Burgerlijk Wetboek Boek 7

Inhoud
Boek 7 Bijzondere overeenkomsten
Titel 1 Koop en ruil
Titel 1aa Overeenkomsten voor de levering van digitale inhoud en digitale diensten tussen handelaren en consumenten
Titel 1a Overeenkomsten betreffende het gebruik in deeltijd, vakantieproducten van lange duur, bijstand en uitwisseling
Titel 2 Financiëlezekerheidsovereenkomsten
Titel 2a Consumentenkredietovereenkomsten
Afdeling 1 Bepalingen ter uitvoering van richtlijn nr. 2008/48/EG van 23 april 2008 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten
Onderafdeling 1 Algemene bepalingen
Onderafdeling 2 Informatieverstrekking en handelingen voorafgaand aan het sluiten van de kredietovereenkomst
Onderafdeling 3 Informatie en rechten betreffende kredietovereenkomsten
Onderafdeling 4 Jaarlijks kostenpercentage
Onderafdeling 5 Kredietgevers en kredietbemiddelaars
Onderafdeling 6 Slotbepalingen
Afdeling 2 Overige bepalingen betreffende consumentenkredietovereenkomsten
Titel 2b Goederenkrediet
Titel 2c Geldlening
Titel 2d Overeenkomst van pandbelening
Titel 3 Schenking
Titel 4 Huur
Afdeling 1 Algemene bepalingen
Afdeling 2 Verplichtingen van de verhuurder
Afdeling 3 De verplichtingen van de huurder
Afdeling 4 De overgang van de huur bij overdracht van de verhuurde zaken en het eindigen van de huur
Afdeling 5 Huur van woonruimte
Afdeling 6 Huur van bedrijfsruimte
Titel 5 Pacht
Afdeling 1 Algemene bepalingen
Afdeling 2 Vorm van de pachtovereenkomst
Afdeling 3 Goedkeuring van de pachtovereenkomst
Afdeling 4 Duur van de pachtovereenkomst
Afdeling 5 Pachtprijs
Afdeling 6 Verplichtingen van de verpachter
Afdeling 7 Verplichtingen van de pachter
Afdeling 8 Overgang van de pacht bij overdracht van de verpachte zaken
Afdeling 9 Pachtoverneming
Afdeling 10 Het eindigen van de pachtovereenkomst
Afdeling 11 Het voorkeursrecht van de pachter
Afdeling 12 Bijzondere pachtovereenkomsten
Afdeling 13 Dwingend recht
Afdeling 14 Slotbepalingen
Titel 7 Opdracht
Titel 7A Pakketreisovereenkomst en gekoppeld reisarrangement
Afdeling 1 Definities en toepassingsgebied
Afdeling 2 Informatieverplichtingen en inhoud van de pakketreisovereenkomst
Afdeling 3 Wijziging van de pakketreisovereenkomst vóór het begin van de pakketreis
Afdeling 4 Uitvoering van de pakketreis
Afdeling 5 Bescherming bij insolventie
Afdeling 6 Gekoppelde reisarrangementen
Afdeling 7 Slotbepalingen
Titel 7b Betalingstransactie
Titel 9 Bewaarneming
Titel 10 Arbeidsovereenkomst
Afdeling 1 Algemene bepalingen
Afdeling 2 Loon
Afdeling 3 Vakantie en verlof
Afdeling 4 Gelijke behandeling
Afdeling 5 Enkele bijzondere bedingen in de arbeidsovereenkomst
Afdeling 6 Enkele bijzondere verplichtingen van de werkgever
Afdeling 7 Enkele bijzondere verplichtingen van de werknemer
Afdeling 8 Rechten van de werknemer bij overgang van een onderneming
Afdeling 9 Einde van de arbeidsovereenkomst
Afdeling 10 Bijzondere bepalingen voor handelsvertegenwoordigers
Afdeling 11 Bijzondere bepalingen ter zake van de uitzendovereenkomst
Afdeling 12 Bijzondere bepalingen terzake van de zee-arbeidsovereenkomst
Afdeling 12A Bijzondere bepalingen ter zake van de zee-arbeidsovereenkomst in de zeevisserij
Afdeling 12B De maatschapsovereenkomst in de zeevisserij
Titel 12 Aanneming van werk
Titel 14 Borgtocht
Titel 15 Vaststellingsovereenkomst
Titel 16 Franchise
Titel 17 Verzekering
Titel 18 Lijfrente

Artikel 77

Actueel
Je bekijkt de huidige officiële versie van 01-07-2026.
  1. Niet zijn toegelaten bedingen waarbij:

    1. de kredietgever of de leverancier van de goederen of diensten de bevoegdheid wordt verleend, anders dan bij wijze van een ingevolge artikel 76 toegelaten verhoging van de kredietvergoeding, eenzijdig de kredietvergoeding te verhogen of anderszins de verplichtingen van de consument te verzwaren;

    2. de consument zich verplicht tot het aangaan van een andere overeenkomst, anders dan ingeval:

      1. uitdrukkelijk aan de consument het recht wordt toegekend te bepalen met welke wederpartij die overeenkomst zal worden aangegaan, of

      2. de overeenkomst verplicht tot het aanhouden van een betaalrekening bij de kredietgever, door middel waarvan de uit de kredietovereenkomst voortvloeiende betalingen dienen plaats te vinden;

    3. vervroegde opeisbaarheid van het door de consument verschuldigde wordt bedongen, anders dan voor het geval dat:

      1. de consument, die ten minste twee maanden achterstallig is in de betaling van een vervallen termijnbedrag, na in gebreke te zijn gesteld, nalatig blijft in de nakoming van zijn verplichtingen,

      2. de consument zijn vaste woonplaats in Nederland heeft verlaten, dan wel redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de consument binnen enkele maanden zijn vaste woonplaats in Nederland zal verlaten,

      3. de consument is overleden en de kredietgever gegronde reden heeft om aan te nemen dat diens verplichtingen uit hoofde van de overeenkomst niet zullen worden nagekomen,

      4. de consument in staat van faillissement is komen te verkeren of ten aanzien van de consument de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard,

      5. de consument de door hem onder eigendomsvoorbehoud gehouden of tot zekerheid verbonden zaak heeft verduisterd, of

      6. de consument aan de kredietgever, met het oog op het aangaan van de overeenkomst, bewust onjuiste inlichtingen heeft verstrekt van dien aard, dat de kredietgever de overeenkomst niet of niet onder dezelfde voorwaarden zou hebben aangegaan indien hem de juiste stand van zaken bekend zou zijn geweest.

    4. de kredietnemer enig recht op periodieke betaling, verschuldigd uit hoofde van loon of andere inkomsten uit arbeid, van uitkeringen als bedoeld in artikel 475c onder b-i van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, ter zake van een kredietovereenkomst op enigerlei wijze overdraagt, vervreemdt of bezwaart dan wel tot invordering daarvan een onherroepelijke volmacht, in welke vorm of onder welke benaming ook, verleent.

  2. Lid 1, aanhef en onder d, geldt niet voor kredietverlening door een gemeentelijke kredietbank:

    1. waaraan als kredietnemer deelneemt:

      1. echtgenoten of geregistreerde partners als bedoeld in artikel 3 van de Participatiewet, van wie het gezamenlijk netto maandinkomen niet hoger is dan de norm genoemd in artikel 21, onderdeel b, van die wet;

      2. een alleenstaande ouder als bedoeld in artikel 4, onderdeel b, van de Participatiewet, van wie het netto maandinkomen niet hoger is dan negentig procent van de norm bedoeld onder 1°;

      3. een alleenstaande als bedoeld in artikel 4, onderdeel a, van de Participatiewet, van wie het netto maandinkomen niet hoger is dan zeventig procent van de norm bedoeld onder 1°;

      dan wel

    2. in het kader van een regeling met betrekking tot de bestaande schuldenlast van een kredietnemer (saneringskrediet).

01-07-2026 Huidig 01-01-2026 Historisch 18-07-2025 Historisch 01-07-2025 Historisch 12-02-2025 Historisch 01-01-2025 Historisch 01-07-2024 Historisch 01-05-2024 Historisch 13-02-2024 Historisch 01-01-2024 Historisch 01-07-2023 Historisch 18-02-2023 Historisch 01-01-2023 Historisch 01-10-2022 Historisch 22-09-2022 Historisch 02-08-2022 Historisch 01-08-2022 Historisch 01-07-2022 Historisch 27-04-2022 Historisch 01-01-2022 Historisch 01-07-2021 Historisch 01-05-2021 Historisch 01-04-2021 Historisch 01-01-2021 Historisch 15-10-2020 Historisch 01-09-2020 Historisch 01-08-2020 Historisch 01-07-2020 Historisch 01-04-2020 Historisch 01-01-2020 Historisch
Voor dit artikel is er geen zichtbare wijziging ten opzichte van 01-01-2020.

Tekst van deze versie

  1. Niet zijn toegelaten bedingen waarbij:

    1. de kredietgever of de leverancier van de goederen of diensten de bevoegdheid wordt verleend, anders dan bij wijze van een ingevolge artikel 76 toegelaten verhoging van de kredietvergoeding, eenzijdig de kredietvergoeding te verhogen of anderszins de verplichtingen van de consument te verzwaren;

    2. de consument zich verplicht tot het aangaan van een andere overeenkomst, anders dan ingeval:

      1. uitdrukkelijk aan de consument het recht wordt toegekend te bepalen met welke wederpartij die overeenkomst zal worden aangegaan, of

      2. de overeenkomst verplicht tot het aanhouden van een betaalrekening bij de kredietgever, door middel waarvan de uit de kredietovereenkomst voortvloeiende betalingen dienen plaats te vinden;

    3. vervroegde opeisbaarheid van het door de consument verschuldigde wordt bedongen, anders dan voor het geval dat:

      1. de consument, die ten minste twee maanden achterstallig is in de betaling van een vervallen termijnbedrag, na in gebreke te zijn gesteld, nalatig blijft in de nakoming van zijn verplichtingen,

      2. de consument zijn vaste woonplaats in Nederland heeft verlaten, dan wel redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de consument binnen enkele maanden zijn vaste woonplaats in Nederland zal verlaten,

      3. de consument is overleden en de kredietgever gegronde reden heeft om aan te nemen dat diens verplichtingen uit hoofde van de overeenkomst niet zullen worden nagekomen,

      4. de consument in staat van faillissement is komen te verkeren of ten aanzien van de consument de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard,

      5. de consument de door hem onder eigendomsvoorbehoud gehouden of tot zekerheid verbonden zaak heeft verduisterd, of

      6. de consument aan de kredietgever, met het oog op het aangaan van de overeenkomst, bewust onjuiste inlichtingen heeft verstrekt van dien aard, dat de kredietgever de overeenkomst niet of niet onder dezelfde voorwaarden zou hebben aangegaan indien hem de juiste stand van zaken bekend zou zijn geweest.

    4. de kredietnemer enig recht op periodieke betaling, verschuldigd uit hoofde van loon of andere inkomsten uit arbeid, van uitkeringen als bedoeld in artikel 475c onder b-i van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, ter zake van een kredietovereenkomst op enigerlei wijze overdraagt, vervreemdt of bezwaart dan wel tot invordering daarvan een onherroepelijke volmacht, in welke vorm of onder welke benaming ook, verleent.

  2. Lid 1, aanhef en onder d, geldt niet voor kredietverlening door een gemeentelijke kredietbank:

    1. waaraan als kredietnemer deelneemt:

      1. echtgenoten of geregistreerde partners als bedoeld in artikel 3 van de Participatiewet, van wie het gezamenlijk netto maandinkomen niet hoger is dan de norm genoemd in artikel 21, onderdeel b, van die wet;

      2. een alleenstaande ouder als bedoeld in artikel 4, onderdeel b, van de Participatiewet, van wie het netto maandinkomen niet hoger is dan negentig procent van de norm bedoeld onder 1°;

      3. een alleenstaande als bedoeld in artikel 4, onderdeel a, van de Participatiewet, van wie het netto maandinkomen niet hoger is dan zeventig procent van de norm bedoeld onder 1°;

      dan wel

    2. in het kader van een regeling met betrekking tot de bestaande schuldenlast van een kredietnemer (saneringskrediet).

Nog geen automatische verwijzingen.

Deze actie vereist een account
Log in of maak een account om arceringen, annotaties, tags en dossiers te gebruiken.
← terug naar Burgerlijk Wetboek Boek 7