Politiewet 2012 Laatste controle 29-03-2026, laatste wijziging 15-03-2026.

Inhoud
Hoofdstuk 1 Begripsbepalingen
Hoofdstuk 2 De uitvoering van de politietaak
Hoofdstuk 3 Het beleid ten aanzien van de politie en de organisatie van de politie
Hoofdstuk 4 De rijksrecherche
Hoofdstuk 5 Bijstand
§ 5.1 Bijstand aan de politie
§ 5.2 Bijstand aan de rijksrecherche
§ 5.3 Bijstand aan de Koninklijke marechaussee
Hoofdstuk 6 Toezicht
Hoofdstuk 7 De behandeling van klachten
Hoofdstuk 8 De Politieacademie en de politieonderwijsraad
Hoofdstuk 9 Slotbepalingen

§ 2.1

De taak van de politie en de politietaken van de Koninklijke marechaussee

Artikel 3 (Taakstelling politie)

Bij: "ondergeschiktheid aan het bevoegd gezag"
Het bevoegd gezag is ten aanzien van de hulpverlening en de openbare orde de burgermeester. Ten aanzien van de opsporing de officier van justitie. Zie artikel 11 Pw en artikel 12 Pw.

De politie heeft tot taak in ondergeschiktheid aan het bevoegd gezag en in overeenstemming met de geldende rechtsregels te zorgen voor de daadwerkelijke handhaving van de rechtsorde en het verlenen van hulp aan hen die deze behoeven.

Artikel 4

  1. Aan de Koninklijke marechaussee, die onder het beheer van Onze Minister van Defensie staat, zijn, onverminderd het bepaalde bij of krachtens andere wetten, de volgende politietaken opgedragen:

    1. het waken over de veiligheid van de leden van het koninklijk huis, in samenwerking met andere daartoe aangewezen organen;

    2. de uitvoering van de politietaak ten behoeve van Nederlandse en andere strijdkrachten, alsmede internationale militaire hoofdkwartieren, en ten aanzien van tot die strijdkrachten en hoofdkwartieren behorende personen;

    3. de uitvoering van de politietaak op de luchthaven Schiphol en op de andere door Onze Minister en Onze Minister van Defensie aangewezen luchtvaartterreinen, alsmede de beveiliging van de burgerluchtvaart;

    4. de verlening van bijstand alsmede de samenwerking met de politie krachtens deze wet, daaronder begrepen de assistentieverlening aan de politie bij de bestrijding van grensoverschrijdende criminaliteit, het bewaken en beveiligen van objecten en diensten en het waken over de veiligheid van aangewezen personen als bedoeld in artikel 42, eerste lid, onder c;

    5. de uitvoering van de politietaak op plaatsen onder beheer van Onze Minister van Defensie, op verboden plaatsen die krachtens de Wet bescherming staatsgeheimen ten behoeve van de landsverdediging zijn aangewezen, alsmede op het terrein van de ambtswoning van Onze Minister-President;

    6. de uitvoering van de bij of krachtens de Vreemdelingenwet 2000 opgedragen taken, waaronder begrepen de bediening van de daartoe door Onze Minister van Asiel en Migratie aangewezen doorlaatposten en het, voor zover in dat verband noodzakelijk, uitvoeren van de politietaak op en nabij deze doorlaatposten, alsmede het verlenen van medewerking bij de aanhouding of voorgeleiding van een verdachte of veroordeelde;

    7. de bestrijding van mensensmokkel en van fraude met reis- en identiteitsdocumenten;

    8. het in opdracht van Onze Minister en Onze Minister van Defensie ten behoeve van De Nederlandsche Bank N.V. verrichten van beveiligingswerkzaamheden.

  2. Onder personen die behoren tot de andere strijdkrachten en internationale hoofdkwartieren, bedoeld in het eerste lid, onder b, worden mede begrepen de personen, aangewezen bij algemene maatregel van bestuur op voordracht van Onze Minister van Defensie.

  3. Onze Minister kan de commandant van de Koninklijke marechaussee algemene en bijzondere aanwijzingen geven, voor zover het betreft:

    1. de uitoefening van de taken, bedoeld in het eerste lid, onder a en h;

    2. het waken over de veiligheid van door Onze Minister aangewezen personen als bedoeld in het eerste lid, onder b en d;

    3. de uitoefening van de taak, bedoeld in het eerste lid, onder c, ten behoeve van de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde en de beveiliging van de burgerluchtvaart;

    4. de bewaking en beveiliging van de ambtswoning van Onze Minister-President, bedoeld in het eerste lid, onder e.

  4. Hoewel bevoegd tot de opsporing van alle strafbare feiten, onthoudt de militair van de Koninklijke marechaussee die is aangewezen krachtens artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering, zich van optreden anders dan in het kader van de uitvoering van zijn politietaken, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 5

Bij regeling van Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Defensie kunnen regels worden gegeven over de samenwerking van de politie met de Koninklijke marechaussee.

← terug naar Politiewet 2012