Besluit algemene rechtspositie politie Laatste controle 30-03-2026, laatste wijziging 26-03-2026.

Inhoud
Hoofdstuk I Algemene bepaling
Hoofdstuk Ia Elektronische berichtgeving
Hoofdstuk II Aanstelling
Hoofdstuk III Arbeids- en rusttijden
Hoofdstuk IV Vakantie
Hoofdstuk IV.A Individuele keuzemogelijkheden in arbeidsvoorwaarden
Hoofdstuk V Verlof
Hoofdstuk V.a Levensfase-uren
Hoofdstuk VI Buitengewoon verlof
Hoofdstuk VII Arbeidsgezondheidskundige begeleiding en maatregelen en enkele overige bepalingen in verband met ziekte, beroepsgerelateerde gezondheidsklachten en zwangerschap
Hoofdstuk VII.a Integriteit
Hoofdstuk VII.b Voorzieningen bij reorganisaties
Hoofdstuk VIII Overige rechten en verplichtingen van de ambtenaar
Hoofdstuk IX Straffen
Hoofdstuk X Schorsing en ontslag
Hoofdstuk XI Overgangs- en slotbepalingen
Bijlage I bij artikel 55ia, derde lid, Besluit algemene rechtspositie politie
Bijlage II bij artikel 55ia, derde lid, Besluit algemene rechtspositie politie

Hoofdstuk IV

Vakantie

Artikel 17

De ambtenaar heeft aanspraak op 144 wettelijke uren vakantie met behoud van bezoldiging per kalenderjaar.

Artikel 18

  1. Onverminderd artikel 30e, tweede lid, wordt de volgens artikel 17 vastgestelde aanspraak op vakantie, afhankelijk van de leeftijd die de ambtenaar in het desbetreffende kalenderjaar bereikt, verhoogd overeenkomstig de hierna volgende tabel:

  2. De ambtenaar wiens arbeidstijd met toepassing van artikel 13a is verminderd, heeft aanspraak op een verhoging als bedoeld in het eerste lid, naar de mate waarin zijn arbeidstijd met een lager percentage is verminderd dan het bij zijn leeftijd behorende percentage, genoemd in artikel 13a, eerste lid.

  3. De ingevolge het tweede lid tot stand gekomen verhoging wordt rekenkundig afgerond op tienden van uren.

Artikel 19

  1. Voor de ambtenaar met een andere betrekking dan een volledige betrekking wordt de ingevolge de artikelen 17 en 18 geldende aanspraak op vakantie vastgesteld op een evenredig deel van de aanspraak bij een volledige betrekking.

  2. Indien de betrekkingsomvang van de ambtenaar in de loop van een kalenderjaar wordt gewijzigd, wordt de aanspraak op vakantie over het resterend gedeelte van het jaar opnieuw vastgesteld, rekening houdend met de nieuwe betrekkingsomvang. De tot aan de datum van ingang van de wijziging van de betrekkingsomvang verworven aanspraak op vakantie blijft ongewijzigd.

  3. Bij beëindiging of aanvang van het dienstverband in de loop van een kalenderjaar wordt de aanspraak op vakantie als bedoeld in de artikelen 17, eerste lid, en 18 vastgesteld naar evenredigheid van de duur van het dienstverband in dat jaar.

  4. Over kalendermaanden gedurende welke de ambtenaar in het geheel geen dienst verricht, met uitzondering van de eerste kalendermaand, heeft hij geen aanspraak op vakantie. Over kalendermaanden gedurende welke de ambtenaar gedeeltelijk dienst verricht, heeft hij slechts aanspraak op vakantie naar evenredigheid van het gedeelte van het aantal uren waarop hij feitelijk dienst verricht.

  5. Het vierde lid is niet van toepassing indien:

    1. geheel of gedeeltelijk geen dienst wordt verricht wegens:

      1. opname teveel gewerkte uren;

      2. verleende vakantie;

      3. niet aan schuld of nalatigheid van de ambtenaar te wijten ziekte;

      4. ouderschapsverlof als bedoeld in artikel 6:1, eerste lid, van de Wet arbeid en zorg;

      5. zwangerschaps- en bevallingsverlof als bedoeld in artikel 3:1, eerste lid, van de Wet arbeid en zorg;

      6. verblijf in militaire dienst wegens herhalingsoefeningen;

      7. verlof van korte duur verleend op basis van de artikelen 35, 36 of 37 of artikel 4:1, eerste lid, van de Wet arbeid en zorg;

      8. adoptieverlof als bedoeld in artikel 3:2, eerste lid, van de Wet arbeid en zorg;

      9. partieel uittreden als bedoeld in artikel 13a;

      10. 10°

        minder werken als bedoeld in artikel 28b;

      11. 11°

        opname van levensfase-uren;

      12. 12°

        aanvullend geboorteverlof als bedoeld in artikel 4:2a, eerste lid, van de Wet arbeid en zorg;

      13. 13°

        schorsing of buitenfunctiestelling op grond van artikel 84, eerste respectievelijk tweede lid; of

    2. het bevoegd gezag daartoe aanleiding aanwezig acht.

Artikel 20

De ambtenaar heeft geen aanspraak op vakantie voor de tijd gedurende welke hij:

  1. zonder deugdelijke grond weigert mee te werken aan door het bevoegd gezag of een door het bevoegd gezag aangewezen deskundige gegeven redelijke voorschriften of getroffen maatregelen die erop zijn gericht om hem in staat te stellen passende arbeid te verrichten; of

  2. zonder deugdelijke grond weigert mee te werken aan het opstellen, evalueren en bijstellen van een plan van aanpak als bedoeld in artikel 25, tweede lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen.

Artikel 22

  1. Over de tijdstippen waarop de vakantie zal ingaan, alsmede over de tijdvakken waarin deze eventueel zal worden gesplitst, beslist het bevoegd gezag in goed overleg met de ambtenaar.

  2. De ambtenaar heeft in elk kalenderjaar aanspraak op ten minste 21 kalenderdagen vakantie over een aaneengesloten periode.

  3. Voor de aspirant wordt in elk geval tijdens onderwijsvrije periodes vakantieverlof ingeroosterd, voor zover de aspirant tijdens deze onderwijsvrije periodes geen opleiding in de praktijk kan volgen.

Artikel 23

  1. De aanspraak op vakantie vervalt met ingang van het tweede kalenderjaar volgend op het kalenderjaar waarin de aanspraak is ontstaan. Indien het voor de ambtenaar redelijkerwijs niet mogelijk is geweest om de vakantie voor het in de eerste volzin bedoelde moment op te nemen, vervalt de aanspraak op vakantie met ingang van het daarop volgende kalenderjaar.

  2. Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op vakantie-uren aangekocht met toepassing van artikel 26b van het Besluit bezoldiging politie.

Artikel 24

  1. Indien de ambtenaar in een kalenderjaar meer vakantie heeft genoten dan hem ingevolge dit hoofdstuk toekomt, wordt dit meerdere verrekend met de hem over een of meer volgende kalenderjaren toekomende vakantie.

  2. Het eerste lid geldt met dien verstande dat uit dien hoofde in een kalenderjaar de vakantie niet met meer dan een derde gedeelte van hetgeen de ambtenaar ingevolge de artikelen 17 tot en met 19 toekomt, mag worden verminderd.

Artikel 25

  1. Verleende vakantie kan worden ingetrokken, wanneer dringende redenen van dienstbelang dat noodzakelijk maken.

    In dat geval komt een dag, waarop de ambtenaar dientengevolge slechts gedeeltelijk vakantie heeft genoten, niet in aanmerking bij het berekenen van het aantal genoten vakantie-uren.

  2. Indien de ambtenaar ten gevolge van de intrekking van de vakantie geldelijke schade lijdt, wordt deze hem vergoed.

Artikel 26

  1. Indien de ambtenaar op de datum van zijn ontslag nog aanspraak heeft op vakantie, wordt hem voor ieder uur van de in artikel 17 bedoelde uren, dat hij niet heeft opgenomen, een vergoeding toegekend ten bedrage van het gebruikelijk loon per uur dat de ambtenaar direct voorafgaand aan zijn ontslag genoot. Voor de overige uren wordt hem een vergoeding toegekend ten bedrage van het salaris per uur dat de ambtenaar direct voorafgaande aan zijn ontslag genoot.

  2. Indien op de dag van zijn ontslag blijkt dat de ambtenaar teveel vakantie heeft genoten, is hij voor ieder teveel genoten uur van de in artikel 17 bedoelde uren een bedrag verschuldigd ten bedrage van het gebruikelijk loon per uur dat de ambtenaar direct voorafgaand aan zijn ontslag genoot en van de overige uren ten bedrage van het salaris per uur dat de ambtenaar direct voorafgaande aan zijn ontslag genoot.

  3. Onder gebruikelijk loon worden verstaan alle aan de functie of de ambtenaar verbonden inkomensbestanddelen met een bestendig karakter, waaronder in ieder geval het aan de ambtenaar toegekende salaris, bedoeld in artikel 1, eerste lid, van het Besluit bezoldiging politie, de opgebouwde vakantie- en eindejaarsuitkering, de aan hem toegekende vaste uitkeringen, toelagen en vergoedingen en de aan hem toegekende variabele toelagen met een bestendig karakter.

  4. Het deel van het gebruikelijk loon dat de variabele toelagen met een bestendig karakter beslaat is het bedrag dat resulteert na toepassing van artikel 29a van het Besluit bezoldiging politie, met dien verstande dat in plaats van het voorafgaande kalenderjaar het jaar voorafgaand aan de datum van ontslag in ogenschouw wordt genomen.

Artikel 28

Het bevoegd gezag kan nadere regels ter uitvoering van dit hoofdstuk vaststellen.

← terug naar Besluit algemene rechtspositie politie