Kentekenreglement Laatste controle 30-03-2026, laatste wijziging 12-03-2026.

Inhoud
Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen
Hoofdstuk 2 Kentekens
Hoofdstuk 3 Registratie van kentekens
Hoofdstuk 4 Inschrijven in het kentekenregister en tenaamstelling
Hoofdstuk 5 Handelaarskentekenbewijzen
Hoofdstuk 5a Erkenningsregeling tenaamstelling
Hoofdstuk 6 Erkenningsregeling bedrijfsvoorraad
Hoofdstuk 6a Erkenningsregeling exportdienstverlening
Hoofdstuk 7 Schorsing
Hoofdstuk 8 Strafbepalingen
Hoofdstuk 9 Overgangsbepalingen
Hoofdstuk 9A Overgangsbepalingen in verband met de implementatie van richtlijn nr. 1999/37/eg
Hoofdstuk 9b Overgangsbepalingen in verband met de wijziging van de Wegenverkeerswet 1994 in verband met de modernisering van de wijze van tenaamstelling van kentekenbewijzen en enkele andere wijzigingen van uiteenlopende aard
Hoofdstuk 9c Overgangsbepalingen conversieperiode invoering kentekenplicht bijzondere bromfietsen
Hoofdstuk 10 Slotbepalingen

Hoofdstuk 2

Kentekens

Artikel 1a

Als categorieën bromfietsen, bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, van de wet waarop artikel 36 van de wet niet van toepassing is, worden, voor zover deze voertuigen voldoen aan de begripsomschrijving van bromfiets in artikel 1, eerste lid, onderdeel e, van de wet, vastgesteld:

  1. motorrijtuigen met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van ten hoogste 6 km/h;

  2. motorrijtuigen die bestemd zijn om door een voetganger te worden meegevoerd, en

  3. motorrijtuigen met drie symmetrisch geplaatste wielen, waarvan een wiel aan de voorzijde en twee wielen aan de achterzijde, die voornamelijk zijn ontworpen voor gebruik buiten de wegen en voor vrijetijdsbesteding.

Artikel 1b

  1. Als motorrijtuigen met beperkte snelheid en mobiele machines als bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel a, onder 2°, van de wet worden aangewezen:

    1. motorrijtuigen met beperkte snelheid en mobiele machines die:

      1. gemeten overeenkomstig de krachtens de wet vastgestelde meetmethode, met inbegrip van de breedte van een of meer verwisselbare uitrustingsstukken, niet breder zijn dan 1,3 m;

      2. zijn voorzien van:

        1. I

          een door de motor aangedreven maai-installatie, bestemd voor het maaien van oppervlakten;

        2. II

          een door de motor aangedreven veeginstallatie, bestemd voor het vegen van wegen;

        3. III

          een door de motor aangedreven installatie om automatisch uitwerpselen op te zuigen;

        4. IV

          een uitrustingsstuk aan de voorzijde ter verwijdering van sneeuw op het wegdek, met een minimale breedte gelijk aan de grootste breedte van het voertuig;

        5. V

          een installatie voor het strooien op wegen ter voorkoming of bestrijding van gladheid; of

        6. VI

          een installatie om onkruid te bestrijden, met een tankinhoud van ten minste 100 liter; en

      3. aan de achterzijde niet zijn voorzien van:

        1. I

          een inrichting tot het koppelen van een aanhangwagen; of

        2. II

          een driepuntshefinrichting;

    2. motorrijtuigen met beperkte snelheid en mobiele machines als bedoeld in onderdeel a, onder 1°, die zijn voorzien van een hefinrichting aan de voorzijde van het motorrijtuig respectievelijk de machine en waaraan geen aanhangwagen is gekoppeld;

    3. motorrijtuigen met beperkte snelheid die:

      1. zijn voorzien van een stuurwiel en een trekinrichting;

      2. uitsluitend worden gebruikt in de periode van 1 juli tot en met 30 november;

      3. een combinatie vormen met één of meer aanhangwagens die zijn ingericht voor het dragen van voorraadkisten of -kratten; en

      4. als samenstel, inclusief lading of uitrusting, niet breder is dan 1,3 m;

    4. meeneemheftrucks; en

    5. motorrijtuigen met beperkte snelheid en mobiele machines:

      1. met een maximumconstructiesnelheid van minder dan 6 km/h;

      2. op één as; of

      3. zijnde een asfalteermachine, wals, asfaltfrees of hoogwerker zonder zitplaats, die zich bevinden op een weggedeelte waar werkzaamheden op of aan de weg plaatsvinden met dien verstande dat de motorrijtuigen respectievelijk de machines zich uitsluitend op dat weggedeelte bevinden ten behoeve van die werkzaamheden op of aan de weg.

  2. Als aanhangwagens als bedoeld in artikel 37, tweede lid, onderdeel c, van de wet worden aangewezen:

    1. aanhangwagens met een maximumconstructiesnelheid van niet meer dan 25 km/h die in gebruik zijn genomen voor 1 januari 2021; en

    2. aanhangwagens die niet rond een verticale as draaibaar verbonden zijn met een landbouw- of bosbouwtrekker, motorrijtuig met beperkte snelheid, mobiele machine of een met een dergelijk voertuig verbonden andere aanhangwagen.

Artikel 2

  1. De opgave van een kenteken geschiedt door inschrijving dan wel door tenaamstelling van een voertuig in het kentekenregister.

  2. Het kenteken bestaat uit een combinatie van letters en cijfers dan wel een combinatie van één letter en cijfers.

Artikel 3

Aan een erkend bedrijf bedrijfsvoorraad of aan een natuurlijke persoon of rechtspersoon als bedoeld in artikel 42, eerste lid, onderdeel b, kan, indien wordt voldaan aan hoofdstuk 5, voor de in artikel 37, derde lid, van de wet bedoelde voertuigen een kenteken worden opgegeven dat slechts één lettergroep bevat, zijnde voor:

  1. andere motorrijtuigen dan genoemd in de onderdelen b en c de lettergroep FH, HA, HF of HH;

  2. bromfietsen de lettergroep HC;

  3. landbouw- en bosbouwtrekkers, motorrijtuigen met beperkte snelheid en mobiele machines de lettergroep LH;

  4. aanhangwagens de lettergroep OA.

Artikel 4

  1. Aan leden van het Koninklijk Huis en aan buitenlandse diplomaten kan een kenteken worden opgegeven bevattende de lettergroep AA onderscheidenlijk CD en aan hen die behoren tot het Internationaal Gerechtshof dan wel tot een door Onze Minister van Buitenlandse Zaken aangewezen internationale organisatie een kenteken bevattende de lettergroep CDJ.

  2. Kentekens die slechts één lettergroep van twee letters, zijnde BN of GN, bevatten, worden slechts opgegeven voor voertuigen:

    1. waarvoor overeenkomstig de voorschriften van Onze Minister van Financiën een vrijstelling van belasting is verleend;

    2. voor zover daar naar het gezamenlijk oordeel van Onze Minister van Financiën en de Dienst Wegverkeer aanleiding voor is; of

    3. waarvan de eigenaar of houder behoort tot het personeel van buitenlandse ambassades, consulaten en daarmee gelijkgestelde instellingen, voor zover daarvoor naar het oordeel van Onze Minister van Buitenlandse Zaken aanleiding is.

  3. Bijzondere kentekens kunnen voorts worden opgegeven voor voertuigen:

    1. die zich in verband met hun constructie uitsluitend op de weg mogen bevinden met een ontheffing van de wegbeheerder dan wel van de Dienst Wegverkeer of een vergunning van Onze Minister;

    2. die naar het oordeel van de Dienst Wegverkeer technisch in goede staat zijn, niet in Nederland geregistreerd zijn en binnen of buiten Nederland worden gebracht;

    3. die ter verkrijging van een regulier kenteken naar en van de plaats van weging en onderzoek moeten worden gereden.

  4. Indien naar oordeel van Onze Minister sprake is van een uitzonderlijke gelegenheid met een karakter van nationaal of internationaal belang kunnen tijdelijke kentekens worden opgegeven.

Artikel 5

  1. Het kenteken wordt aangebracht op een plaat die behoort tot een door de Dienst Wegverkeer goedgekeurde soort.

  2. Het eerste lid geldt niet in bij ministeriële regeling vast te stellen gevallen.

  3. De in het eerste lid bedoelde plaat en de onderdelen daarvan zijn in bij ministeriële regeling vast te stellen gevallen voorzien van bij die regeling vast te stellen merken.

← terug naar Kentekenreglement