1. De persoonsgegevens die door de bevoegde autoriteit, Onze Minister en het centrale contactpunt bij of krachtens de wet worden verwerkt, worden niet langer bewaard dan noodzakelijk is ter uitvoering van hun taken op grond van de wet, doch uiterlijk binnen 60 maanden na de eerste verwerking verwijderd.

  2. In afwijking van het eerste lid worden de persoonsgegevens die door de bevoegde autoriteit bij of krachtens de wet worden verwerkt met het oog op toezichtstrajecten en daarmee samenhangende bestuursrechtelijke procedures, niet langer bewaard dan daarvoor noodzakelijk is, doch uiterlijk binnen 120 maanden na de eerste verwerking verwijderd.

  3. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de persoonsgegevens die door de bevoegde autoriteit worden verwerkt met het oog op het toezicht op de naleving van het bepaalde in de op grond van artikel 13, zesde lid, van de CER-richtlijn vastgestelde uitvoeringshandelingen, voor zover in die uitvoeringshandelingen is bepaald dat deze verbindend zijn en rechtstreeks toepasselijk zijn in elke lidstaat van de Europese Unie.