Besluit algemene rechtspositie politie

Inhoud
Hoofdstuk I Algemene bepaling
Hoofdstuk Ia Elektronische berichtgeving
Hoofdstuk II Aanstelling
Hoofdstuk III Arbeids- en rusttijden
Hoofdstuk IV Vakantie
Hoofdstuk IV.A Individuele keuzemogelijkheden in arbeidsvoorwaarden
Hoofdstuk V Verlof
Hoofdstuk V.a Levensfase-uren
Hoofdstuk VI Buitengewoon verlof
Hoofdstuk VII Arbeidsgezondheidskundige begeleiding en maatregelen en enkele overige bepalingen in verband met ziekte, beroepsgerelateerde gezondheidsklachten en zwangerschap
Hoofdstuk VII.a Integriteit
Hoofdstuk VII.b Voorzieningen bij reorganisaties
Hoofdstuk VIII Overige rechten en verplichtingen van de ambtenaar
Hoofdstuk IX Straffen
Hoofdstuk X Schorsing en ontslag
Hoofdstuk XI Overgangs- en slotbepalingen
Bijlage I bij artikel 55ia, derde lid, Besluit algemene rechtspositie politie
Bijlage II bij artikel 55ia, derde lid, Besluit algemene rechtspositie politie

Artikel 88a

HISTORISCH
  1. Aan de ambtenaar wordt met ingang van de eerste dag van de maand volgend op die waarin hij de leeftijd bereikt waarop hij maximaal tien jaar jonger is dan op dat moment voor betrokkene van toepassing zijnde AOW-gerechtigde leeftijd, eervol ontslag verleend, indien hij

    1. op 31 december 2006 de functie van vlieger bij de landelijke eenheid had;

    2. vanaf 1 januari 2007 de functie van vlieger bij de landelijke eenheid heeft;

    3. ten minste tien jaar voorafgaand tot aan het ontslag ononderbroken de functie van vlieger bij de landelijke eenheid heeft; en

    4. op grond van artikel B3, eerste en tweede lid, van het AFUP-opbouwreglement, zoals dat luidde op 31 december 2005, deelnemer was aan de AFUP.

    De artikelen 4a, 4b en 12a tot en met 12d van het Besluit bezoldiging politie zijn niet van toepassing op een ambtenaar als bedoeld in de eerste volzin.

  2. Het bevoegd gezag kan van het verlenen van het ontslag, bedoeld in het eerste lid, aan de ambtenaar die de functie heeft van vlieger bij een landelijke eenheid, voor de duur van telkens ten hoogste één jaar afzien, indien de ambtenaar zulks heeft aangevraagd of daarmee instemt en hij blijkens de uitslag van een door de deskundige persoon of de arbodienst ingesteld arbeidsgezondheidskundig onderzoek, als bedoeld in artikel 50, eerste lid, onderdeel f, lichamelijk en psychisch in staat kan worden geacht de functie van vlieger te blijven vervullen.

  3. Indien niet meer wordt voldaan aan een of beide van de voorwaarden genoemd in het tweede lid, vindt eervol ontslag plaats.

  4. Het ontslag, bedoeld in het derde lid, wordt verleend met ingang van de eerste dag van een maand. Indien dit ontslag plaats vindt op aanvraag van de ambtenaar wordt dit ontslag niet eerder verleend dan een maand en niet later dan drie maanden na de dag waarop de aanvraag om ontslag is ontvangen.

  5. De ambtenaar aan wie op grond van het eerste of derde lid ontslag is verleend, heeft recht op een uitkering overeenkomstig door Onze Minister te stellen regels.

18-04-2026 Huidig 01-01-2026 Historisch 01-11-2025 Historisch 23-09-2025 Historisch 13-05-2025 Historisch 01-04-2025 Historisch 01-01-2025 Historisch 14-11-2024 Historisch 01-07-2024 Historisch 22-06-2024 Historisch 11-05-2024 Historisch 20-01-2024 Historisch 01-01-2023 Historisch 15-09-2022 Historisch 02-08-2022 Historisch 01-08-2022 Historisch 01-07-2022 Historisch 01-04-2022 Historisch 26-03-2022 Historisch 01-01-2022 Historisch 01-12-2021 Historisch 09-03-2021 Historisch 01-01-2021 Historisch 23-12-2020 Historisch 05-09-2020 Historisch 01-09-2020 Historisch 13-03-2020 Historisch 01-01-2020 Historisch
Voor dit artikel is er geen zichtbare wijziging ten opzichte van 01-01-2020.

Tekst van deze versie

  1. Aan de ambtenaar wordt met ingang van de eerste dag van de maand volgend op die waarin hij de leeftijd bereikt waarop hij maximaal tien jaar jonger is dan op dat moment voor betrokkene van toepassing zijnde AOW-gerechtigde leeftijd, eervol ontslag verleend, indien hij

    1. op 31 december 2006 de functie van vlieger bij de landelijke eenheid had;

    2. vanaf 1 januari 2007 de functie van vlieger bij de landelijke eenheid heeft;

    3. ten minste tien jaar voorafgaand tot aan het ontslag ononderbroken de functie van vlieger bij de landelijke eenheid heeft; en

    4. op grond van artikel B3, eerste en tweede lid, van het AFUP-opbouwreglement, zoals dat luidde op 31 december 2005, deelnemer was aan de AFUP.

    De artikelen 4a, 4b en 12a tot en met 12d van het Besluit bezoldiging politie zijn niet van toepassing op een ambtenaar als bedoeld in de eerste volzin.

  2. Het bevoegd gezag kan van het verlenen van het ontslag, bedoeld in het eerste lid, aan de ambtenaar die de functie heeft van vlieger bij een landelijke eenheid, voor de duur van telkens ten hoogste één jaar afzien, indien de ambtenaar zulks heeft aangevraagd of daarmee instemt en hij blijkens de uitslag van een door de deskundige persoon of de arbodienst ingesteld arbeidsgezondheidskundig onderzoek, als bedoeld in artikel 50, eerste lid, onderdeel f, lichamelijk en psychisch in staat kan worden geacht de functie van vlieger te blijven vervullen.

  3. Indien niet meer wordt voldaan aan een of beide van de voorwaarden genoemd in het tweede lid, vindt eervol ontslag plaats.

  4. Het ontslag, bedoeld in het derde lid, wordt verleend met ingang van de eerste dag van een maand. Indien dit ontslag plaats vindt op aanvraag van de ambtenaar wordt dit ontslag niet eerder verleend dan een maand en niet later dan drie maanden na de dag waarop de aanvraag om ontslag is ontvangen.

  5. De ambtenaar aan wie op grond van het eerste of derde lid ontslag is verleend, heeft recht op een uitkering overeenkomstig door Onze Minister te stellen regels.

Nog geen automatische verwijzingen.

Deze actie vereist een account
Log in of maak een account om arceringen, annotaties, tags en dossiers te gebruiken.
← terug naar Besluit algemene rechtspositie politie