Besluit algemene rechtspositie politie Laatste controle 30-03-2026, laatste wijziging 26-03-2026.

Inhoud
Hoofdstuk I Algemene bepaling
Hoofdstuk Ia Elektronische berichtgeving
Hoofdstuk II Aanstelling
Hoofdstuk III Arbeids- en rusttijden
Hoofdstuk IV Vakantie
Hoofdstuk IV.A Individuele keuzemogelijkheden in arbeidsvoorwaarden
Hoofdstuk V Verlof
Hoofdstuk V.a Levensfase-uren
Hoofdstuk VI Buitengewoon verlof
Hoofdstuk VII Arbeidsgezondheidskundige begeleiding en maatregelen en enkele overige bepalingen in verband met ziekte, beroepsgerelateerde gezondheidsklachten en zwangerschap
Hoofdstuk VII.a Integriteit
Hoofdstuk VII.b Voorzieningen bij reorganisaties
Hoofdstuk VIII Overige rechten en verplichtingen van de ambtenaar
Hoofdstuk IX Straffen
Hoofdstuk X Schorsing en ontslag
Hoofdstuk XI Overgangs- en slotbepalingen
Bijlage I bij artikel 55ia, derde lid, Besluit algemene rechtspositie politie
Bijlage II bij artikel 55ia, derde lid, Besluit algemene rechtspositie politie

Hoofdstuk X

Schorsing en ontslag

Artikel 82a

Dit hoofdstuk, met uitzondering van artikel 98, is niet van toepassing op de directeur van de Politieacademie en zijn plaatsvervanger.

Artikel 83

De ambtenaar is van rechtswege in zijn ambt geschorst wanneer hem rechtmatig zijn vrijheid is ontnomen, tenzij de vrijheidsontneming het gevolg is van een maatregel, anders dan op grond van de Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten of de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg, genomen in het belang van de volksgezondheid.

Artikel 84

  1. Onverminderd artikel 77, eerste lid, onderdeel h, kan de ambtenaar in zijn ambt worden geschorst:

    1. indien een strafrechtelijke vervolging ter zake van een misdrijf tegen hem is ingesteld;

    2. wanneer hem door het bevoegd gezag dan wel door Ons, indien het een ambtenaar betreft die bij koninklijk besluit is benoemd, het voornemen tot bestraffing met onvoorwaardelijk ontslag is meegedeeld dan wel wanneer hem die straf is opgelegd of

    3. wanneer naar het oordeel van het bevoegd gezag dan wel naar Ons oordeel indien het betreft een ambtenaar die bij koninklijk besluit is benoemd, het belang van de dienst dit vereist.

  2. Tenzij bij wet is bepaald dat schorsing bij koninklijk besluit geschiedt, geschiedt schorsing door het bevoegd gezag. In afwachting van de schorsing kan de ambtenaar buiten functie worden gesteld door het bevoegd gezag, met dien verstande dat ten aanzien van de bij koninklijk besluit benoemde ambtenaren machtiging van Onze Minister is vereist.

  3. De duur van de schorsing bedraagt maximaal zes maanden.

    De duur van de schorsing kan telkens met maximaal zes maanden worden verlengd indien het zwaarwegend belang van de dienst dit naar het oordeel van het bevoegd gezag vergt.

Artikel 85

  1. Tijdens de schorsing kan de bezoldiging voor een derde gedeelte worden ingehouden; na verloop van zes weken kan een verdere inhouding, ook van het volle bedrag van de bezoldiging, plaatsvinden. Geen inhouding vindt plaats ingeval van een schorsing in het belang van de dienst als bedoeld in artikel 84, eerste lid, onderdeel c, van opneming in een accommodatie als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, van de Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten of een accommodatie als bedoeld in artikel 1:1, eerste lid, onderdeel b, van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg, dan wel van politiebewaring of inverzekeringstelling als bedoeld in artikel 57 van het Wetboek van Strafvordering, mits niet gevolgd door inbewaringstelling.

  2. De ingehouden bezoldiging kan alsnog geheel of gedeeltelijk aan de ambtenaar worden uitbetaald, indien de schorsing niet wordt gevolgd door een onvoorwaardelijk ontslag bij wijze van straf of ontslag op grond van artikel 94, eerste lid, onderdeel d. Op de aldus uit te keren bezoldiging worden in mindering gebracht de inkomsten die de ambtenaar sedert de schorsing heeft genoten uit arbeid die hij als gevolg van de schorsing heeft kunnen verrichten, tenzij dit naar het oordeel van het bevoegd gezag onredelijk of onbillijk is.

  3. Het niet ingehouden gedeelte van de bezoldiging van de geschorste ambtenaar kan aan anderen worden uitbetaald.

  4. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder bezoldiging verstaan de bezoldiging, bedoeld in artikel 1, eerste lid, van het Besluit bezoldiging politie dan wel ingeval van schorsing tijdens ziekte van de ambtenaar, hetgeen daaronder voor de toepassing van hoofdstuk 10 van het Besluit bezoldiging politie wordt verstaan.

Artikel 86

  1. Tenzij bij wet is bepaald dat ontslag wordt gegeven bij koninklijk besluit, wordt ontslag gegeven door het bevoegd gezag.

  2. Aan de ambtenaar, bedoeld in artikel 89, artikel 90, artikel 91, eerste lid, artikel 92 of artikel 94, eerste lid, onderdeel e, f of g, wordt schriftelijk medegedeeld dat toekenning van een bovenwettelijke uitkering als bedoeld in het Besluit bovenwettelijke werkloosheidsuitkering politie, pas plaatsvindt, nadat door hem een aanvraag daartoe is ingediend.

Artikel 87

  1. De ambtenaar wordt op zijn aanvraag ontslag verleend.

  2. Behoudens het geval, bedoeld in artikel 48, eerste lid, wordt dit ontslag verleend met ingang van een dag die niet vroeger dan een maand of later dan drie maanden ligt na de dag waarop de aanvraag om ontslag is ontvangen.

  3. Van het eerste lid kan worden afgeweken indien een strafrechtelijke vervolging ter zake van een misdrijf tegen de ambtenaar is ingesteld of indien wordt overwogen de straf van ontslag op te leggen.

  4. Van het tweede lid kan worden afgeweken:

    1. indien wordt overwogen de ambtenaar een straf als bedoeld in artikel 77 op te leggen;

    2. indien het belang van de dienst dit vereist, met dien verstande dat de termijn van drie maanden, bedoeld in het tweede lid, tot ten hoogste zes maanden kan worden verlengd en dat bij de verlenging in redelijkheid met het belang van de ambtenaar rekening wordt gehouden, of

    3. op aanvraag van de ambtenaar.

  5. Indien een ontslag op aanvraag wordt verleend aan een aspirant of een ambtenaar in opleiding, gaat dit ontslag, in afwijking van het tweede lid, onmiddellijk in.

  6. Het ontslag op aanvraag van de ambtenaar wordt eervol verleend.

Artikel 88a

  1. Aan de ambtenaar wordt met ingang van de eerste dag van de maand volgend op die waarin hij de leeftijd bereikt waarop hij maximaal tien jaar jonger is dan op dat moment voor betrokkene van toepassing zijnde AOW-gerechtigde leeftijd, eervol ontslag verleend, indien hij

    1. op 31 december 2006 de functie van vlieger bij een landelijke eenheid had;

    2. vanaf 1 januari 2007 de functie van vlieger bij een landelijke eenheid heeft;

    3. ten minste tien jaar voorafgaand tot aan het ontslag ononderbroken de functie van vlieger bij een landelijke eenheid heeft; en

    4. op grond van artikel B3, eerste en tweede lid, van het AFUP-opbouwreglement, zoals dat luidde op 31 december 2005, deelnemer was aan de AFUP.

    De artikelen 4a, 4b en 12a tot en met 12d van het Besluit bezoldiging politie zijn niet van toepassing op een ambtenaar als bedoeld in de eerste volzin.

  2. Het bevoegd gezag kan van het verlenen van het ontslag, bedoeld in het eerste lid, aan de ambtenaar die de functie heeft van vlieger bij een landelijke eenheid, voor de duur van telkens ten hoogste één jaar afzien, indien de ambtenaar zulks heeft aangevraagd of daarmee instemt en hij blijkens de uitslag van een door de deskundige persoon of de arbodienst ingesteld arbeidsgezondheidskundig onderzoek, als bedoeld in artikel 50, eerste lid, onderdeel f, lichamelijk en psychisch in staat kan worden geacht de functie van vlieger te blijven vervullen.

  3. Indien niet meer wordt voldaan aan een of beide van de voorwaarden genoemd in het tweede lid, vindt eervol ontslag plaats.

  4. Het ontslag, bedoeld in het derde lid, wordt verleend met ingang van de eerste dag van een maand. Indien dit ontslag plaats vindt op aanvraag van de ambtenaar wordt dit ontslag niet eerder verleend dan een maand en niet later dan drie maanden na de dag waarop de aanvraag om ontslag is ontvangen.

  5. De ambtenaar aan wie op grond van het eerste of derde lid ontslag is verleend, heeft recht op een uitkering overeenkomstig door Onze Minister te stellen regels.

Artikel 88d

  1. Aan de ambtenaar die ontslag vraagt met het oog op een ouderdomspensioen als bedoeld in hoofdstuk 5 van het Pensioenreglement of de uitkering als bedoeld in artikel 29d van het Besluit bezoldiging politie, wordt eervol ontslag verleend.

  2. Het ontslag gaat niet eerder in dan met ingang van de dag waarop het recht ontstaat op een ouderdomspensioen dan wel op de uitkering, bedoeld in het eerste lid.

  3. Op aanvraag van de ambtenaar kan het ontslag, bedoeld in het tweede lid, indien het ontslag enkel wordt verleend met het oog op een ouderdomspensioen, ook voor een gedeelte van zijn arbeidstijd worden verleend, tenzij het belang van de dienst zich hiertegen verzet. Het gedeelte van dit ontslag bedraagt ten minste 10% van de omvang van de betrekking.

    Ontslag voor een gedeelte uit een betrekking waaruit reeds eerder gedeeltelijk ontslag met het oog op een ouderdomspensioen heeft plaatsgevonden, bedraagt ten minste 10% van de oorspronkelijke arbeidstijd.

  4. Artikel 87, tweede tot en met vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 89

  1. Aan de aspirant die is aangesteld op grond van artikel 3, eerste lid, en in het eerste leerjaar een negatief studieadvies ontvangt, wordt eervol ontslag verleend met ingang van de dag volgende op de dag waarop de aanstelling in tijdelijke dienst op grond van artikel 3, eerste lid, is verstreken.

  2. Aan de ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van technische, administratieve en andere taken ten dienste van de politie of de vrijwillige ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van technische, administratieve en andere taken ten dienste van de politie, die tegen het einde van de proeftijd, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel a, niet voldoet aan de eisen van bekwaamheid of geschiktheid, wordt eervol ontslag verleend met ingang van de dag, volgend op die waarop de proeftijd is verstreken.

  3. Aan de ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak of de vrijwillige ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, met een proeftijd als bedoeld in artikel 3a, tweede lid, die tegen het einde van de proeftijd niet voldoet aan de eisen van bekwaamheid of geschiktheid, wordt eervol ontslag verleend met ingang van de dag, volgend op die waarop de proeftijd is verstreken.

  4. Eervol ontslag kan worden verleend bij gebleken niet geschiktheid die voor de dienst wordt vereist aan:

    1. de aspirant, gedurende een krachtens artikel 2c, eerste lid, aangewezen politieopleiding;

    2. de ambtenaar in opleiding, gedurende een krachtens artikel 2c, tweede lid, aangewezen politieopleiding;

    3. de ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, gedurende de proeftijd, bedoeld in artikel 3a, tweede lid;

    4. de ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van technische, administratieve of andere taken ten dienste van de politie, gedurende de proeftijd, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel a;

    5. de vrijwilliger-aspirant, gedurende een krachtens artikel 2c, eerste lid, aangewezen politieopleiding;

    6. de vrijwillige ambtenaar in opleiding, gedurende een krachtens artikel 2c, tweede lid, aangewezen politieopleiding;

    7. de vrijwillige ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, gedurende de proeftijd, bedoeld in artikel 3a, tweede lid;

    8. de vrijwillige ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van de technische, administratieve of andere taken ten dienste van de politie, gedurende de proeftijd, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel a.

  5. Bij het ontslag, bedoeld in het vierde lid, wordt een opzeggingstermijn in acht genomen van:

    1. drie maanden, indien de ambtenaar ten tijde van de opzegging direct daaraan voorafgaand ten minste twaalf maanden ononderbroken in dienst is geweest;

    2. twee maanden, indien de ambtenaar ten tijde van de opzegging direct daaraan voorafgaand ten minste zes maanden maar korter dan twaalf maanden ononderbroken in dienst is geweest, of

    3. één maand, indien de ambtenaar ten tijde van de opzegging direct daaraan voorafgaand korter dan zes maanden ononderbroken in dienst is geweest.

  6. Het ontslag kan, al dan niet op aanvraag van de ambtenaar, ingaan vóór de afloop van de opzeggingstermijn.

  7. Indien het in het zesde lid bedoelde ontslag niet op aanvraag van de ambtenaar geschiedt, wordt hem over de tijd die aan de opzeggingstermijn ontbreekt, een bedrag uitbetaald gelijk aan de laatstgenoten bezoldiging, vermeerderd met de vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering, berekend op de voet van het Besluit bezoldiging politie.

  8. De aspirant en de vrijwilliger-aspirant die arbeidsongeschikt raakt tijdens de krachtens artikel 2c, eerste lid, aangewezen politieopleiding en de arbeidsongeschiktheid is beroepsgerelateerd, maar de arbeidsongeschiktheid komt niet in overwegende mate voort uit ongeschiktheid voor de dienst als bedoeld in het vierde lid, onder a of e,

    1. blijft in dienst en hervat zo mogelijk de politieopleiding, of, indien dit niet mogelijk is dan wel het diploma wordt vanwege die arbeidsongeschiktheid niet behaald,

    2. blijft in dienst en wordt, behoudens zwaarwegend dienstbelang, zodanig geplaatst binnen de politie dat in beginsel 100% doch minimaal 50% van zijn verdiencapaciteit wordt benut, of, indien ook dit niet mogelijk is,

    3. wordt door het bevoegd gezag geholpen te re-integreren bij een andere werkgever.

Artikel 90

  1. Aan de ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, de ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van technische, administratieve en andere taken ten dienste van de politie, de vrijwillige ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, en de vrijwillige ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van technische, administratieve en andere taken ten dienste van de politie, die blijkens zijn akte van aanstelling is benoemd voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 4a, eerste lid, en artikel 4, eerste lid, onderdelen b tot en met g, is, tenzij het tegendeel blijkt, van rechtswege eervol ontslag verleend zodra die tijd is verstreken. Bij voortduring van het dienstverband na het verstrijken van de bepaalde tijd is de ambtenaar van rechtswege aangesteld voor onbepaalde tijd.

  2. De ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, de ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van technische, administratieve en andere taken ten dienste van de politie, de vrijwillige ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, en de vrijwillige ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van technische, administratieve en andere taken ten dienste van de politie, die is aangesteld voor onbepaalde tijd, kan ontslag worden verleend mits een opzegtermijn in acht wordt genomen van:

    1. drie maanden, indien de ambtenaar ten tijde van de opzegging direct daaraan voorafgaand ten minste twaalf maanden ononderbroken in dienst is geweest;

    2. twee maanden, indien de ambtenaar ten tijde van de opzegging direct daaraan voorafgaand ten minste zes maanden doch korter dan twaalf maanden ononderbroken in dienst is geweest of

    3. één maand, indien de ambtenaar ten tijde van de opzegging direct daaraan voorafgaand korter dan zes maanden ononderbroken in dienst is geweest.

  3. Opzegging als bedoeld in het tweede lid, kan niet geschieden gedurende de zwangerschap van de vrouwelijke ambtenaar noch gedurende het verlof bedoeld in artikel 55 noch, indien zij de dienst heeft hervat, gedurende een periode van zes weken volgend op dat verlof. Ter staving van de zwangerschap kan het bevoegd gezag een verklaring van een arts of van een verloskundige verlangen.

  4. Opzegging als bedoeld in het tweede lid, kan niet geschieden wegens de omstandigheid dat de ambtenaar in of buiten rechte een beroep heeft gedaan op het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen.

  5. Opzegging als bedoeld in het tweede lid, kan niet geschieden wegens de omstandigheid dat de ambtenaar geplaatst is op een kandidatenlijst als bedoeld in artikel 9 van de Wet op de ondernemingsraden, noch vanwege het lidmaatschap of het korter dan twee jaar geleden beëindigde lidmaatschap van de ambtenaar van de ondernemingsraad of van een commissie van die raad.

  6. Opzegging als bedoeld in het tweede lid, kan niet geschieden wegens de omstandigheid dat de ambtenaar door een Centrale als bedoeld in artikel 1, onder i, van het Besluit overleg en medezeggenschap politie 1994 of door een daarbij aangesloten bond of vereniging is aangewezen om bestuurlijke of vertegenwoordigende activiteiten te ontplooien binnen zijn Centrale of een daarbij aangesloten bond of vereniging, dan wel binnen de organisatie van de werkgever, die er toe strekken de doelstellingen van zijn centrale van overheidspersoneel en de daarbij aangesloten bonden of verenigingen te ondersteunen.

  7. Opzegging als bedoeld in het tweede lid kan niet geschieden wegens de omstandigheid dat de ambtenaar zijn recht op ouderschapsverlof geldend maakt.

  8. Aan de ambtenaar in tijdelijke dienst, bedoeld in het eerste lid, kan ontslag worden verleend met ingang van de dag, gelegen binnen de bepaalde tijd. In dat geval zijn het tweede tot en met zevende lid van overeenkomstige toepassing.

  9. Het ontslag kan, al dan niet op aanvraag van de ambtenaar, ingaan vóór de afloop van de opzeggingstermijn.

    Indien dit niet op aanvraag van de ambtenaar geschiedt, wordt hem over de tijd die aan de opzeggingstermijn ontbreekt, een bedrag betaald gelijk aan de laatst genoten bezoldiging, vermeerderd met de vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering, berekend op de voet van het Besluit bezoldiging politie.

Artikel 91

  1. De ambtenaar kan in het kader van een reorganisatie eervol ontslag worden verleend indien het niet mogelijk is gebleken een passende functie aan te bieden.

  2. De ontslagverlening op grond van het eerste lid kan betrekking hebben op een gedeelte van de tijd waarvoor de ambtenaar is aangesteld.

  3. Bij herplaatsing in een passende functie bij een andere werkgever wordt de ambtenaar eervol ontslag verleend.

  4. De ambtenaar die heeft geweigerd te voldoen aan een hem op grond van hoofdstuk VII.B opgelegde verplichting, kan in verband daarmee ontslag worden verleend.

  5. De ontslagverlening op grond van het eerste lid vindt niet eerder plaats dan drie jaar nadat de ambtenaar is aangewezen als herplaatsingkandidaat, als bedoeld in hoofdstuk VII.B. Afhankelijk van het aantal dienstjaren van de ambtenaar wordt de termijn van drie jaar verlengd overeenkomstig de hierna volgende tabel:

    In afwijking van de eerste en tweede zin bedraagt de aldaar genoemde termijn van drie jaar voor de ambtenaar die voor 1 januari 2015 is aangewezen als herplaatsingskandidaat, vijf jaar.

  6. Bij een ontslag op grond van het vierde lid wordt een opzeggingstermijn van één maand in acht genomen.

Artikel 92

  1. Aan de ambtenaar die een benoeming als minister of staatssecretaris aanvaardt, wordt met ingang van de dag van het aanvaarden van deze betrekking, eervol ontslag verleend.

  2. Aan de ambtenaar die in verband met de aanvaarding van een functie in een publiekrechtelijk college waarin hij is aangesteld of verkozen, tijdelijk is ontheven van de waarneming van zijn ambt, wordt, indien hij ophoudt zodanige functie te bekleden en hij naar het oordeel van het bevoegd gezag niet in actieve dienst kan worden hersteld, eervol ontslag verleend.

  3. Tenzij artikel 48, eerste lid, van toepassing is, wordt eervol ontslag eveneens verleend aan de ambtenaar die na afloop van het verlof, verleend met toepassing van artikel 45 dan wel van artikel 47, naar het oordeel van het bevoegd gezag niet in actieve dienst kan worden hersteld.

Artikel 93

Indien een ontslag als bedoeld in artikel 12, tweede lid, van de Ambtenarenwet 2017 door het bevoegd gezag of bij koninklijk besluit wordt verleend, is de instemming vereist van Onze Minister.

Artikel 94

  1. Anders dan op aanvraag van de ambtenaar, bij wijze van straf of ingevolge artikel 7 van de Wet Incompatibiliteiten Staten-Generaal en Europees Parlement, artikel 88a, 89, 90, 91, 92, of 93 kan de ambtenaar worden ontslagen op grond van:

    1. het verlies van een vereiste voor de aanstelling, gesteld bij een regeling aan de benoeming voorafgegaan, tenzij het vereiste alleen voor de aanvang van het ambt geldt;

    2. onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak waarbij de ambtenaar onder curatele is gesteld;

    3. het ondergaan van lijfsdwang wegens schulden krachtens onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak;

    4. onherroepelijk geworden veroordeling tot een vrijheidsstraf wegens misdrijf;

    5. ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte;

    6. het vanuit ziekte verrichten van passende arbeid bij een andere werkgever op grond van artikel 49b;

    7. onbekwaamheid of ongeschiktheid voor het door hem beklede ambt, anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken;

    8. het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd;

    9. het bij of in verband met indiensttreding of keuring verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen, zonder welke handelwijze niet tot indienstneming of goedkeuring zou zijn overgegaan, tenzij de ambtenaar aannemelijk maakt dat hij te goeder trouw heeft gehandeld, of

    10. het zonder deugdelijke grond weigeren gevolg te geven of medewerking te verlenen aan de verplichtingen, bedoeld in artikel 49c.

  2. Een ontslag op grond van het eerste lid, onderdelen a, e, f, g en h wordt steeds eervol verleend. Het ontslag kan niet eerder ingaan dan de dag, volgende op die waarop de reden van het ontslag voor het eerst aanwezig was, met dien verstande dat een ontslag op grond van het eerste lid, onderdeel g, eerst kan ingaan vier weken nadat het ontslagbesluit aan de ambtenaar is bekendgemaakt, tenzij sprake is van dringende redenen.

  3. Een ontslag als bedoeld in het eerste lid, onderdeel e, kan slechts plaatsvinden indien:

    1. er sprake is van ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte gedurende een ononderbroken periode van twee jaar,

    2. herstel van zijn ziekte niet binnen een periode van zes maanden na de in onderdeel a genoemde termijn van twee jaar te verwachten is, en

    3. na een zorgvuldig onderzoek is gebleken dat binnen het gezagsbereik van het bevoegd gezag of bij een andere werkgever geen passende arbeid voorhanden is.

  4. Een ontslag als bedoeld in het eerste lid, onderdeel f, kan, behoudens wederzijds goedvinden, slechts plaatsvinden indien:

    1. er sprake is van ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte gedurende een ononderbroken periode van twee jaar,

    2. herstel van zijn ziekte niet binnen een periode van zes maanden na de in onderdeel a genoemde termijn van twee jaar te verwachten is, en

    3. de betrokkene in dienst treedt van de andere werkgever.

  5. De ambtenaar die door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen voor minder dan 35% arbeidsongeschikt is verklaard, blijft in dienst, tenzij een zwaarwegend dienstbelang zich hiertegen verzet. Indien het voor de ambtenaar niet mogelijk is zijn bestaande samenstel van werkzaamheden te blijven verrichten, wordt hij gere-integreerd in aangepast werk.

  6. De in het derde lid, onderdeel a, bedoelde periode van twee jaar wordt met één jaar verlengd indien de ambtenaar niet binnen twee jaar zodanig is herplaatst dat de resterende verdiencapaciteit volledig wordt benut.

  7. Voor de berekening van het tijdvak van twee jaar, bedoeld in het derde lid, onderdeel a, en het vierde lid, onderdeel a, worden perioden van ongeschiktheid tot het verrichten van haar arbeid wegens ziekte tengevolge van zwangerschap voorafgaand aan het zwangerschapsverlof en perioden van ongeschiktheid tijdens het zwangerschaps- of bevallingsverlof, bedoeld in artikel 55, niet in aanmerking genomen.

  8. Perioden van ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid, anders dan bedoeld in het zevende lid, worden samengeteld indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen, of indien zij direct voorafgaan aan en aansluiten op een periode waarin zwangerschaps- of bevallingsverlof wordt genoten overeenkomstig artikel 55, tenzij de ongeschiktheid redelijkerwijs niet geacht kan worden voort te vloeien uit dezelfde oorzaak.

  9. Bij de beoordeling of er sprake is van een situatie als bedoeld in het derde lid, onderdelen a en b, of het vierde lid, onderdelen a en b, betrekt het bevoegd gezag de beschikking op de aanvraag, bedoeld in artikel 64, eerste lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen.

  10. Indien de beschikking op de aanvraag, bedoeld in artikel 64, eerste lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen ouder is dan zes maanden, of in die beschikking geen oordeel is gegeven over mogelijk herstel binnen zes maanden, of het bevoegd gezag niet beschikt over deze beschikking omdat de ambtenaar de aanvraag niet heeft ingediend bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, vraagt het bevoegd gezag een oordeel als bedoeld in artikel 32, zesde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen aan en betrekt dit oordeel bij de beoordeling of er sprake is van een situatie als bedoeld in het derde of vierde lid.

  11. Indien herplaatsing als bedoeld in het derde lid, onder c, plaatsvindt in een betrekking voor minder uren dan het aantal waarvoor de ambtenaar was aangesteld, heeft het ontslag uitsluitend betrekking op het meerdere aantal uren.

  12. Indien sprake is van een situatie als bedoeld in het eerste lid, onderdeel f, en de ambtenaar bij de andere werkgever voor minder uren arbeid verricht dan het aantal waarvoor hij was aangesteld, heeft het ontslag uitsluitend betrekking op het aantal uren dat hij passend werk verricht bij de andere werkgever.

  13. Alvorens op grond van het eerste lid, onderdeel j, ontslag te verlenen, verzoekt het bevoegd gezag om een oordeel als bedoeld in artikel 32, tweede lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.

  14. Het bevoegd gezag stelt de ambtenaar schriftelijk in kennis dat een oordeel als bedoeld in artikel 32, eerste, tweede, derde, vierde lid of zesde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, wordt aangevraagd.

  15. De ambtenaar wiens arbeidsongeschiktheid beroepsgerelateerd is, blijft in dienst en wordt, behoudens zwaarwegend dienstbelang als bedoeld in het vijfde lid, door het bevoegd gezag zodanig herplaatst dat in beginsel 100% doch minimaal 50% van zijn verdiencapaciteit wordt benut.

Artikel 95

  1. Een ambtenaar kan ook op andere gronden, dan die welke in artikel 94 zijn geregeld of waarnaar in dat artikel wordt verwezen, worden ontslagen. Voor een ontslagverlening als bedoeld in de eerste volzin is de instemming vereist van Onze Minister, indien in de wet is bepaald dat ontslag bij koninklijk besluit wordt verleend. Het ontslag wordt eervol verleend.

  2. In geval van ontslag ingevolge het eerste lid wordt een regeling getroffen waarbij de ambtenaar een uitkering wordt toegekend die met het oog op de omstandigheden redelijk is te achten. Deze uitkering zal in geen geval minder mogen zijn dan die welke de ambtenaar op grond van artikel 97 zou toekomen in geval van ontslag als daar bedoeld.

  3. De regeling, bedoeld in het tweede lid, wordt getroffen:

    1. bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister, indien het een ambtenaar betreft die een functie vervult waarvoor salarisschaal 18 of hoger geldt;

    2. door de korpschef, indien het een ambtenaar betreft die een functie vervult waarvoor salarisschaal 17 of lager geldt.

Artikel 97

Aan de ambtenaar die als gevolg van een ontslag op grond van de artikelen 89, eerste tot en met derde lid, artikel 90, eerste, tweede en achtste lid91, eerste lid, 92, of artikel 94, eerste lid, onderdeel e, f of g, van dit besluit, werkloos is geworden in de zin van de Werkloosheidswet, kan een bovenwettelijke aanvulling op zijn WW-uitkering worden toegekend krachtens het Besluit bovenwettelijke werkloosheidsuitkering politie. Bij samenloop van het Besluit bovenwettelijke werkloosheidsuitkering politie met het Besluit suppletie gedeeltelijk arbeidsongeschikten sector politie, wordt laatstgenoemd besluit uitgevoerd. Het recht op grond van het Besluit bovenwettelijke werkloosheidsuitkering politie leidt in dat geval niet tot uitkering en de berekening van de periode daarvan wordt niet gewijzigd.

Artikel 98

In geval de directeur van de Politieacademie of zijn plaatsvervanger wordt ontslagen wegens zwaarwegende in de persoon van de betrokkene gelegen redenen, niet zijnde ongeschiktheid of onbekwaamheid voor de vervulde functie, kan bij koninklijk besluit een regeling getroffen worden waarbij hem een uitkering wordt toegekend die met het oog op de omstandigheden redelijk is te achten. Deze uitkering zal in geen geval minder mogen zijn dan die welke de directeur van de Politieacademie of zijn plaatsvervanger zou toekomen krachtens het Besluit bovenwettelijke werkloosheidsuitkering politie in geval van ontslag als daar bedoeld.

← terug naar Besluit algemene rechtspositie politie