Besluit algemene rechtspositie politie Laatste controle 29-03-2026, laatste wijziging 26-03-2026.

Inhoud
Hoofdstuk I Algemene bepaling
Hoofdstuk Ia Elektronische berichtgeving
Hoofdstuk II Aanstelling
Hoofdstuk III Arbeids- en rusttijden
Hoofdstuk IV Vakantie
Hoofdstuk IV.A Individuele keuzemogelijkheden in arbeidsvoorwaarden
Hoofdstuk V Verlof
Hoofdstuk V.a Levensfase-uren
Hoofdstuk VI Buitengewoon verlof
Hoofdstuk VII Arbeidsgezondheidskundige begeleiding en maatregelen en enkele overige bepalingen in verband met ziekte, beroepsgerelateerde gezondheidsklachten en zwangerschap
Hoofdstuk VII.a Integriteit
Hoofdstuk VII.b Voorzieningen bij reorganisaties
Hoofdstuk VIII Overige rechten en verplichtingen van de ambtenaar
Hoofdstuk IX Straffen
Hoofdstuk X Schorsing en ontslag
Hoofdstuk XI Overgangs- en slotbepalingen
Bijlage I bij artikel 55ia, derde lid, Besluit algemene rechtspositie politie
Bijlage II bij artikel 55ia, derde lid, Besluit algemene rechtspositie politie

Hoofdstuk VIII

Overige rechten en verplichtingen van de ambtenaar

Artikel 56

  1. De verstrekking van uniformkleding, die door het bevoegd gezag is aangewezen aan de aspirant, de ambtenaar in opleiding, de ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, de ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van technische, administratieve en andere taken ten dienste van de politie en de vrijwillige ambtenaar, geschiedt door de zorg van het bevoegd gezag. De verstrekking van uniformkleding geschiedt kosteloos. Onze Minister kan ter zake van de verstrekking van uniformkleding nadere regels vaststellen, alsmede ter zake van het onderhoud van uniformkleding regels vaststellen.

  2. De verstrekking van dienstkleding, die door het bevoegd gezag is aangewezen aan de aspirant, de ambtenaar in opleiding, de ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, de ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van technische, administratieve en andere taken ten dienste van de politie en de vrijwillige ambtenaar, geschiedt door de zorg van het bevoegd gezag. De verstrekking van dienstkleding geschiedt kosteloos. Onze Minister kan ter zake van de verstrekking van dienstkleding nadere regels vaststellen, alsmede ter zake van het onderhoud van dienstkleding regels vaststellen.

  3. De ambtenaar, bedoeld in het eerste lid, is verplicht het uniform en de onderscheidingstekenen te dragen, voor zover dit voor hem voorgeschreven is.

  4. Het buiten dienst gekleed gaan in uniform is geoorloofd, behalve tijdens het vervullen van een nevenbetrekking of bij het verrichten van werkzaamheden ten behoeve van derden, in welke vorm dan ook. Van dit verbod kan alleen ten aanzien van uit de openbare kas bezoldigde ambten door Onze Minister ontheffing worden verleend.

Artikel 57

  1. Het is de ambtenaar, bedoeld in artikel 56, eerste lid, verboden in dienst uniformkledingstukken te dragen, tenzij deze van dienstwege zijn verstrekt of voorgeschreven.

  2. Het is de ambtenaar, bedoeld in artikel 56, eerste lid, verboden bij gekleed gaan in uniform insignes of andere onderscheidingstekens te dragen, tenzij deze van regeringswege zijn verstrekt of voorgeschreven of tot het dragen daarvan door het bevoegd gezag vergunning is verleend.

Artikel 58

  1. Aan de ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, de ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van technische, administratieve en andere taken ten dienste van de politie, de vrijwillige ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, en de vrijwillige ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van technische, administratieve en andere taken ten dienste van de politie kunnen studiefaciliteiten worden verleend.

  2. Het bevoegd gezag kent studiefaciliteiten toe voor functiegerichte opleidingen tenzij zwaarwegende redenen van dienstbelang zich hiertegen verzetten.

  3. Het bevoegd gezag kan studiefaciliteiten toekennen voor opleidingen die niet functiegericht zijn of voor opleidingen die zijn gericht op een functie buiten de politieorganisatie.

  4. Onze Minister stelt nadere regels vast met betrekking tot het tweede en derde lid.

Artikel 59

De aspirant, de ambtenaar in opleiding, de ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, de ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van technische, administratieve en andere taken ten dienste van de politie, die opsporingsbevoegdheid bezit, de vrijwilliger-aspirant, de vrijwillige ambtenaar in opleiding, de vrijwillige ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, de vrijwillige ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van technische, administratieve en andere taken ten dienste van de politie, die opsporingsbevoegdheid bezit of de ambtenaar van de rijksrecherche, aangesteld voor de uitvoering van technische, administratieve en andere taken ten dienste van de rijksrecherche, die opsporingsbevoegdheid bezit kunnen zich niet beroepen op de omstandigheid niet in dienst te zijn, in die gevallen, waarin hun optreden redelijkerwijze is vereist.

Artikel 59a

  1. De ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, die enkel een krachtens artikel 2c, tweede lid, aangewezen politieopleiding heeft voltooid, en de vrijwillige ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, die enkel een krachtens artikel 2c, tweede lid, aangewezen politieopleiding heeft voltooid, onthoudt zich van werkzaamheden buiten het vakgebied waarvan diens functie als bedoeld in dat lid onderdeel uitmaakt, onverminderd nadere opleidings- en certificeringseisen.

  2. Het eerste lid is niet van toepassing gedurende de periode of perioden waarin de ambtenaar, bedoeld in het eerste lid, de politietaak bij een eenheid uitvoert in het kader van een krachtens artikel 2c, eerste lid, aangewezen politieopleiding, met het oog op een aanstelling in een andere functie dan bedoeld in artikel 2c, tweede lid.

Artikel 60

Indien de ambtenaar verhinderd is zijn dienst te verrichten, is hij verplicht daarvan, onder opgave van redenen, zo spoedig mogelijk mededeling te doen op de door het bevoegd gezag aangegeven wijze.

Artikel 61

  1. De ambtenaar kan worden verplicht te gaan of te blijven wonen in of nabij de gemeente waarbinnen de plaats van tewerkstelling is gelegen, indien dit naar het oordeel van het bevoegd gezag noodzakelijk is in verband met de goede vervulling van zijn functie.

  2. De ambtenaar aan wie de verplichting is opgelegd in of nabij de in het eerste lid bedoelde gemeente te gaan wonen, is gehouden zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk twee jaar nadat die verplichting is opgelegd, daaraan gevolg te geven.

Artikel 62

  1. Het bevoegd gezag kan in het belang van de dienst, in overeenstemming met de ambtenaar, met ingang van een door het ter zake bevoegd gezag te bepalen tijdstip, een ambtenaar detacheren:

    1. bij het Ministerie van Justitie en Veiligheid, mits de detachering op aanvraag van of in overeenstemming met Onze Minister plaatsvindt;

    2. bij een door Onze Minister aan te wijzen organisatie.

  2. Indien de ambtenaar, bedoeld in het eerste lid, bij koninklijk besluit is aangesteld, is voor de detachering de instemming van Onze Minister vereist.

  3. Onze Minister stelt bij ministeriele regeling een modelovereenkomst vast die wordt gebruikt indien een ambtenaar wordt gedetacheerd.

Artikel 62a

Een ambtenaar in dienst van de politie kan op zijn verzoek door Onze Minister ter beschikking worden gesteld van Aruba, Curaçao en Sint Maarten en van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba voor het vervullen van een functie bij de overheden in die landen en in die openbare lichamen dan wel ten behoeve van het verrichten van werkzaamheden in het kader van de samenwerking tussen de landen van het Koninkrijk in het recherchesamenwerkingsteam.

Artikel 62b

Op de terbeschikkingstellingen bedoeld in artikel 62a zijn de voorwaarden van toepassing die in de laatstelijk afgesloten collectieve arbeidsovereenkomst zijn overeengekomen voor de terbeschikkingstelling van ambtenaren, die krachtens een arbeidsovereenkomst met de Staat werkzaam zijn, aan Aruba, Curaçao en Sint Maarten en van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba.

Artikel 63

  1. De ambtenaar die in een deelbetrekking is aangesteld en die op aanwijzing of met goedkeuring van het bevoegd gezag een opleiding volgt, is verplicht aan die opleiding deel te nemen als ware hij in een volledige betrekking aangesteld.

  2. Voor zolang het eerste lid meebrengt dat de arbeidstijd die de betrekking van de ambtenaar omvat, wordt overschreden, wordt hem een vergoeding toegekend met toepassing van artikel 27 van het Besluit bezoldiging politie.

  3. De in het eerste lid gestelde verplichting geldt niet ten aanzien van die opleidingen, waarvoor een programma is vastgesteld dat uitdrukkelijk voorziet in de mogelijkheid van deelname door ambtenaren, die een deelbetrekking vervullen.

Artikel 64

  1. Indien het belang van de dienst dit in bijzondere gevallen vordert, is de ambtenaar verplicht zijn functie op een andere dan de hem aangewezen plaats van tewerkstelling of binnen een ander dan het hem aangewezen werkgebied uit te oefenen of, al dan niet op een andere dan de hem aangewezen plaats van tewerkstelling of binnen een ander dan het hem aangewezen werkgebied, een andere functie dan die waarin hij is aangesteld, mits dit redelijk is in verband met zijn persoonlijkheid, omstandigheden en vooruitzichten.

  2. Ter begrenzing van de toepassing van een verplaatsing op grond van het eerste lid, bedraagt de maximale reistijd niet meer dan anderhalf uur enkele reis en maximaal twee keer anderhalf uur heen- en terugreis vanuit de woning naar de aangewezen plaats van tewerkstelling en bedraagt de reisafstand over de weg maximaal 125 kilometer enkele reis en maximaal 250 kilometer heen- en terugreis, vanuit de woning naar de aangewezen plaats van tewerkstelling.

  3. Voor de meer gemaakte reiskilometers die ontstaan door de verplaatsing op grond van het eerste lid, ontvangt de ambtenaar vanaf het moment van de wijziging een tegemoetkoming in de reiskosten woon-werkverkeer op grond van artikel 6, eerste lid, van het Besluit reis-, verblijf, en verhuiskosten politie.

  4. De tegemoetkoming bedoeld in het derde lid wordt toegekend voor elke kilometer die de afstand naar de nieuwe plaats van te werkstelling meer bedraagt dan de afstand van de woning naar de oorspronkelijke plaats van te werkstelling.

  5. De ambtenaar die is aangesteld voor de uitvoering van de politietaak behoudt bij een verplaatsing, zoals bedoeld in het eerste lid, naar een administratief-technische functie zijn aanstelling als ambtenaar ter uitvoering van de politietaak.

  6. De ambtenaar kan een aanvraag doen om teruggeplaatst te worden in of nabij de oorspronkelijke plaats van tewerkstelling.

  7. De ambtenaar behoudt het recht op de periodieken op grond van artikel 9a Besluit bezoldiging politie OVW periodieken, bij plaatsing op grond van het eerste lid in een functie met minder dan 24 OVW punten.

Artikel 64a

  1. De ambtenaar kan tijdelijk voor niet langer dan drie achtereenvolgende maanden worden ingezet voor werkzaamheden in een andere dan de eigen functie, mits de andere werkzaamheden redelijkerwijs aan de ambtenaar kunnen worden opgedragen en in het verlengde van diens functie liggen.

  2. De ambtenaar kan eveneens tijdelijk voor niet langer dan drie achtereenvolgende maanden, in de eigen functie of belast met werkzaamheden als bedoeld in het eerste lid, worden ingezet in een ander team dan wel op een andere plaats dan de aangewezen plaats van tewerkstelling.

  3. Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op de tijdelijke wijziging van de inzet van een groep ambtenaren.

  4. Vanaf het moment dat de ambtenaar wordt ingezet op grond van het tweede lid, ontvangt hij een tegemoetkoming voor elke kilometer die de afstand tussen zijn woning en de oorspronkelijke plaats van tewerkstelling te boven gaat.

  5. De in het vierde lid bedoelde tegemoetkoming bedraagt per afgelegde meerkilometer het bedrag, genoemd in artikel 6, eerste lid, van het Besluit reis-, verblijf-, en verhuiskosten politie.

Artikel 65

Op aanvraag van de ambtenaar kan hem een andere functie worden opgedragen, al dan niet op een andere dan de hem aangewezen plaats van tewerkstelling of binnen een ander dan het hem aangewezen werkgebied, of kan hem op aanvraag worden opgedragen zijn functie op een andere dan de aangewezen plaats van tewerkstelling dan wel een ander dan het aangewezen werkgebied uit te oefenen.

Artikel 65a

  1. Aan de vrijwillige ambtenaar kan, anders dan in gevallen van reorganisatie, een andere functie worden opgedragen, al dan niet op een andere dan de hem aangewezen plaats van tewerkstelling of binnen een ander dan het hem aangewezen werkgebied. Aan hem kan tevens worden opgedragen zijn functie op een andere dan de hem aangewezen plaats van tewerkstelling of binnen een ander dan het hem aangewezen werkgebied uit te oefenen.

  2. De verplaatsing bedoeld in het eerste lid geschiedt:

    1. op verzoek van de vrijwillige ambtenaar;

    2. op verzoek van het bevoegd gezag, indien er sprake is van een niet werkbare situatie, gelegen in de aard van de persoon of de opgedragen werkzaamheden; of

    3. bij gebleken en aanhoudende afwijking van het landelijke vrijwilligersbeleid in het organisatieonderdeel waar de vrijwillige ambtenaar is aangesteld.

Artikel 67

  1. Van de ambtenaar en de gewezen ambtenaar die geheel of gedeeltelijk op kosten van het bevoegd gezag een opleiding hebben verkregen, kunnen deze kosten geheel of gedeeltelijk worden teruggevorderd indien:

    1. de opleiding niet met goed gevolg is afgerond door toedoen van de ambtenaar of in het geval het niet met goed gevolg afronden aan eigen schuld van de ambtenaar is te wijten;

    2. de opleiding voortijdig wordt beëindigd door toedoen van de ambtenaar of in het geval de beëindiging aan eigen schuld van de ambtenaar is te wijten;

    3. de ambtenaar binnen een periode van drie jaar na afronding van de opleiding de politie verlaat tenzij de ambtenaar het vertrek niet is toe te rekenen.

  2. In beginsel geldt de verplichting uit het eerste lid niet bij een ontslag op grond van artikel 91.

  3. Tot terugvordering van de kosten, bedoeld in het eerste lid, kan slechts worden overgegaan indien de ambtenaar schriftelijk heeft verklaard bekend te zijn met de mogelijkheid van terugvordering en de kosten die voor de terugvordering in aanmerking kunnen komen.

  4. De terugvordering, bedoeld in het eerste lid onder c, geschiedt binnen drie maanden na de datum waarop de ambtenaar de politie heeft verlaten. Bij de berekening van de terug te betalen kosten wordt rekening gehouden met het reeds verstreken deel van de periode van drie jaar.

  5. Onze Minister stelt over de uitvoering van het eerste lid nadere regels vast.

Artikel 68

  1. Het bevoegd gezag kan de ambtenaar verplichten de door de dienst geleden schade, voor zover deze aan de ambtenaar is te wijten, geheel of gedeeltelijk te vergoeden. In gevallen waarin de schade minder bedraagt dan € 226,89 kan de directeur van de Politieacademie de in de eerste volzin bedoelde bevoegdheid uitoefenen jegens een aspirant of een vrijwilliger-aspirant.

  2. Het bedrag van de schadevergoeding wordt niet vastgesteld dan nadat de ambtenaar in de gelegenheid is gesteld zich schriftelijk of mondeling te verantwoorden.

Artikel 69

  1. Aan de ambtenaar wordt de schade aan zijn goederen vergoed die hij buiten zijn schuld lijdt ten gevolge van de uitoefening van zijn dienst, voor zover die schade niet bestaat uit de normale slijtage van die goederen.

  2. De ambtenaar heeft geen aanspraak, bedoeld in het eerste lid, indien hij ter zake van die schade rechten tegenover derden kan doen gelden. Indien de ambtenaar zijn rechten tegenover derden cedeert aan het bevoegd gezag, wordt hij in het genot gesteld van het in geld uitgedrukte bedrag van de schade.

  3. Aan de ambtenaar wordt de immateriële schade die hij ten gevolge van de uitoefening van zijn dienst lijdt in geld vergoed, voor zover hij terzake van deze schade op basis van een onherroepelijke rechterlijke uitspraak tegenover derden rechten op betaling van een geldsom kan doen gelden en mits hij deze rechten binnen zes maanden na de definitieve rechterlijke uitspraak cedeert aan het bevoegd gezag.

  4. Indien het bevoegd gezag ter zake van de door voornoemde cessies verkregen rechten een civiele vordering instelt, worden de kosten die hieruit voortvloeien voor het bevoegd gezag niet op de ambtenaar verhaald.

  5. Onze Minister stelt ter uitvoering van dit artikel nadere regels vast.

Artikel 69a

  1. Indien de ambtenaar wegens de uitoefening van de werkzaamheden aansprakelijk wordt gesteld naar burgerlijk recht, als verdachte wordt aangemerkt naar strafrecht of geweld heeft gebruikt en ten aanzien van dat geweldgebruik een feitenonderzoek als bedoeld in artikel 511a van het Wetboek van Strafvordering is ingesteld, kent het bevoegd gezag diegene een tegemoetkoming in de kosten van rechtskundige hulp toe, tenzij diegene naar het oordeel van het bevoegd gezag opzettelijk onrechtmatig dan wel opzettelijk wederrechtelijk of bewust roekeloos heeft gehandeld, of grof nalatig is geweest.

  2. Indien de ambtenaar een vordering instelt op grond van onrechtmatige daad, jegens hem gepleegd wegens de uitoefening van de werkzaamheden, kent het bevoegd gezag hem een tegemoetkoming in de kosten van rechtskundige hulp toe, tenzij het bevoegd gezag van oordeel is dat de vordering kennelijk onvoldoende grond heeft of kennelijk onredelijk is.

  3. Het eerste en het tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing indien de rechtskundige hulp aan de ambtenaar is verleend, op grond van zijn lidmaatschap, door een centrale of een vereniging als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van het Besluit overleg en medezeggenschap politie 1994, met dien verstande dat de tegemoetkoming in de kosten van rechtskundige hulp rechtstreeks wordt betaald aan voornoemde centrale of vereniging.

  4. Het bevoegd gezag kan verdere tegemoetkoming in de kosten van rechtskundige hulp staken of de tegemoetkoming in de kosten van de rechtskundige hulp terugvorderen, indien

    1. de aan een derde toegebrachte schade blijkens rechterlijk vonnis het gevolg is van opzettelijk onrechtmatig dan wel opzettelijk wederrechtelijk of bewust roekeloos handelen van de ambtenaar, of

    2. indien de ambtenaar strafrechtelijk wordt veroordeeld.

  5. In bijzondere gevallen, gelet op de aard van de zaak of de omstandigheden van de ambtenaar, kan het bevoegd gezag, overwegend dat de handeling geen gevolg is van de taakuitoefening van de ambtenaar, besluiten tot een tegemoetkoming in de kosten van rechtskundige hulp.

  6. Onze Minister stelt nadere regels vast met betrekking tot tegemoetkoming in de kosten van rechtskundige hulp.

Artikel 69b

  1. De korpschef kan de ambtenaar naar billijkheid kosten vergoeden, een geldelijke tegemoetkoming verlenen of een schadevergoeding toekennen anders dan bedoeld in artikel 53, paragraaf 2 van hoofdstuk VII of artikel 69.

  2. Onze Minister kan regels stellen omtrent de kostenvergoedingen, geldelijke tegemoetkomingen en schadevergoedingen aan groepen van ambtenaren.

  3. De voorgaande leden zijn niet van toepassing op gebeurtenissen die hebben plaatsgevonden voorafgaand aan de datum van inwerkingtreding van dit artikel.

Artikel 70

  1. De ambtenaar die in contact staat of kort geleden heeft gestaan met een persoon die een ziekte heeft waarvoor krachtens de Wet publieke gezondheid een meldingsplicht geldt, mag zijn dienst niet verrichten en heeft geen toegang tot dienstgebouwen, -lokalen en -terreinen dan met toestemming van het bevoegd gezag, dat deze toestemming slechts kan verlenen na een positief medisch advies als bedoeld in hoofdstuk VII.

  2. De ambtenaar die verkeert in de situatie, bedoeld in het eerste lid, is verplicht daarvan ten spoedigste kennis te geven aan de deskundige persoon of de arbodienst. Hij is gehouden zich te gedragen naar de vanwege de deskundige persoon of de arbodienst gegeven aanwijzingen, waaronder die met betrekking tot het ondergaan van een geneeskundig onderzoek.

  3. Gedurende de periode dat de ambtenaar ingevolge dit artikel zijn dienst niet verricht, geniet hij volle bezoldiging.

Artikel 71

  1. Met inachtneming van de door het bevoegd gezag ter zake vastgestelde regels wordt met de ambtenaar ten minste een maal per jaar een gesprek gehouden over de vervulling van zijn functie in de afgelopen en komende periode en de voortgang van een persoonlijk ontwikkelingsplan als bedoeld in artikel 72. In het gesprek wordt ook aandacht besteed aan integriteitsaspecten in relatie tot het functioneren van de ambtenaar en het functioneren van het dienstonderdeel waar hij werkzaam is. De hoofdzaken van dit gesprek worden in overeenstemming met de ambtenaar in een door de ambtenaar medeondertekend document vastgelegd. De ambtenaar ontvangt een afschrift van dit document.

  2. Met inachtneming van de door het bevoegd gezag ter zake vastgestelde regels wordt de ambtenaar die een aanvraag daartoe indient dan wel ten aanzien van wie dit door het bevoegd gezag nodig wordt geacht, beoordeeld over de wijze waarop hij zijn functie vervult en zijn gedragingen tijdens de uitoefening van die functie. Aan de aanvraag van de ambtenaar om overeenkomstig dit lid te worden beoordeeld, wordt niet eerder voldaan dan na het verstrijken van één jaar sedert de vastlegging van de voorafgaande over hem uitgebrachte beoordeling.

  3. Met inachtneming van de door het bevoegd gezag ter zake vastgestelde regels worden toekomstverwachtingen opgemaakt over de ambtenaar die in beschouwing wordt genomen voor een binnen afzienbare tijd te verwachten plaatsing in een hoger gewaardeerde functie van een onderdeel van het landelijk politiekorps dan wel binnen de Politieacademie. Ook kunnen toekomstverwachtingen worden opgemaakt voor een ambtenaar die in de nabije toekomst een verplaatsing naar een andere niet hoger gewaardeerde functie in een onderdeel van het landelijk politiekorps dan wel binnen de Politieacademie aanvraagt of ten aanzien van wie een dergelijke verplaatsing wenselijk wordt geacht, mits de mogelijkheid tot een dergelijke verplaatsing reëel aanwezig is en het bevoegd gezag instemt met de wens van de ambtenaar.

  4. Onder toekomstverwachting wordt in dit verband verstaan: een systematische bezinning op de behoeften en potentiële capaciteiten van de ambtenaar, bekeken in het kader van de mogelijkheden binnen het desbetreffende onderdeel van het landelijk politiekorps of de Politieacademie, welke bezinning uitmondt in concrete afspraken alsmede het daarop tijdig actie ondernemen.

  5. De ambtenaar wordt van de inhoud van de over hem opgemaakte beoordeling, bedoeld in het tweede lid, of de over hem opgemaakte toekomstverwachting, bedoeld in het derde en vierde lid, in kennis gesteld nadat deze door het bevoegd gezag is bekrachtigd. Hij ontvangt een afschrift van het document dat de over hem opgemaakte beoordeling of de toekomstverwachting bevat. Hij ondertekent dit document voor kennisgeving van de inhoud en voor ontvangst ervan.

    Hij kan zijn bezwaren tegen de over hem opgemaakte beoordeling of toekomstverwachting overeenkomstig de door het bevoegd gezag vastgestelde regels aan het bevoegd gezag kenbaar maken en om herziening verzoeken.

  6. Onze Minister kan ter uitvoering van dit artikel nadere regels vaststellen.

Artikel 72

Met inachtneming van de door Onze Minister ter zake vastgestelde gespreksleidraad wordt met de ambtenaar ten minste eenmaal per drie jaar een gesprek gehouden over een persoonlijk ontwikkelingsplan. Op aanvraag van de ambtenaar dan wel in overleg met de ambtenaar kan het bevoegd gezag bepalen dat een gesprek over een persoonlijk ontwikkelingsplan plaatsvindt met een grotere frequentie dan eenmaal per drie jaar, doch met een maximum van eenmaal per jaar. De hoofdzaken van dit gesprek worden in overeenstemming met de ambtenaar in een door de ambtenaar medeondertekend document vastgelegd. De ambtenaar ontvangt een afschrift van dit document.

Artikel 72a

Een diploma verbonden aan het voltooien van een initiële opleiding, die de ambtenaar is begonnen vóór 1 januari 2002, wordt voor wat betreft de benoembaarheid van de ambtenaar in een functie, bij nader door Onze Minister te stellen regels, gelijkgesteld aan een diploma verbonden aan een voltooide initiële opleiding van na 1 januari 2002 en aan een diploma verbonden aan een politieopleiding als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel s, onder 1°, van de Politiewet 2012.

Artikel 73

  1. Aan de ambtenaar kan door het bevoegd gezag de toegang tot de dienstlokalen, dienstgebouwen, dienstterreinen, dan wel het verblijf aldaar, worden ontzegd.

  2. Hij is verplicht zich te gedragen naar de maatregelen van orde die ten aanzien van het verblijf op voornoemde plaatsen zijn vastgesteld.

Artikel 74

  1. De ambtenaar kan wegens buitengewone toewijding of bijzonder loffelijke dienstverrichtingen worden beloond.

  2. De beloningen voor de ambtenaar, met uitzondering van de vrijwillige ambtenaar, zijn:

    1. tevredenheidsbetuiging;

    2. extra verlof;

    3. gratificatie;

    4. verhoging van het salaris tot het naasthogere bedrag in de salarisschaal of

    5. indeling in een hogere salarisschaal.

  3. Dit artikel is niet van toepassing op de ambtenaar met een functie waarvoor salarisschaal 15 of hoger geldt.

  4. De beloningen voor de vrijwillige ambtenaar zijn:

    1. tevredenheidsbetuiging; of

    2. gratificatie van ten hoogste € 226,89.

Artikel 75

  1. Het bevoegd gezag verstrekt aan de ambtenaar bij zijn twaalfeneenhalf-, 25-, 40-, 45- of 50-jarig ambtsjubileum een huldeblijk, bestaande uit een gratificatie of geschenk, dan wel uit een combinatie van beide.

  2. De aan het huldeblijk verbonden uitgaven bedragen bij de in het eerste lid genoemde ambtsjubilea respectievelijk niet meer dan vijfentwintig, vijftig, honderd, vijftig en honderd procent van de som van de bezoldiging en de vakantieuitkering van de ambtenaar. Voor de gedeeltelijk arbeidsongeschikte ambtenaar worden de in de eerste volzin vermelde percentages genomen van de bezoldiging en de vakantie-uitkering die de ambtenaar zou hebben genoten indien er geen sprake zou zijn geweest van gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid.

  3. Het bevoegd gezag kent aan de ambtenaar die een diensttijd bij de politie heeft van tien jaar of meer en aan wie ontslag is verleend op grond van:

    1. artikel 91,

    2. artikel 94, eerste lid, onderdeel e, of

    3. artikel 94, eerste lid, onderdeel f, voor zover dit ontslag is verleend in verband met het vanuit ziekte verrichten van passende arbeid bij een andere werkgever dan een overheidswerkgever, een gratificatie toe, tenzij bij voortduring van het dienstverband niet binnen een termijn van vijf jaar aanspraak op een gratificatie bij ambtsjubileum zou bestaan. De gratificatie bedraagt een in verhouding tot de doorgebrachte diensttijd evenredig gedeelte van de eerstvolgende gratificatie bij ambtsjubileum waarop hij bij het voortduren van het dienstverband aanspraak zou maken.

  4. Onze Minister stelt regels over de diensttijd die voor de vaststelling van de in het eerste lid genoemde ambtsjubilea in aanmerking komt.

  5. Geen gratificatie als bedoeld in het eerste lid bij een 45-jarig ambtsjubileum ontvangen ambtenaren die de gratificatie uit anderen hoofde hebben ontvangen.

Artikel 75bis

Aan de vrijwillige ambtenaar kan een vergoeding worden verstrekt overeenkomstig door Onze Minister vast te stellen regels. Deze vergoeding kan voor de verschillende categorieën vrijwillige ambtenaren verschillend worden vastgesteld.

← terug naar Besluit algemene rechtspositie politie