1. Een grond voor verlenging van de verjaring bestaat:

    1. tussen niet van tafel en bed gescheiden echtgenoten;

    2. tussen een wettelijke vertegenwoordiger en de onbekwame die hij vertegenwoordigt;

    3. tussen een bewindvoerder en de rechtshebbende voor wie hij het bewind voert, ter zake van vorderingen die dit bewind betreffen;

    4. tussen rechtspersonen en haar bestuurders;

    5. tussen een beneficiair aanvaarde nalatenschap en een erfgenaam;

    6. tussen de schuldeiser en zijn schuldenaar die opzettelijk het bestaan van de schuld of de opeisbaarheid daarvan verborgen houdt;

    7. tussen geregistreerde partners.

  2. De onder b en c genoemde gronden voor verlenging duren voort totdat de eindrekening van de wettelijke vertegenwoordiger of de bewindvoerder is gesloten.