Besluit algemene rechtspositie politie Laatste controle 30-03-2026, laatste wijziging 26-03-2026.

Inhoud
Hoofdstuk I Algemene bepaling
Hoofdstuk Ia Elektronische berichtgeving
Hoofdstuk II Aanstelling
Hoofdstuk III Arbeids- en rusttijden
Hoofdstuk IV Vakantie
Hoofdstuk IV.A Individuele keuzemogelijkheden in arbeidsvoorwaarden
Hoofdstuk V Verlof
Hoofdstuk V.a Levensfase-uren
Hoofdstuk VI Buitengewoon verlof
Hoofdstuk VII Arbeidsgezondheidskundige begeleiding en maatregelen en enkele overige bepalingen in verband met ziekte, beroepsgerelateerde gezondheidsklachten en zwangerschap
Hoofdstuk VII.a Integriteit
Hoofdstuk VII.b Voorzieningen bij reorganisaties
Hoofdstuk VIII Overige rechten en verplichtingen van de ambtenaar
Hoofdstuk IX Straffen
Hoofdstuk X Schorsing en ontslag
Hoofdstuk XI Overgangs- en slotbepalingen
Bijlage I bij artikel 55ia, derde lid, Besluit algemene rechtspositie politie
Bijlage II bij artikel 55ia, derde lid, Besluit algemene rechtspositie politie

Hoofdstuk II

Aanstelling

Artikel 2

  1. De aanstelling geschiedt in tijdelijke of in vaste dienst.

  2. Een aanstelling in tijdelijke dienst geschiedt voor bepaalde of voor onbepaalde tijd.

Artikel 2a

  1. Indien betrokkene direct voorafgaand aan de aanstelling nog geen ambtenaar in de zin van dit besluit was, kan op zijn aanvraag en na consultatie van de ondernemingsraad in zeer bijzondere gevallen een aanstelling in tijdelijke dienst voor bepaalde tijd plaatsvinden waarbij dit besluit gedeeltelijk, of andere algemene maatregelen van bestuur als bedoeld in artikel 47, eerste lid, van de Politiewet 2012, die specifiek betrekking hebben op ambtenaren in de zin van dit besluit, geheel of gedeeltelijk, buiten toepassing kunnen worden verklaard.

  2. Onverminderd het eerste lid, bedraagt de aanspraak op vakantie ten minste 144 uur per kalenderjaar bij een volledige betrekking en naar evenredigheid bij een andere betrekkingsomvang.

  3. De aanstelling in tijdelijke dienst, bedoeld in het eerste lid, geschiedt voor een periode van ten hoogste drie jaar.

  4. Onze Minister kan nadere regels stellen omtrent het eerste lid.

Artikel 2b

  1. Indien betrokkene direct voorafgaand aan de aanstelling nog geen ambtenaar in de zin van dit besluit was en hij krachtens de artikelen 28, eerste en derde lid, 38, tweede lid, 42, vierde lid, artikel 45, tweede lid, en 76, eerste lid, van de Politiewet 2012 bij koninklijk besluit wordt benoemd, kan op zijn aanvraag aanstelling plaatsvinden in tijdelijke dienst voor bepaalde tijd waarbij dit besluit gedeeltelijk, of andere algemene maatregelen van bestuur als bedoeld in artikel 47, eerste lid, van de Politiewet 2012, die specifiek betrekking hebben op ambtenaren in de zin van dit besluit, geheel of gedeeltelijk, buiten toepassing kunnen worden verklaard. Na benoeming wordt aan de ondernemingsraad gemotiveerd aangegeven dat bij het werven zowel de interne als de externe arbeidsmarkt in ogenschouw is genomen.

  2. Onverminderd het eerste lid, bedraagt de aanspraak op vakantie ten minste 144 uur per kalenderjaar bij een volledige betrekking en naar evenredigheid bij een andere betrekkingsomvang.

  3. De aanstelling in tijdelijke dienst, bedoeld in het eerste lid, geschiedt voor een periode van ten hoogste zeven jaar.

  4. Onze Minister kan nadere regels stellen omtrent het eerste lid.

Artikel 2c

  1. Aanstelling als ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak en aanstelling als vrijwillige ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, kan slechts plaatsvinden na het voltooien van een van de door Onze Minister aangewezen politieopleidingen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel s, onder 1°, van de Politiewet 2012.

  2. In afwijking van het eerste lid kan aanstelling als ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak en aanstelling als vrijwillige ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, tevens plaatsvinden in een functie in een van de door Onze Minister aangewezen vakgebieden in het domein uitvoering, indien de betrokkene enkel een van de door Onze Minister aangewezen politieopleidingen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel s, onder 2°, van de Politiewet 2012 heeft voltooid.

Artikel 3

  1. De aspirant wordt gedurende het eerste leerjaar van een krachtens artikel 2c, eerste lid, aangewezen politieopleiding tijdelijk aangesteld voor de duur van één jaar.

  2. Indien de aspirant aan het eind van het eerste leerjaar een positief studieadvies ontvangt, dan wel door middel van vrijstelling door een eerder gevolgde opleiding instroomt in het tweede leerjaar, wordt hij aangesteld in tijdelijke dienst voor maximaal twee jaar bij het volgen van een krachtens artikel 2c, eerste lid, aangewezen driejarige of kortere opleiding.

  3. Na het voltooien van een krachtens artikel 2c, eerste lid, aangewezen driejarige of kortere opleiding, wordt de aspirant aangesteld in vaste dienst als ambtenaar voor de uitvoering van de politietaak tenzij het bevoegd gezag anders beslist.

  4. Indien de aspirant een krachtens artikel 2c, eerste lid, aangewezen vierjarige politieopleiding volgt, wordt hij nadat hij aan het eind van het eerste leerjaar een positief studieadvies ontvangt, aangesteld in tijdelijke dienst voor twee jaar voor het tweede en derde leerjaar.

  5. Aan het eind van het derde leerjaar van de aspirant, bedoeld in het vierde lid, wordt de aspirant vast aangesteld als aspirant, tenzij het bevoegd gezag anders beslist. Na het voltooien van een krachtens artikel 2c, eerste lid, aangewezen vierjarige politieopleiding wordt de aanstelling gewijzigd in aanstelling als ambtenaar voor de uitvoering van de politietaak.

  6. Het bevoegd gezag kan, in bijzondere gevallen, van het bepaalde in dit artikel afwijken.

Artikel 3bis

  1. De vrijwilliger-aspirant wordt tijdelijk aangesteld voor een periode overeenkomend met de duur van een krachtens artikel 2c, eerste lid, aangewezen politieopleiding.

  2. Na het voltooien van deze politieopleiding wordt de vrijwillige ambtenaar van politie zo mogelijk in vaste dienst aangesteld als vrijwillige ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak.

Artikel 3a

  1. De ambtenaar in opleiding respectievelijk de vrijwillige ambtenaar in opleiding wordt tijdelijk aangesteld voor een periode overeenkomend met de duur van een krachtens artikel 2c, tweede lid, aangewezen politieopleiding.

  2. Na het voltooien van deze politieopleiding wordt de ambtenaar, bedoeld in het eerste lid, tijdelijk aangesteld voor een proeftijd van één jaar als ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak respectievelijk vrijwillige ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak. De proeftijd kan zo nodig in bijzondere gevallen op aanvraag van de ambtenaar met één jaar worden verlengd en zo nodig ambtshalve worden verlengd met de tijd, gedurende welke de ambtenaar de proeftijd niet in werkelijke dienst heeft doorgebracht.

  3. Zodra de proeftijd verstrijkt, wordt de desbetreffende ambtenaar zo mogelijk in vaste dienst aangesteld als ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak respectievelijk vrijwillige ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak.

  4. Het bevoegd gezag kan, in bijzondere gevallen, afwijken van de perioden, bedoeld in het eerste en tweede lid, of van het stellen van een proeftijd.

Artikel 4

  1. Een aanstelling van een ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van technische, administratieve en andere taken ten dienste van de politie en een vrijwillige ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van technische, administratieve en andere taken ten dienste van de politie, kan in tijdelijke dienst plaatsvinden:

    1. voor een proeftijd van één jaar, zonodig in bijzondere gevallen op aanvraag van de ambtenaar met één jaar te verlengen en zonodig ambtshalve te verlengen met de tijd, gedurende welke de ambtenaar de proeftijd niet in werkelijke dienst heeft doorgebracht;

    2. ter vervanging van een wegens ziekte of uit anderen hoofde afwezige ambtenaar, met dien verstande dat de vrijwillige ambtenaar slechts een andere vrijwillige ambtenaar kan vervangen;

    3. ter uitvoering van werkzaamheden van kennelijk tijdelijk karakter;

    4. indien het een ambtenaar betreft die in dienst wordt genomen als leerling ter opleiding tot een functie binnen de politieorganisatie dan wel in verband met zijn verdere praktische opleiding of vorming, of

    5. indien een wijziging in de taak van het betrokken dienstvak is voorgenomen;

    6. indien de ambtenaar de AOW-gerechtigde leeftijd heeft bereikt;

    7. voor een andere dan in onderdeel a tot en met f genoemde reden.

  2. Zodra de omstandigheid die leidde tot een aanstelling in tijdelijke dienst als bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, b, d en e, zich niet meer voordoet, wordt de desbetreffende ambtenaar zo mogelijk in vaste dienst aangesteld.

  3. In de gevallen, bedoeld in het eerste lid, onderdelen c en g, wordt de ambtenaar in vaste dienst aangesteld vanaf de dag waarop:

    1. aanstellingen in tijdelijke dienst elkaar met tussenpozen van ten hoogste zes maanden hebben opgevolgd en een periode van 36 maanden, deze tussenpozen inbegrepen, hebben overschreden;

    2. meer dan drie aanstellingen in tijdelijke dienst elkaar hebben opgevolgd met tussenpozen van ten hoogste zes maanden.

  4. Over een tijdelijke aanstelling op grond van het eerste lid, onderdeel g, voor een functie in het domein uitvoering, bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Regeling vaststelling LFNP, wint het bevoegd gezag vooraf een advies in van een door hem in te stellen paritaire commissie.

  5. Indien het advies, bedoeld in het vierde lid, niet positief is, kan de in het eerste lid bedoelde aanstelling slechts plaatsvinden indien hierover in het overleg GOKB, bedoeld in artikel 1 van het Besluit overleg en medezeggenschap politie 1994, overeenstemming is bereikt.

Artikel 4a

  1. Een aanstelling van een ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak en de vrijwillige ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, kan in tijdelijke dienst plaatsvinden:

    1. ter bevordering van de arbeidsparticipatie van de in de aanhef bedoelde ambtenaren in de vijf jaren voorafgaand aan hun AOW-gerechtigde leeftijd;

    2. in een functie in een van de door Onze Minister aangewezen vakgebieden in het domein uitvoering, indien de betrokkene enkel een van de door Onze Minister aangewezen politieopleidingen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel s, onder 2°, van de Politiewet 2012 heeft voltooid;

    3. indien de ambtenaar de AOW-gerechtigde leeftijd heeft bereikt.

  2. In de gevallen, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en b, wordt de ambtenaar in vaste dienst aangesteld vanaf de dag waarop:

    1. aanstellingen in tijdelijke dienst elkaar met tussenpozen van ten hoogste zes maanden hebben opgevolgd en een periode van 36 maanden, deze tussenpozen inbegrepen, hebben overschreden;

    2. meer dan drie aanstellingen in tijdelijke dienst elkaar hebben opgevolgd met tussenpozen van ten hoogste zes maanden.

  3. Over een tijdelijke aanstelling op grond van het eerste lid, onderdelen a en b, wint het bevoegd gezag vooraf een advies in van een door hem in te stellen paritaire commissie.

  4. Artikel 4, vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 5

De ambtenaar van de rijksrecherche, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, wordt in vaste dienst aangesteld.

Artikel 6

De gewezen ambtenaar aan wie een uitkering is toegekend op grond van artikel 29d van het Besluit bezoldiging politie, kan enkel worden aangesteld als vrijwillige ambtenaar.

Artikel 7

  1. Voor de aanstelling als aspirant, ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, vrijwilliger-aspirant, vrijwillige ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, en ambtenaar van de rijksrecherche, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak komt uitsluitend in aanmerking degene die:

    1. Nederlander is;

    2. de door Onze Minister vast te stellen minimum leeftijd heeft bereikt;

    3. voldoet aan bij regeling van Onze Minister te stellen eisen met betrekking tot het opleidingsniveau, de psychologische keuring en een geneeskundige keuring als bedoeld in artikel 1, onder a, van de Wet op de medische keuringen;

    4. voldoet aan overige bij regeling van Onze Minister te stellen eisen.

  2. In afwijking van het eerste lid komt voor aanstelling als ambtenaar in opleiding, vrijwillige ambtenaar in opleiding, ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak en vrijwillige ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, die enkel een krachtens artikel 2c, tweede lid, aangewezen politieopleiding heeft voltooid, uitsluitend in aanmerking degene die:

    1. Nederlander is;

    2. de door Onze Minister vast te stellen minimum leeftijd heeft bereikt;

    3. voldoet aan bij ministeriële regeling te stellen eisen met betrekking tot het werk- en denkniveau en een psychologische keuring;

    4. voldoet aan door het bevoegd gezag te stellen eisen met betrekking tot een geneeskundige keuring als bedoeld in artikel 1, onderdeel a, van de Wet op de medische keuringen, indien aan de vervulling van de functie, bedoeld in artikel 2c, tweede lid, bijzondere eisen op het punt van de medische geschiktheid moeten worden gesteld;

    5. voldoet aan overige bij ministeriële regeling te stellen eisen.

  3. Teneinde vast te stellen of de persoon, bedoeld in de aanhef van het eerste of tweede lid, in voldoende mate geschikt en bekwaam is voor de vervulling van de functie, kan het bevoegd gezag de gegevens die door de betrokkene desgevraagd zijn verstrekt, verifiëren en zo nodig aanvullen.

  4. Onze Minister kan ten aanzien van de aanstelling als ambtenaar van de rijksrecherche, die is aangesteld voor de politietaak, nadere regels vaststellen over het aantal dienstjaren dat deze ambtenaar werkzaam moet zijn geweest als ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak.

  5. De betrokkene, die op grond van het eerste lid, onderdeel c, of het tweede lid, onderdeel d, is onderworpen aan een geneeskundige keuring, wordt bij aanstelling in een andere functie opnieuw aan een geneeskundige keuring onderworpen, indien betrokkene voor het vervullen van die functie aan andere medische eisen dient te voldoen dan voor de tot dusverre vervulde functie. Op deze keuring zijn de krachtens het eerste lid, onderdeel c, door Onze Minister onderscheidenlijk tweede lid, onderdeel d, door het bevoegd gezag gestelde eisen van toepassing.

  6. De betrokkene, bedoeld in de aanhef van het tweede lid, die bij aanstelling niet is onderworpen aan een geneeskundige keuring, wordt bij plaatsing in een andere functie als bedoeld in artikel 2c, tweede lid, aan een geneeskundige keuring onderworpen, indien aan de vervulling van die functie bijzondere eisen op het punt van de medische geschiktheid moeten worden gesteld. Op deze keuring zijn de krachtens het tweede lid, onderdeel d, door het bevoegd gezag gestelde eisen van toepassing.

  7. De ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak en de vrijwillige ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, die enkel een krachtens artikel 2c, tweede lid, aangewezen politieopleiding heeft voltooid, volgt een krachtens artikel 2c, eerste lid, aangewezen politieopleiding uitsluitend, indien hij voldoet aan de vereisten, bedoeld in artikel 7, eerste lid.

  8. Een migrerende beroepsbeoefenaar die in het bezit is van een erkenning van beroepskwalificaties als bedoeld in artikel 5 van de Algemene wet erkenning EG-beroepskwalificaties, (afgegeven ten aanzien van de te vervullen functie,) kan worden aangesteld als ambtenaar voor de uitvoering van de politietaak.

Artikel 8

  1. Voor de aanstelling als ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van technische, administratieve en andere taken ten dienste van de politie en vrijwillige ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van technische, administratieve en andere taken ten dienste van de politie komt in aanmerking degene die:

    1. voldoet aan door het bevoegd gezag te stellen eisen met betrekking tot het opleidingsniveau;

    2. voldoet aan door het bevoegd gezag te stellen eisen met betrekking tot een psychologische keuring, indien daaraan naar het oordeel van het bevoegd gezag behoefte bestaat;

    3. voldoet aan door het bevoegd gezag te stellen eisen met betrekking tot een geneeskundige keuring als bedoeld in artikel 1, onder a, van de Wet op de medische keuringen, indien aan de vervulling van de functie bijzondere eisen op het punt van de medische geschiktheid moeten worden gesteld. Het bevoegd gezag stelt vast voor welke functies een onderzoek naar de medische geschiktheid noodzakelijk is;

    4. voldoet aan de overige door het bevoegd gezag te stellen eisen die specifiek gerelateerd zijn aan de functie binnen het landelijk politiekorps, de rijksrecherche dan wel binnen de Politieacademie.

  2. Teneinde vast te stellen of de persoon, bedoeld in de aanhef van het eerste lid, in voldoende mate geschikt en bekwaam is voor de vervulling van de functie, kan het bevoegd gezag de gegevens die door de betrokkene desgevraagd zijn verstrekt, verifiëren en zonodig aanvullen.

  3. De betrokkene die op grond van het eerste lid, onderdeel c, is onderworpen aan een geneeskundige keuring, wordt bij aanstelling in een andere functie opnieuw aan een geneeskundige keuring onderworpen, indien betrokkene voor het vervullen van die functie aan andere medische eisen dient te voldoen dan voor de tot dusverre vervulde functie. Op deze keuring zijn de krachtens het eerste lid, onderdeel c, door het bevoegd gezag gestelde eisen van toepassing.

Artikel 9

  1. Voor de aanvaarding van zijn ambt legt de aspirant, de ambtenaar in opleiding, de ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, de vrijwilliger-aspirant, de vrijwillige ambtenaar in opleiding, de vrijwillige ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak en de ambtenaar van de rijksrecherche, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak de volgende eed en verklaring en belofte van zuivering af:

    «Ik zweer (verklaar) dat ik dit ambt op een eerlijke manier heb gekregen. Dat betekent:

    dat ik voor dit ambt heb gekozen, ik niet ben omgekocht en niemand heb omgekocht, niet met giften en niet met beloftes;

    dat ik eerlijke informatie heb gegeven en niets heb verzwegen wat voor dit ambt van belang kan zijn.

    Ik zweer (beloof) dat ik geen giften of beloftes zal aannemen om iets in mijn ambt te doen of te laten.

    Ik zweer (beloof) de Koning en de Grondwet trouw te zijn en Nederland als goed ambtenaar te dienen. Dat betekent:

    dat ik werk in het algemeen belang voor onze samenleving en mij volledig inzet voor de taken die aan de politieorganisatie (Rijksrecherche dan wel Politieacademie) zijn toebedeeld;

    dat ik de uit de wet voortvloeiende voorschriften zal nakomen en handhaven en de aan mij verstrekte taken plichtsgetrouw en zorgvuldig zal uitvoeren;

    dat ik zorgvuldig met informatie om ga en vertrouwelijke informatie geheim zal houden;

    dat ik mij gedraag volgens de geldende beroepscodes, de wetten en het recht en niets zal doen dat het aanzien van mijn ambt kan schaden;

    dat ik iedereen rechtvaardig, gelijkwaardig en met respect zal behandelen.

    Zo waarlijk helpe mij ... (Dat verklaar en beloof ik)».

  2. Voor de aanvaarding van zijn ambt, legt de ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van technische, administratieve en andere taken ten dienste van de politie, de vrijwillige ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van technische, administratieve en andere taken ten dienste van de politie en de ambtenaar van de rijksrecherche, aangesteld voor de uitvoering van technische, administratieve en andere taken ten dienste van de rijksrecherche de volgende eed en verklaring en belofte van zuivering af:

    «Ik zweer (verklaar) dat ik dit ambt op een eerlijke manier heb gekregen. Dat betekent:

    dat ik voor dit ambt heb gekozen, ik niet ben omgekocht en niemand heb omgekocht, niet met giften en niet met beloftes;

    dat ik eerlijke informatie heb gegeven en niets heb verzwegen wat voor dit ambt van belang kan zijn.

    Ik zweer (beloof) dat ik geen giften of beloftes zal aannemen om iets in mijn ambt te doen of te laten.

    Ik zweer (beloof) de Koning en de Grondwet trouw te zijn en Nederland als goed ambtenaar te dienen. Dat betekent:

    dat ik werk in het algemeen belang voor onze samenleving en mij volledig inzet voor de taken die aan de politieorganisatie (Rijksrecherche dan wel Politieacademie) zijn toebedeeld;

    dat ik de aan mij verstrekte taken plichtsgetrouw en zorgvuldig zal uitvoeren;

    dat ik zorgvuldig met informatie om ga en vertrouwelijke informatie geheim zal houden;

    dat ik mij gedraag volgens de geldende beroepscodes, de wetten en het recht en niets zal doen dat het aanzien van mijn ambt kan schaden;

    dat ik iedereen rechtvaardig, gelijkwaardig en met respect zal behandelen.

    Zo waarlijk helpe mij ... (Dat verklaar en beloof ik)».

  3. De korpschef legt de eed dan wel verklaring en belofte af ten overstaan van Onze Minister.

  4. De directeur van de Politieacademie en zijn plaatsvervanger leggen de eden dan wel de verklaringen en beloften af ten overstaan van Onze Minister.

  5. De ambtenaren van de rijksrecherche leggen de eden dan wel verklaringen en beloften af ten overstaan van Onze Minister.

  6. De overige ambtenaren, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak en de overige ambtenaren, aangesteld voor de uitvoering van technische, administratieve en andere taken ten dienste van de politie, leggen de eden dan wel verklaringen en beloften af ten overstaan van het bevoegd gezag.

Artikel 10

  1. De ambtenaar ontvangt, zo mogelijk voor indiensttreding, een akte van aanstelling waarin in elk geval worden vermeld:

    1. de naam, de voornamen en de geboortedatum van de ambtenaar;

    2. of de aanstelling geschiedt in vaste of in tijdelijke dienst al dan niet met een proeftijd en de duur van de eventuele proeftijd, waarbij, indien de aanstelling geschiedt in tijdelijke dienst, bovendien in de akte wordt vermeld of de aanstelling geschiedt voor bepaalde tijd en, zo ja, voor hoe lang - of voor onbepaalde tijd en de toepasselijke grond voor aanstelling in tijdelijke dienst;

    3. of de aanstelling geschiedt als:

      1. aspirant;

      2. ambtenaar in opleiding;

      3. ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak;

      4. ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van technische, administratieve en andere taken ten dienste van de politie;

      5. ambtenaar van de rijksrecherche, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak;

      6. ambtenaar van de rijksrecherche, aangesteld voor de uitvoering van technische, administratieve en andere taken ten dienste van de rijksrecherche;

      7. vrijwilliger-aspirant;

      8. vrijwillige ambtenaar in opleiding;

      9. vrijwillige ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak;

      10. 10°

        vrijwillige ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van technische, administratieve en andere taken ten dienste van de politie;

      11. 11°

        vakantiewerker;

    4. de functie waarin de ambtenaar wordt aangesteld, met indien van toepassing één of meerdere werkterreinen, aandachtsgebieden of specifieke functionaliteiten;

    5. de plaats of de plaatsen van tewerkstelling en het werkgebied;

    6. de datum van ingang van de aanstelling;

    7. voor zover van toepassing, de rang waarin hij wordt aangesteld;

    8. de salarisschaal en de voor de bepaling van die schaal in acht genomen regels, alsmede het salarisnummer en het salaris die de ambtenaar zijn toegekend of, indien het een aspirant betreft, het salaris;

    9. de arbeidstijd die zijn betrekking omvat en

    10. het gegeven dat de eden dan wel de verklaringen en beloften zijn afgelegd, en de datum waarop dit is gebeurd;

    11. de aanspraak op vakantie of de wijze van berekening van de aanspraak;

    12. de duur van de ontslag- respectievelijk opzegtermijnen of de wijze waarop die termijnen worden vastgesteld.

  2. Indien de ambtenaar de gegevens, bedoeld in het eerste lid, niet voor indiensttreding heeft ontvangen, ontvangt hij de gegevens bedoeld in de onderdelen a tot en met f en h, uiterlijk een week na aanvang van zijn werkzaamheden en de overige in het eerste lid bedoelde gegevens binnen een maand na aanvang of zoveel eerder als de aanstelling eindigt.

  3. Indien aan de ambtenaar meerdere plaatsen als plaats van tewerkstelling zijn aangewezen, wordt in de akte van aanstelling tevens een hoofdplaats van tewerkstelling vermeld.

  4. Indien de ambtenaar is aangesteld voor de uitvoering van technische, administratieve en andere taken ten dienste van de politie of van de rijksrecherche en een door het bevoegd gezag aangewezen functie vervult waaraan volgens door Onze Minister te stellen criteria de aanspraak op de toelage bezwarende functie, bedoeld in artikel 12c, eerste lid, van het Besluit bezoldiging politie, is verbonden, wordt dit in de akte van aanstelling vermeld. Het bevoegd gezag wijst de in de eerste zin bedoelde functies aan in overeenstemming met bij regeling van Onze Minister te stellen regels.

  5. Indien de ambtenaar is aangesteld voor de uitvoering van de politietaak en een krachtens artikel 2c, eerste lid, aangewezen politieopleiding heeft voltooid, wordt in de akte van aanstelling vermeld dat hij generiek inzetbaar is. Indien de ambtenaar is aangesteld voor de uitvoering van de politietaak en enkel een krachtens artikel 2c, tweede lid, aangewezen politieopleiding heeft voltooid, wordt in de akte van aanstelling het vakgebied waarvan diens functie onderdeel uitmaakt en, indien van toepassing, het werkterrein vermeld alsmede dat de ambtenaar specifiek inzetbaar is.

  6. Voor zover deze gegevens niet reeds in de akte van aanstelling zijn vermeld, deelt het bevoegd gezag de ambtenaar zo spoedig mogelijk schriftelijk andere hem mogelijk toegekende voordelen mee, onder verwijzing naar de regeling waarop de toekenning berust en de eventuele voorwaarden die aan de toekenning verbonden zijn.

  7. Wijziging van de gegevens, bedoeld in het eerste lid, wordt de ambtenaar binnen een maand schriftelijk medegedeeld, behoudens de wijziging van een algemeen verbindend voorschrift waarnaar is verwezen.

  8. De akte van aanstelling van de ambtenaar met een functie waarvoor salarisschaal 15 of hoger geldt, vermeldt ook:

    1. de eventuele verplichting tot verhuizing vanwege het woonplaatsvereiste;

    2. de eventuele toekenning van een periodieke toelage, als bedoeld in artikel 20a van het Besluit bezoldiging politie; en

    3. de toekenning van de tegemoetkoming representatiekosten, als bedoeld in artikel 20 van het Besluit bezoldiging politie.

Artikel 11

  1. De ambtenaar wordt bij zijn aanstelling schriftelijk door het bevoegd gezag op de hoogte gesteld van de hoofdlijnen van zijn rechtspositie.

  2. Regelingen waarin zijn rechtspositie is neergelegd, worden op een voor de ambtenaar gemakkelijk toegankelijke plaats ter inzage gelegd. Hij kan kosteloos hiervan afschriften maken.

  3. De schriftelijk vastgestelde en voor hem geldende regelingen en instructies, die hij bij de vervulling van zijn dienst heeft na te leven, worden eveneens op een voor de ambtenaar gemakkelijk toegankelijke plaats ter inzage gelegd. Hij kan kosteloos hiervan afschriften maken.

  4. Over wijzigingen in regelingen betreffende zijn rechtspositie wordt de ambtenaar schriftelijk op de hoogte gesteld.

← terug naar Besluit algemene rechtspositie politie