-
De melding als bedoeld in artikel 8, tweede lid, onderdeel a, van de Ambtenarenwet 2017 vindt plaats op een door het bevoegd gezag te bepalen wijze.
-
Nevenwerkzaamheden die gemeld zijn door de korpschef, de leiding van de politie, de ambtenaren die deel uitmaken van de leiding van de landelijke eenheden, de politiechefs, de ambtenaren die deel uitmaken van de leiding van de ondersteunende eenheden of de plaatsvervanger van de directeur van de Politieacademie worden openbaar gemaakt met vermelding van eventueel door het desbetreffende bevoegd gezag aan het verrichten van nevenwerkzaamheden gestelde beperkingen.
-
Het bevoegd gezag kan nadere regels stellen omtrent het verbod als bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de Ambtenarenwet 2017.
Besluit algemene rechtspositie politie Laatste controle 30-03-2026, laatste wijziging 26-03-2026.
Inhoud
Hoofdstuk I Algemene bepaling
Hoofdstuk Ia Elektronische berichtgeving
Hoofdstuk II Aanstelling
Hoofdstuk III Arbeids- en rusttijden
Hoofdstuk IV Vakantie
Hoofdstuk IV.A Individuele keuzemogelijkheden in arbeidsvoorwaarden
Hoofdstuk V Verlof
Hoofdstuk V.a Levensfase-uren
Hoofdstuk VI Buitengewoon verlof
Hoofdstuk VII Arbeidsgezondheidskundige begeleiding en maatregelen en enkele overige bepalingen in verband met ziekte, beroepsgerelateerde gezondheidsklachten en zwangerschap
Hoofdstuk VII.a Integriteit
Hoofdstuk VII.b Voorzieningen bij reorganisaties
- Artikel 55i
- Artikel 55ia
- Artikel 55ib
- Artikel 55j
- Artikel 55ja
- Artikel 55jb
- Artikel 55jc
- Artikel 55k
- Artikel 55l
- Artikel 55la
- Artikel 55lb
- Artikel 55m
- Artikel 55n
- Artikel 55o
- Artikel 55oa
- Artikel 55ob
- Artikel 55p
- Artikel 55q
- Artikel 55r
- Artikel 55ra
- Artikel 55s
- Artikel 55t
- Artikel 55u
- Artikel 55v
- Artikel 55w
- Artikel 55x
- Artikel 55y
- Artikel 55z
- Artikel 55aa
- Artikel 55aaa
- Artikel 55bb
Hoofdstuk VIII Overige rechten en verplichtingen van de ambtenaar
- Artikel 56
- Artikel 57
- Artikel 58
- Artikel 59
- Artikel 59a
- Artikel 60
- Artikel 61
- Artikel 62
- Artikel 62a
- Artikel 62b
- Artikel 63
- Artikel 64
- Artikel 64a
- Artikel 65
- Artikel 65a
- Artikel 67
- Artikel 68
- Artikel 69
- Artikel 69a
- Artikel 69b
- Artikel 70
- Artikel 71
- Artikel 72
- Artikel 72a
- Artikel 73
- Artikel 74
- Artikel 75
- Artikel 75bis
Hoofdstuk IX Straffen
Hoofdstuk X Schorsing en ontslag
Hoofdstuk XI Overgangs- en slotbepalingen
Bijlage I bij artikel 55ia, derde lid, Besluit algemene rechtspositie politie
Bijlage II bij artikel 55ia, derde lid, Besluit algemene rechtspositie politie
Hoofdstuk VII.a
Artikel 55b
-
De melding als bedoeld in artikel 8, tweede lid, onderdeel b van de Ambtenarenwet 2017 vindt plaats bij een door het bevoegd gezag aangewezen functionaris.
-
Het bevoegd gezag kan nadere regels stellen omtrent het verbod als bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel c en d, van de Ambtenarenwet 2017.
Artikel 55da
In paragraaf 2 van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
ambtelijke organisatie: de ambtelijke dienst van:
de politie, bedoeld in artikel 25, eerste lid, van de Politiewet 2012;
de rijksrecherche, genoemd in artikel 49, eerste lid van de Politiewet 2012;
de Politieacademie, genoemd in artikel 73, eerste lid, van de Politiewet 2012;
betrokken derde: betrokken derde als bedoeld in artikel 1 van de Wet bescherming klokkenluiders;
degene die een melder bijstaat: degene die een melder bijstaat als bedoeld in artikel 1 van de Wet bescherming klokkenluiders;
hoogste leidinggevende: de ambtenaar die de hoogste zeggenschap uitoefent bij de leiding van de arbeid in de ambtelijke organisatie;
melder: een ambtenaar als bedoeld in artikel 1, een gewezen ambtenaar, degene die anderszins arbeid verricht of heeft verricht bij een ambtelijke organisatie, en een persoon als bedoeld in artikel 4, derde lid, van Richtlijn (EU) 2019/1937 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2019 (PbEU 2019, L 305), die in de context van zijn werkgerelateerde activiteiten verkregen informatie over een inbreuk op het Unierecht meldt, dan wel een vermoeden van een misstand meldt, overeenkomstig paragraaf 2.2 van dit hoofdstuk;
melding: de melding van een vermoeden van een misstand;
vermoeden van een misstand: vermoeden van een misstand als bedoeld in artikel 1 van de Wet bescherming klokkenluiders.
Artikel 55dc
-
Het bevoegd gezag wijst een of meer vertrouwenspersonen integriteit aan bij de ambtelijke organisatie.
-
De vertrouwenspersoon integriteit heeft in elk geval tot taak:
een (potentiële) melder, degene die een (potentiële) melder bijstaat en een betrokken derde op diens verzoek te adviseren over het omgaan met een vermoeden van een misstand; en
de hoogste leidinggevende te informeren over een melding.
Artikel 55dd
-
Een melder doet een melding bij zijn direct leidinggevende, bij een hogere leidinggevende, bij een daartoe ingericht organisatieonderdeel of bij een vertrouwenspersoon integriteit. De melder kan ook rechtstreeks een melding doen bij de afdeling onderzoek van het Huis voor klokkenluiders of een andere daartoe bevoegde instantie.
-
Een melding over een andere organisatie doet een melder bij een leidinggevende of bij een vertrouwenspersoon van die organisatie of rechtstreeks bij de afdeling onderzoek van het Huis voor klokkenluiders of een andere daartoe bevoegde instantie.
Artikel 55de
Een (potentiële) melder, degene die een (potentiële) melder bijstaat en een betrokken derde kan een krachtens artikel 55dc, eerste lid, aangewezen vertrouwenspersoon integriteit in vertrouwen raadplegen over een vermoeden van een misstand.
Artikel 55dg
Degene bij wie een melding is gedaan, stelt de hoogste leidinggevende onverwijld in kennis van de melding en de datum waarop deze is ontvangen.
Artikel 55di
De hoogste leidinggevende bevestigt de ontvangst van de melding binnen zeven dagen schriftelijk aan de melder, al dan niet via de vertrouwenspersoon integriteit, en informeert de persoon of personen op wie de melding betrekking heeft over de melding, tenzij daardoor een onderzoeksbelang of een belang van de melder onnodig of onevenredig kan worden geschaad.
Artikel 55dj
-
Het bevoegd gezag stelt onverwijld een onderzoek in naar de melding, tenzij:
de melding kennelijk ongegrond is;
de melding kennelijk onredelijk laat is gedaan.
-
Het bevoegd gezag stelt de melder, al dan niet via de vertrouwenspersoon integriteit, doorlopend en in ieder geval binnen een redelijke termijn, van ten hoogste drie maanden na verzending van de ontvangstbevestiging als bedoeld in artikel 55di, schriftelijk en gemotiveerd in kennis van informatie over de verdere behandeling van de melding en, in voorkomend geval, de mededeling van het achterwege laten van een onderzoek dan wel de bevindingen van het onderzoek, het oordeel daarover en de eventuele consequenties die daaraan worden verbonden.
-
Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op de persoon of personen op wie de melding betrekking heeft, tenzij daardoor een onderzoeksbelang kan worden geschaad.
-
Bij de kennisgeving, bedoeld in het tweede lid, wordt mededeling gedaan van de mogelijkheid het vermoeden van een misstand te melden bij de afdeling onderzoek van het Huis voor klokkenluiders of een andere daartoe bevoegde instantie.
-
Het onderzoek wordt niet verricht door een persoon die mogelijk betrokken is of is geweest bij de vermoedelijke misstand of op onvoldoende afstand staat van de te onderzoeken kwestie of personen.
Artikel 55dl
-
Indien de afdeling onderzoek van het Huis voor klokkenluiders aan het bevoegd gezag in haar rapport een aanbeveling doet als bedoeld in artikel 17, tweede lid, onder c, van de Wet bescherming klokkenluiders, stelt het bevoegd gezag de melder, al dan niet via de vertrouwenspersoon integriteit, en de persoon of personen op wie de melding betrekking heeft, uiterlijk binnen twaalf weken na openbaarmaking van het rapport schriftelijk in kennis van zijn standpunt dienaangaande en de eventuele consequenties die het daaraan verbindt.
-
Als het standpunt en de consequenties afwijken van de aanbeveling, vermeldt het bevoegd gezag de reden voor de afwijking.
Artikel 55dm
-
De melder of de vertrouwenspersoon integriteit of de gewezen vertrouwenspersoon integriteit, die bezwaar maakt of een gerechtelijke procedure instelt, kan aanspraak maken op een tegemoetkoming in de kosten van die procedure, op voorwaarde dat:
de procedure is gericht tegen een melding en gestelde benadeling dan wel de procedure is gericht tegen een gestelde benadeling van de vertrouwenspersoon integriteit of de gewezen vertrouwenspersoon integriteit als gevolg van de uitoefening van zijn functie als vertrouwenspersoon integriteit;
de benadeling, bedoeld in onderdeel a, heeft plaatsgevonden binnen vijf jaar nadat het bevoegd gezag kennis heeft gegeven van de bevindingen en het oordeel, bedoeld in artikel 55dj, eerste lid, of binnen vijf jaar na openbaarmaking van een rapport als bedoeld in artikel 17 van de Wet bescherming klokkenluiders door de afdeling onderzoek van het Huis voor klokkenluiders, dan wel binnen vijf jaar nadat de melding anderszins is afgehandeld.
-
De melder of de vertrouwenspersoon integriteit of de gewezen vertrouwenspersoon integriteit die zijn zienswijze naar voren brengt met betrekking tot een voorgenomen beslissing of handeling die naar zijn oordeel een benadeling inhoudt in verband met een melding of de uitoefening van zijn functie als vertrouwenspersoon integriteit, kan aanspraak maken op een tegemoetkoming in de kosten, indien:
het voornemen is kenbaar gemaakt binnen de in het eerste lid, onder b, genoemde termijn, en
in de zienswijze naar voren wordt gebracht dat de voorgenomen beslissing of handeling verband houdt met een melding of het gevolg is van de uitoefening van zijn functie als vertrouwenspersoon integriteit.
-
De melder, de vertrouwenspersoon integriteit, of de gewezen vertrouwenspersoon integriteit richt een verzoek om een tegemoetkoming aan het bevoegd gezag.
-
Aanspraak op een tegemoetkoming bestaat alleen voor zover in verband met de in het eerste en tweede lid bedoelde procedures daadwerkelijk kosten worden of zijn gemaakt met betrekking tot door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Artikel 55dn
-
De tegemoetkoming voor iedere afzonderlijke procedure, bedoeld in artikel 55dm, eerste en tweede lid, is gelijk aan tweemaal het bedrag, genoemd in onderdeel B1 van de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht.
-
Artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 55do
-
Het bevoegd gezag beslist binnen zes weken op het verzoek.
-
Het bevoegd gezag kan de beslissing voor ten hoogste vier weken verdagen. Van de verdaging wordt schriftelijk mededeling gedaan.
Artikel 55dp
Degene aan wie een tegemoetkoming is toegekend, kan worden verplicht tot terugbetaling, indien hij de procedure waarop de tegemoetkoming betrekking heeft voortijdig staakt. Deze verplichting geldt niet, indien het staken van de procedure direct voortvloeit uit de intrekking door het bevoegd gezag van de beslissing of het herzien van de handeling, waartegen de procedure is gericht.
Artikel 55dq
-
Als een beslissing of handeling of een voorgenomen beslissing of handeling waarvoor op grond van artikel 55dm aanspraak bestaat op een tegemoetkoming in de kosten van de procedures, in de bezwaarprocedure of zienswijzeprocedure wordt herroepen wegens een aan het bevoegd gezag te wijten onrechtmatigheid of de bestreden beslissing of handeling als gevolg van een uitspraak van de rechter die onherroepelijk is geworden wordt vernietigd, waarbij de rechtsgevolgen niet in stand worden gelaten, vergoedt het bevoegd gezag voor iedere afzonderlijke procedure aan de melder, de vertrouwenspersoon integriteit of de gewezen vertrouwenspersoon integriteit alle daadwerkelijk en in redelijkheid door hem gemaakte kosten als bedoeld in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht, met dien verstande dat:
de vergoeding wordt toegekend zonder toepassing van het tariefsysteem in voornoemd besluit;
de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand worden vergoed voor een bedrag van ten hoogste € 318,79 per uur tot een bedrag van ten hoogste € 7.651,15, beide bedragen exclusief BTW en kantoorkosten;
aan de betrokkene toegekende bedragen waarop hij op grond van een ander wettelijk voorschrift of een uitspraak van een gerechtelijke instantie aanspraak heeft in verband met de vergoeding van kosten als bedoeld in dit artikel, in aftrek worden gebracht op de vergoeding.
-
De in het eerste lid genoemde bedragen worden per 1 januari van elk kalenderjaar bij ministeriële regeling gewijzigd overeenkomstig de consumentenprijsindex.