op de sluitingdag van de oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel, bedoeld in het onderzoekeerste gedaan.lid. In afwijking van artikel 8:66, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan de in dat artikel bedoelde termijn niet worden verlengd. Indien de rechtbank op het beroep tegen een besluit tot oplegging van een vrijheidsontnemende maatregel als bedoeld in de artikelen 6, derde lid, 6a, 59a of 59b geen uitspraak heeft gedaan binnen eenentwintig dagen na de dag van de oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel wordt de maatregel onmiddellijk opgeheven.

Indien de rechtbank bij het beroep van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel in strijd is met deze wet dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen niet gerechtvaardigd is, verklaart zij het beroep gegrond. In dat geval beveelt de rechtbank de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.

Indien de rechtbank bij het beroep van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel in strijd is met deze wet dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen niet gerechtvaardigd is, verklaart zij het beroep gegrond. In dat geval beveelt de rechtbank de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.

Het eerste, vijfde en zesde lid zijn van overeenkomstige toepassing op een besluit tot verlenging van een vrijheidsontnemende maatregel als bedoeld in artikel 59, zesde lid, of artikel 59b, vijfdederde lid. In afwijking van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht kan de rechtbank ook zonder toestemming van partijen bepalen dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft.

Nieuwe tekst
  1. Onverwijld na de bekendmaking van een besluit tot oplegging van een vrijheidsontnemende maatregel als bedoeld in de artikelen 6, 6a, 58, 59, 59a en 59b, stelt Onze Minister de rechtbank hiervan in kennis. Zodra de rechtbank de kennisgeving heeft ontvangen wordt de vreemdeling geacht beroep te hebben ingesteld tegen het besluit tot oplegging van een vrijheidsontnemende maatregel. Het beroep strekt tevens tot een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

  2. Indien aan de vreemdeling, bedoeld in het eerste lid, een besluit tot weigering van toegang tot Nederland is uitgereikt, wordt het beroep, bedoeld in het eerste lid, geacht mede een beroep tegen dit besluit te omvatten.

  3. Het tweede lid is niet van toepassing indien tussen de uitreiking van het besluit tot weigering van toegang tot Nederland en het opleggen van de vrijheidsontnemende maatregel meer dan achtentwintig dagen zijn verstreken.

  4. De rechtbank bepaalt onmiddellijk het tijdstip van het onderzoek ter zitting. De rechtbank roept de vreemdeling op om in persoon dan wel in persoon of bij raadsman en Onze Minister om bij gemachtigde te verschijnen teneinde te worden gehoord. In afwijking van artikel 8:42, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan de in dat artikel bedoelde termijn niet worden verlengd.

  5. De rechtbank doet mondeling of schriftelijk uitspraak. De termijn waarbinnen de rechtbank uitspraak doet bedraagt ten hoogste vijftien dagen, dan wel ten hoogste eenentwintig dagen in uitzonderlijke omstandigheden en vangt aan op de dag van de oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel, bedoeld in het eerste lid. In afwijking van artikel 8:66, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan de in dat artikel bedoelde termijn niet worden verlengd. Indien de rechtbank op het beroep tegen een besluit tot oplegging van een vrijheidsontnemende maatregel als bedoeld in de artikelen 6, derde lid, 6a, 59a of 59b geen uitspraak heeft gedaan binnen eenentwintig dagen na de dag van de oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel wordt de maatregel onmiddellijk opgeheven.

  6. Indien de rechtbank bij het beroep van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel in strijd is met deze wet dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen niet gerechtvaardigd is, verklaart zij het beroep gegrond. In dat geval beveelt de rechtbank de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.

  7. Het eerste, vijfde en zesde lid zijn van overeenkomstige toepassing op een besluit tot verlenging van een vrijheidsontnemende maatregel als bedoeld in artikel 59, zesde lid, of artikel 59b, derde lid. In afwijking van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht kan de rechtbank ook zonder toestemming van partijen bepalen dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft.

Artikel 96

Gewijzigd

Indien de rechtbank bij het beroep van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel in strijd is met deze wet dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij het beroep gegrond. In dat geval beveelt de rechtbank de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.

Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing indien het beroep, bedoeld in artikel 94, niet ongegrond is verklaard en de vrijheidsontnemende maatregel desondanks voortduurt.

Nieuwe tekst
  1. Indien het beroep, bedoeld in artikel 94, ongegrond is verklaard en de vreemdeling beroep instelt tegen het voortduren van de vrijheidsontneming, sluit de rechtbank het vooronderzoek binnen een week na ontvangst van het beroepschrift. In afwijking van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht kan de rechtbank ook zonder toestemming van partijen bepalen dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft.

  2. De rechtbank doet mondeling of schriftelijk uitspraak. De schriftelijke uitspraak wordt binnen zeven dagen na de sluiting van het onderzoek gedaan. In afwijking van artikel 8:66, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan de in dat artikel bedoelde termijn niet worden verlengd.

  3. Indien de rechtbank bij het beroep van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel in strijd is met deze wet dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij het beroep gegrond. In dat geval beveelt de rechtbank de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.

  4. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing indien het beroep, bedoeld in artikel 94, niet ongegrond is verklaard en de vrijheidsontnemende maatregel desondanks voortduurt.

Artikel 96a

Nieuw

Indien het beroep, bedoeld in artikel 94, of het beroep tegen het voortduren van de vrijheidsontnemende maatregel, bedoeld in artikel 96, ongegrond is verklaard, stelt Onze Minister de rechtbank telkens uiterlijk achtenzestig dagen na dagtekening van de uitspraak van de rechtbank in kennis van de voortduring van de maatregel. Zodra de rechtbank de kennisgeving heeft ontvangen wordt de vreemdeling geacht beroep te hebben ingesteld tegen het voortduren van de vrijheidsontnemende maatregel. Het beroep strekt tevens tot een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing indien het beroep, bedoeld in artikel 94, of het beroep tegen het voortduren van de vrijheidsontnemende maatregel, bedoeld in artikel 96, niet ongegrond is verklaard en de vrijheidsontnemende maatregel desondanks voortduurt.

In afwijking van het eerste lid, wordt een kennisgeving over de voortduring van de maatregel niet verzonden wanneer de vreemdeling zelf binnen achtenzestig dagen na dagtekening van de uitspraak van de rechtbank beroep heeft ingesteld tegen het voortduren van de vrijheidsontnemende maatregel. Indien de vreemdeling dit beroep intrekt, wordt die intrekking beschouwd als een kennisgeving over het voortduren van een vrijheidsontnemende maatregel, als bedoeld in het eerste lid.

Indien de vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59, zesde lid, of artikel 59b, derde lid, wordt verlengd, stelt Onze Minister, in afwijking van het eerste lid, gelijktijdig met het besluit om de maatregel te verlengen de rechtbank in kennis van het voortduren van de maatregel ten aanzien van de periode tot de ommekomst van de in artikel 59, vijfde lid, of artikel 59b, tweede lid, bedoelde termijn waarover nog geen rechterlijke toets heeft plaatsgevonden.

De rechtbank sluit het vooronderzoek binnen een week na ontvangst van de kennisgeving. In afwijking van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht kan de rechtbank ook zonder toestemming van partijen bepalen dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft.

Indien de rechtbank een zitting bepaalt, dan vindt deze plaats uiterlijk een week na sluiting van het vooronderzoek. De rechtbank roept de vreemdeling op om in persoon dan wel in persoon of bij raadsman en Onze Minister om bij gemachtigde te verschijnen teneinde te worden gehoord. In afwijking van artikel 8:42, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan de in dat artikel bedoelde termijn niet worden verlengd.

Artikel 94, zesde lid, artikel 95, derde lid, en artikel 96, tweede lid, zijn van overeenkomstige toepassing.

Nieuwe tekst
  1. Indien het beroep, bedoeld in artikel 94, of het beroep tegen het voortduren van de vrijheidsontnemende maatregel, bedoeld in artikel 96, ongegrond is verklaard, stelt Onze Minister de rechtbank telkens uiterlijk achtenzestig dagen na dagtekening van de uitspraak van de rechtbank in kennis van de voortduring van de maatregel. Zodra de rechtbank de kennisgeving heeft ontvangen wordt de vreemdeling geacht beroep te hebben ingesteld tegen het voortduren van de vrijheidsontnemende maatregel. Het beroep strekt tevens tot een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

  2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing indien het beroep, bedoeld in artikel 94, of het beroep tegen het voortduren van de vrijheidsontnemende maatregel, bedoeld in artikel 96, niet ongegrond is verklaard en de vrijheidsontnemende maatregel desondanks voortduurt.

  3. In afwijking van het eerste lid, wordt een kennisgeving over de voortduring van de maatregel niet verzonden wanneer de vreemdeling zelf binnen achtenzestig dagen na dagtekening van de uitspraak van de rechtbank beroep heeft ingesteld tegen het voortduren van de vrijheidsontnemende maatregel. Indien de vreemdeling dit beroep intrekt, wordt die intrekking beschouwd als een kennisgeving over het voortduren van een vrijheidsontnemende maatregel, als bedoeld in het eerste lid.

  4. Indien de vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59, zesde lid, of artikel 59b, derde lid, wordt verlengd, stelt Onze Minister, in afwijking van het eerste lid, gelijktijdig met het besluit om de maatregel te verlengen de rechtbank in kennis van het voortduren van de maatregel ten aanzien van de periode tot de ommekomst van de in artikel 59, vijfde lid, of artikel 59b, tweede lid, bedoelde termijn waarover nog geen rechterlijke toets heeft plaatsgevonden.

  5. De rechtbank sluit het vooronderzoek binnen een week na ontvangst van de kennisgeving. In afwijking van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht kan de rechtbank ook zonder toestemming van partijen bepalen dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft.

  6. Indien de rechtbank een zitting bepaalt, dan vindt deze plaats uiterlijk een week na sluiting van het vooronderzoek. De rechtbank roept de vreemdeling op om in persoon dan wel in persoon of bij raadsman en Onze Minister om bij gemachtigde te verschijnen teneinde te worden gehoord. In afwijking van artikel 8:42, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan de in dat artikel bedoelde termijn niet worden verlengd.

  7. Artikel 94, zesde lid, artikel 95, derde lid, en artikel 96, tweede lid, zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 98

Gewijzigd

In afwijking van artikel 8:24 van de Algemene wet bestuursrecht kan de vreemdeling zich bij de gehoren ingevolge de artikelen 9494, 96 en 9696a uitsluitend door één of meer van zijn raadslieden doen bijstaan.

De raadsman wordt bij het horen in de gelegenheid gesteld de nodige opmerkingen te maken.

Nieuwe tekst
  1. In afwijking van artikel 8:24 van de Algemene wet bestuursrecht kan de vreemdeling zich bij de gehoren ingevolge de artikelen 94, 96 en 96a uitsluitend door één of meer van zijn raadslieden doen bijstaan.

  2. De raadsman wordt bij het horen in de gelegenheid gesteld de nodige opmerkingen te maken.

  3. Als raadsman wordt slechts toegelaten een in Nederland ingeschreven advocaat alsmede de persoon bedoeld in artikel 16b dan wel 16h van de Advocatenwet indien deze samenwerkt met een in Nederland ingeschreven advocaat, overeenkomstig het bepaalde in artikel 16e respectievelijk 16j van de Advocatenwet. Onder raadsman wordt ook verstaan de rechtshulpverlener die in dienst is van de Stichting Rechtsbijstand Asiel die terzake van de vrijheidsontnemende maatregelen relevante opleiding en ervaring bezit, en

    1. aan wie door een universiteit dan wel de Open Universiteit als bedoeld in de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek de graad Bachelor op het gebied van het recht en tevens de graad Master op het gebied van het recht is verleend, of

    2. die aan een universiteit dan wel de Open Universiteit als bedoeld in de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek het doctoraat in de rechtsgeleerdheid of het recht om de titel meester te voeren heeft verkregen.

Artikel 101

Gewijzigd

Toevoeging van een andere raadsman geschiedt door het bureau bedoeld in artikel 100, tweede of derde lid.

Blijkt van de verhindering of ontstentenis van de raadsman pas tijdens het gehoor ingevolge de artikelen 9494, 96 en 96,96a, dan geeft de voorzitter van de kamer last tot toevoeging van een andere raadsman aan het bureau bedoeld in artikel 100, tweede of derde lid.

Nieuwe tekst
  1. Bij verhindering of ontstentenis van de toegevoegde raadsman wordt zo nodig aan de vreemdeling onverwijld een andere raadsman toegevoegd.

  2. Op verzoek van de toegevoegde raadsman of van de vreemdeling kan een andere raadsman worden toegevoegd.

  3. Toevoeging van een andere raadsman geschiedt door het bureau bedoeld in artikel 100, tweede of derde lid.

  4. Blijkt van de verhindering of ontstentenis van de raadsman pas tijdens het gehoor ingevolge de artikelen 94, 96 en 96a, dan geeft de voorzitter van de kamer last tot toevoeging van een andere raadsman aan het bureau bedoeld in artikel 100, tweede of derde lid.

Onze Minister, de op grond van artikel 46 en 47 aangewezen ambtenaren en Onze Minister van Buitenlandse Zaken zijn ter uitvoering van Eurodac-verordening bevoegd biometrische gegevens af te nemen van de in artikel 13, eerste lid, van de Eurodac-verordening bedoelde personen voor de in dat artikellid genoemde doeleinden.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over:

de wijze van het afnemen en verwerken van de biometrische gegevens, bedoeld in het eerste lid; en

de maatregelen als bedoeld in artikel 13, derde lid, van de Eurodac-verordening.

Nieuwe tekst
  1. Onze Minister, de op grond van artikel 46 en 47 aangewezen ambtenaren en Onze Minister van Buitenlandse Zaken zijn ter uitvoering van Eurodac-verordening bevoegd biometrische gegevens af te nemen van de in artikel 13, eerste lid, van de Eurodac-verordening bedoelde personen voor de in dat artikellid genoemde doeleinden.

  2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over:

    1. de wijze van het afnemen en verwerken van de biometrische gegevens, bedoeld in het eerste lid; en

    2. de maatregelen als bedoeld in artikel 13, derde lid, van de Eurodac-verordening.

Artikel 107

Gewijzigd

4°de Etias-verordening;

5°artikel 48 van de Verordening interoperabiliteit grenzen en visa en artikel 48 van de Verordening interoperabiliteit politiële en justitiële samenwerking, asiel en migratie.migratie;

6°de Screeningsverordening.

De vreemdelingenadministratie heeft tot doel de verwerking van:

3°de evaluatie van bestaand beleid en de voorbereiding van nieuw beleid;

de gegevens bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, in overeenstemming met de desbetreffende verordening, voor zover dit noodzakelijk is in verband met een besluit van Onze Minister en eventuele daarmee samenhangende procedures in rechte.rechte;

de Screeningsverordening.

Aan een vreemdeling wordt in de vreemdelingenadministratie een uniek vreemdelingennummer toegekend.

3°de Europese verordeningen die betrekking hebben op biometrische gegevens;

4°de Etias-verordening.Etias-verordening;

5°de Screeningsverordening.

De verstrekking van gegevens betreffende de gezichtsopname of de vingerafdrukken van de vreemdeling uit de vreemdelingenadministratie in de gevallen bedoeld in het vijfde lid, onderdeel c, ten behoeve van de opsporing en vervolging van strafbare feiten vindt slechts plaats in geval van een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten en na schriftelijke machtiging van de rechter-commissaris op vordering van de officier van justitie:

Nieuwe tekst
  1. Er is een vreemdelingenadministratie, die wordt beheerd door Onze Minister. De vreemdelingenadministratie bevat:

    1. de gezichtsopnames en vingerafdrukken, bedoeld in artikel 106a, eerste lid;

    2. andere persoons- en verwijsgegevens van vreemdelingen die volgens een door Onze Minister vastgestelde werkwijze zijn geïdentificeerd en geregistreerd;

    3. andere gegevens, waaronder persoonsgegevens, die van belang zijn voor de uitvoering van deze wet en de Rijkswet op het Nederlanderschap;

    4. gegevens, waaronder persoonsgegevens, verwerkt op grond van:

      1. 1°

        de SIS-verordening grenscontroles;

      2. 2°

        de SIS-verordening terugkeer;

      3. 3°

        de Europese verordeningen die betrekking hebben op biometrische gegevens;

      4. 4°

        de Etias-verordening;

      5. 5°

        artikel 48 van de Verordening interoperabiliteit grenzen en visa en artikel 48 van de Verordening interoperabiliteit politiële en justitiële samenwerking, asiel en migratie;

      6. 6°

        de Screeningsverordening.

  2. De vreemdelingenadministratie heeft tot doel de verwerking van:

    1. de in het eerste lid, onder a, bedoelde gegevens voor de uitvoering van deze wet, de Rijkswet op het Nederlanderschap, de Wet vaststellingsprocedure staatloosheid en de daarop gebaseerde regelgeving;

    2. de in het eerste lid, onder b en c, bedoelde gegevens, voor zover dat noodzakelijk is voor:

      1. 1°

        het ter verificatie, controle en verwijzing beschikbaar stellen van de identificatie- en verwijsgegevens van vreemdelingen;

      2. 2°

        de uitvoering van deze wet, de Rijkswet op het Nederlanderschap en andere, bij regeling van Onze Minister aan te wijzen wettelijke voorschriften;

      3. 3°

        de evaluatie van bestaand beleid en de voorbereiding van nieuw beleid;

    3. de gegevens bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, in overeenstemming met de desbetreffende verordening, voor zover dit noodzakelijk is in verband met een besluit van Onze Minister en eventuele daarmee samenhangende procedures in rechte;

    4. de Screeningsverordening.

  3. Aan een vreemdeling wordt in de vreemdelingenadministratie een uniek vreemdelingennummer toegekend.

  4. Uit de vreemdelingenadministratie worden, met uitzondering van gezichtsopnames en de vingerafdrukken, bedoeld in het eerste lid, aan bestuursorganen die gegevens en inlichtingen verstrekt, die zij behoeven voor de uitvoering van hun taak, waaronder in ieder geval gegevens omtrent de verblijfsrechtelijke positie van de vreemdeling en, indien het een gecombineerde vergunning betreft, de gegevens op basis waarvan kan worden beoordeeld of is voldaan aan de Wet arbeid vreemdelingen.

  5. Onverminderd het in het tweede lid, onder a, genoemde doel, en in aanvulling op het bepaalde bij of krachtens artikel 107a, kunnen gegevens als bedoeld in het eerste lid, onder a, uitsluitend beschikbaar worden gesteld met het oog op:

    1. het verstrekken van een reisdocument door een diplomatieke vertegenwoordiging ten behoeve van terugkeer;

    2. de identificatie van slachtoffers van rampen en ongevallen;

    3. de opsporing en vervolging van strafbare feiten;

    4. de toepassing van artikel 55c van het Wetboek van Strafvordering;

    5. de uitvoering van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017; en

    6. de uitvoering van:

      1. 1°

        de SIS-verordening grenscontroles;

      2. 2°

        de SIS-verordening terugkeer;

      3. 3°

        de Europese verordeningen die betrekking hebben op biometrische gegevens;

      4. 4°

        de Etias-verordening;

      5. 5°

        de Screeningsverordening.

  6. De verstrekking van gegevens betreffende de gezichtsopname of de vingerafdrukken van de vreemdeling uit de vreemdelingenadministratie in de gevallen bedoeld in het vijfde lid, onderdeel c, ten behoeve van de opsporing en vervolging van strafbare feiten vindt slechts plaats in geval van een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten en na schriftelijke machtiging van de rechter-commissaris op vordering van de officier van justitie:

    1. indien er een redelijk vermoeden bestaat dat de verdachte een vreemdeling is, of

    2. in het belang van het onderzoek en het opsporingsonderzoek op een dood spoor is beland, dan wel snel resultaat geboden is bij de opheldering van het misdrijf.

  7. Bestuursorganen zijn bevoegd uit eigen beweging en desgevraagd verplicht Onze Minister de gegevens en inlichtingen te verstrekken die Onze Minister behoeft voor de uitvoering van deze wet en voor de uitvoering van de Rijkswet op het Nederlanderschap. Deze bestuursorganen kunnen daarbij gebruik maken van het vreemdelingennummer, het burgerservicenummer, bedoeld in artikel 1, onder b, van de Wet algemene bepalingen burgerservicenummer, en van andere, bij regeling van Onze Minister aangewezen, nummers.

  8. De in het vierde tot en met zevende lid bedoelde gegevensverstrekking vindt niet plaats, indien de persoonlijke levenssfeer van de betrokkene daardoor onevenredig wordt geschaad.

  9. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld omtrent:

    1. de in de vreemdelingenadministratie op te nemen gegevens, de vastlegging van die gegevens en de doorlevering van die gegevens;

    2. de vernietiging van de in de vreemdelingenadministratie opgenomen gegevens, waarbij geldt dat gezichtsopnames en vingerafdrukken nooit langer worden bewaard dan tien jaar nadat de aanvraag tot het verlenen van een machtiging tot voorlopig verblijf is afgewezen, of, in geval van rechtmatig verblijf, de betrokken vreemdeling wiens rechtmatig verblijf is geëindigd, Nederland aantoonbaar heeft verlaten, dan wel, indien tegen de vreemdeling een inreisverbod is uitgevaardigd of de vreemdeling ongewenst is verklaard, tien jaar na afloop van de geldigheidsduur van het inreisverbod onderscheidenlijk de ongewenstverklaring, en deze gegevens in ieder geval worden vernietigd zodra Onze Minister bekend is dat de betrokkene niet langer behoort tot de categorie vreemdelingen waarvan deze kunnen worden afgenomen;

    3. de gevallen, waarin en de wijze waarop in ieder geval gegevens en inlichtingen dienen te worden verstrekt, en

    4. de gevallen, waarin de verstrekking van gegevens en inlichtingen anders dan kosteloos geschiedt.

  10. Voor de toepassing van het vierde en zevende lid worden met bestuursorganen gelijkgesteld instellingsbesturen van uit de openbare kas bekostigde instellingen en bevoegde gezagsorganen van uit de openbare kas bekostigde scholen en instellingen.

  11. Met betrekking tot de vreemdelingenadministratie is Onze Minister de verwerkingsverantwoordelijke.

Artikel 109a

Gewijzigd

De verplichtingen die voor Nederland voortvloeien uit de Terugkeerrichtlijn, gelden niet ten aanzien van vreemdelingen:

aan wie, anders dan na indiening van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28,wie de toegang is geweigerd overeenkomstig artikel 14 van de Schengengrenscode en die vervolgens geen rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8 hebben verkregen; of

jegens wie een procedure van uitlevering als bedoeld in de Uitleveringswet loopt.

Nieuwe tekst

De verplichtingen die voor Nederland voortvloeien uit de Terugkeerrichtlijn, gelden niet ten aanzien van vreemdelingen:

  1. aan wie de toegang is geweigerd overeenkomstig artikel 14 van de Schengengrenscode en die vervolgens geen rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8 hebben verkregen; of

  2. jegens wie een procedure van uitlevering als bedoeld in de Uitleveringswet loopt.

Artikel 114

Gewijzigd

Een vreemdeling aan wie deeen verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28 of artikel 33 is verleend, geniet dezelfde behandeling als een Nederlander, wat betreft rechtsingang, waaronder begrepen rechtsbijstand en vrijstelling van de cautio judicatum solvi.

Nieuwe tekst

Een vreemdeling aan wie een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28 is verleend, geniet dezelfde behandeling als een Nederlander, wat betreft rechtsingang, waaronder begrepen rechtsbijstand en vrijstelling van de cautio judicatum solvi.