Besluit algemene rechtspositie politie

Inhoud
Hoofdstuk I Algemene bepaling
Hoofdstuk Ia Elektronische berichtgeving
Hoofdstuk II Aanstelling
Hoofdstuk III Arbeids- en rusttijden
Hoofdstuk IV Vakantie
Hoofdstuk IV.A Individuele keuzemogelijkheden in arbeidsvoorwaarden
Hoofdstuk V Verlof
Hoofdstuk V.a Levensfase-uren
Hoofdstuk VI Buitengewoon verlof
Hoofdstuk VII Arbeidsgezondheidskundige begeleiding en maatregelen en enkele overige bepalingen in verband met ziekte, beroepsgerelateerde gezondheidsklachten en zwangerschap
Hoofdstuk VII.a Integriteit
Hoofdstuk VII.b Voorzieningen bij reorganisaties
Hoofdstuk VIII Overige rechten en verplichtingen van de ambtenaar
Hoofdstuk IX Straffen
Hoofdstuk X Schorsing en ontslag
Hoofdstuk XI Overgangs- en slotbepalingen
Bijlage I bij artikel 55ia, derde lid, Besluit algemene rechtspositie politie
Bijlage II bij artikel 55ia, derde lid, Besluit algemene rechtspositie politie

Artikel 12

HISTORISCH
  1. Het bevoegd gezag stelt de arbeids- en rusttijden vast.

  2. Het bevoegd gezag kan in een regeling als bedoeld in artikel 1:4, eerste lid, van de Arbeidstijdenwet afspraken maken inzake rusttijd en pauze, de arbeidstijd, arbeid op zondag en arbeid in nachtdienst, met dien verstande dat in die regeling geen afspraken worden opgenomen die afwijken van het bepaalde in dit artikel en de krachtens het zeventiende lid vastgestelde landelijke regels inzake arbeidstijden.

  3. De arbeidstijd bedraagt gemiddeld 36 uur per week. De arbeidstijd van de ambtenaar met een functie waarvoor salarisschaal 15 of hoger geldt, bedraagt gemiddeld 39,6 uur per week. De arbeidstijd van chauffeurs bedraagt gemiddeld 48 uur per week.

  4. Voor de ambtenaar met een volledige betrekking bedraagt het aantal te werken uren per jaar: het aantal kalenderdagen per jaar, verminderd met:

    1. het aantal zaterdagen en zondagen, en

    2. Nieuwjaarsdag, Tweede Paasdag, Hemelvaartsdag, Tweede Pinksterdag, de beide kerstdagen, de dag waarop de verjaardag van de Koning wordt gevierd, en 5 mei, voor zover deze dagen niet vallen op een zaterdag of een zondag, vermenigvuldigd met 7,2.

  5. Het in het vierde lid berekende product wordt verhoogd met 1% voor de ambtenaren bedoeld in artikel 30e, eerste lid, onderdelen a en c.

  6. Voor de ambtenaar met een andere betrekking dan een volledige betrekking bedraagt het aantal te werken uren per jaar een evenredig deel van het aantal te werken uren volgens de systematiek van de in het vierde en vijfde lid opgenomen berekeningswijze.

  7. Het aantal te werken uren, bedoeld in het vijfde en zesde lid, wordt rekenkundig op hele uren afgerond.

  8. Uiterlijk 28 dagen voor aanvang van de periode van 28 dagen waarop het betrekking heeft, maakt het bevoegd gezag het perioderooster bekend waarin op grond van artikel 4:2, derde lid, van de Arbeidstijdenwet de vrije zondagen en wekelijkse rust worden vastgesteld. Een verschuiving van een vastgestelde vrije zondag of wekelijkse rust wordt vastgesteld in het dienstrooster, bedoeld in het negende lid.

  9. Uiterlijk zeven dagen voor aanvang van de periode van 28 dagen waarop het betrekking heeft, maakt het bevoegd gezag het dienstrooster bekend waarin wordt vastgesteld op welke dagen arbeid wordt verricht en welke dagen vrije dagen zijn. Een verschuiving van een vastgestelde vrije dag wordt vastgesteld in het dagrooster, bedoeld in het elfde lid.

  10. In dit artikel wordt onder vrije dag verstaan een kalenderdag waarop geen dienst dan wel activiteiten door het bevoegd gezag zijn vastgesteld. Een kalenderdag waarop vakantie is vastgesteld en geen dienst dan wel activiteiten zijn vastgesteld wordt gelijkgesteld aan een vrije dag.

  11. Uiterlijk zeven dagen voor de dag waarop dienst moet worden gedaan, maakt het bevoegd gezag het dagrooster bekend waarin wordt vastgesteld welke de tijdstippen zijn van aanvang en einde van de dienst. Een verschuiving van de vastgestelde tijdstippen van aanvang en einde van de dienst binnen deze zeven dagen kan uitsluitend:

    1. met instemming van de betrokken ambtenaar en na schriftelijke vastlegging of

    2. indien op grond van artikel 2:2 of 2:5 van de Arbeidstijdenwet die wet niet van toepassing is.

  12. Een verschuiving als bedoeld in het elfde lid heeft niet tot gevolg dat in het dagrooster een minder aantal te werken uren wordt opgenomen dan het voorafgaande aan die verschuiving in het dagrooster reeds vastgestelde aantal te werken uren.

  13. Consignatie wordt slechts opgedragen:

    1. boven de voor de ambtenaar krachtens dit artikel vastgestelde diensttijden, en

    2. tot een door het bevoegd gezag of een daartoe aangewezen ambtenaar vast te stellen aantal uren per jaar. De opgedragen consignatie is geen dienst of activiteit in de zin van het tiende lid.

  14. Geen consignatie wordt opgedragen tijdens:

    1. de periode van wekelijkse rust, bedoeld in artikel 5:5 van de Arbeidstijdenwet;

    2. vakantie als bedoeld in hoofdstuk IV;

    3. verlof als bedoeld in hoofdstuk VI;

    4. opname van levensfase-uren.

    De uren waarmee de gemiddelde arbeidstijd per week wordt verminderd, bedoeld in artikel 13a, vierde lid, worden voor de toepassing van dit lid niet aangemerkt als verlof.

  15. Indien het bevoegd gezag de ambtenaar niet houdt aan het verrichten van de dienst, zoals vastgesteld in het dagrooster, of indien het bevoegd gezag die dienst verkort zonder instemming van de ambtenaar, en een van deze gevallen aan de ambtenaar meedeelt in de periode vanaf zeven dagen tot aan de dag waarop de dienst moest worden gedaan, wordt de ambtenaar geacht de volledige dienst te hebben verricht.

  16. De dienst voorafgaand aan een vrije dag dient uiterlijk om 23.00 uur te eindigen en na een vrije dag kan de dienst niet eerder beginnen dan om 07.00 uur. De tijdstippen van 23.00 uur en 07.00 uur kunnen door het bevoegd gezag in overeenstemming met de ambtenaar of op diens verzoek worden gewijzigd in 24.00 uur respectievelijk 06.00 uur.

  17. Een ambtenaar heeft in een kalenderjaar recht op:

    1. ten minste 21 vrije zondagen welke aansluiten op een vrije dag, dan wel

    2. 22 periodes van twee aaneengesloten vrije dagen waarbij de aaneengesloten periode een zaterdag of één van de 21 hierboven genoemde vrije zondagen omvat.

    Het bevoegd gezag verdeelt de te werken zondagen zo evenredig mogelijk over de ambtenaren. Deze verdeling wordt jaarlijks bezien.

  18. Op verzoek van de ambtenaar kan worden afgeweken van het veertiende lid, onderdeel a, en het zeventiende lid, onderdeel a.

  19. Indien op verzoek van de ambtenaar wordt afgeweken van het zeventiende lid, onderdeel a, heeft de ambtenaar in een kalenderjaar recht op 22 periodes van twee aaneengesloten vrije dagen.

  20. Het elfde lid is niet van toepassing op de ambtenaar die vanwege de aard van de werkzaamheden niet gebonden is aan vaste begin- en eindtijden van de door hem te verrichten diensten.

  21. Het vijftiende lid is niet van toepassing op de ambtenaar die bij het volgen van een meerdaagse opleiding in totaal niet minder uren werkt dan voor hem voor het volgen van de opleiding zijn vastgesteld.

  22. Onze Minister kan ter uitvoering van dit artikel nadere regels stellen.

18-04-2026 Huidig 01-01-2026 Historisch 01-11-2025 Historisch 23-09-2025 Historisch 13-05-2025 Historisch 01-04-2025 Historisch 01-01-2025 Historisch 14-11-2024 Historisch 01-07-2024 Historisch 22-06-2024 Historisch 11-05-2024 Historisch 20-01-2024 Historisch 01-01-2023 Historisch 15-09-2022 Historisch 02-08-2022 Historisch 01-08-2022 Historisch 01-07-2022 Historisch 01-04-2022 Historisch 26-03-2022 Historisch 01-01-2022 Historisch 01-12-2021 Historisch 09-03-2021 Historisch 01-01-2021 Historisch 23-12-2020 Historisch 05-09-2020 Historisch 01-09-2020 Historisch 13-03-2020 Historisch 01-01-2020 Historisch
Voor dit artikel is er geen zichtbare wijziging ten opzichte van 01-11-2025.

Tekst van deze versie

  1. Het bevoegd gezag stelt de arbeids- en rusttijden vast.

  2. Het bevoegd gezag kan in een regeling als bedoeld in artikel 1:4, eerste lid, van de Arbeidstijdenwet afspraken maken inzake rusttijd en pauze, de arbeidstijd, arbeid op zondag en arbeid in nachtdienst, met dien verstande dat in die regeling geen afspraken worden opgenomen die afwijken van het bepaalde in dit artikel en de krachtens het zeventiende lid vastgestelde landelijke regels inzake arbeidstijden.

  3. De arbeidstijd bedraagt gemiddeld 36 uur per week. De arbeidstijd van de ambtenaar met een functie waarvoor salarisschaal 15 of hoger geldt, bedraagt gemiddeld 39,6 uur per week. De arbeidstijd van chauffeurs bedraagt gemiddeld 48 uur per week.

  4. Voor de ambtenaar met een volledige betrekking bedraagt het aantal te werken uren per jaar: het aantal kalenderdagen per jaar, verminderd met:

    1. het aantal zaterdagen en zondagen, en

    2. Nieuwjaarsdag, Tweede Paasdag, Hemelvaartsdag, Tweede Pinksterdag, de beide kerstdagen, de dag waarop de verjaardag van de Koning wordt gevierd, en 5 mei, voor zover deze dagen niet vallen op een zaterdag of een zondag, vermenigvuldigd met 7,2.

  5. Het in het vierde lid berekende product wordt verhoogd met 1% voor de ambtenaren bedoeld in artikel 30e, eerste lid, onderdelen a en c.

  6. Voor de ambtenaar met een andere betrekking dan een volledige betrekking bedraagt het aantal te werken uren per jaar een evenredig deel van het aantal te werken uren volgens de systematiek van de in het vierde en vijfde lid opgenomen berekeningswijze.

  7. Het aantal te werken uren, bedoeld in het vijfde en zesde lid, wordt rekenkundig op hele uren afgerond.

  8. Uiterlijk 28 dagen voor aanvang van de periode van 28 dagen waarop het betrekking heeft, maakt het bevoegd gezag het perioderooster bekend waarin op grond van artikel 4:2, derde lid, van de Arbeidstijdenwet de vrije zondagen en wekelijkse rust worden vastgesteld. Een verschuiving van een vastgestelde vrije zondag of wekelijkse rust wordt vastgesteld in het dienstrooster, bedoeld in het negende lid.

  9. Uiterlijk zeven dagen voor aanvang van de periode van 28 dagen waarop het betrekking heeft, maakt het bevoegd gezag het dienstrooster bekend waarin wordt vastgesteld op welke dagen arbeid wordt verricht en welke dagen vrije dagen zijn. Een verschuiving van een vastgestelde vrije dag wordt vastgesteld in het dagrooster, bedoeld in het elfde lid.

  10. In dit artikel wordt onder vrije dag verstaan een kalenderdag waarop geen dienst dan wel activiteiten door het bevoegd gezag zijn vastgesteld. Een kalenderdag waarop vakantie is vastgesteld en geen dienst dan wel activiteiten zijn vastgesteld wordt gelijkgesteld aan een vrije dag.

  11. Uiterlijk zeven dagen voor de dag waarop dienst moet worden gedaan, maakt het bevoegd gezag het dagrooster bekend waarin wordt vastgesteld welke de tijdstippen zijn van aanvang en einde van de dienst. Een verschuiving van de vastgestelde tijdstippen van aanvang en einde van de dienst binnen deze zeven dagen kan uitsluitend:

    1. met instemming van de betrokken ambtenaar en na schriftelijke vastlegging of

    2. indien op grond van artikel 2:2 of 2:5 van de Arbeidstijdenwet die wet niet van toepassing is.

  12. Een verschuiving als bedoeld in het elfde lid heeft niet tot gevolg dat in het dagrooster een minder aantal te werken uren wordt opgenomen dan het voorafgaande aan die verschuiving in het dagrooster reeds vastgestelde aantal te werken uren.

  13. Consignatie wordt slechts opgedragen:

    1. boven de voor de ambtenaar krachtens dit artikel vastgestelde diensttijden, en

    2. tot een door het bevoegd gezag of een daartoe aangewezen ambtenaar vast te stellen aantal uren per jaar. De opgedragen consignatie is geen dienst of activiteit in de zin van het tiende lid.

  14. Geen consignatie wordt opgedragen tijdens:

    1. de periode van wekelijkse rust, bedoeld in artikel 5:5 van de Arbeidstijdenwet;

    2. vakantie als bedoeld in hoofdstuk IV;

    3. verlof als bedoeld in hoofdstuk VI;

    4. opname van levensfase-uren.

    De uren waarmee de gemiddelde arbeidstijd per week wordt verminderd, bedoeld in artikel 13a, vierde lid, worden voor de toepassing van dit lid niet aangemerkt als verlof.

  15. Indien het bevoegd gezag de ambtenaar niet houdt aan het verrichten van de dienst, zoals vastgesteld in het dagrooster, of indien het bevoegd gezag die dienst verkort zonder instemming van de ambtenaar, en een van deze gevallen aan de ambtenaar meedeelt in de periode vanaf zeven dagen tot aan de dag waarop de dienst moest worden gedaan, wordt de ambtenaar geacht de volledige dienst te hebben verricht.

  16. De dienst voorafgaand aan een vrije dag dient uiterlijk om 23.00 uur te eindigen en na een vrije dag kan de dienst niet eerder beginnen dan om 07.00 uur. De tijdstippen van 23.00 uur en 07.00 uur kunnen door het bevoegd gezag in overeenstemming met de ambtenaar of op diens verzoek worden gewijzigd in 24.00 uur respectievelijk 06.00 uur.

  17. Een ambtenaar heeft in een kalenderjaar recht op:

    1. ten minste 21 vrije zondagen welke aansluiten op een vrije dag, dan wel

    2. 22 periodes van twee aaneengesloten vrije dagen waarbij de aaneengesloten periode een zaterdag of één van de 21 hierboven genoemde vrije zondagen omvat.

    Het bevoegd gezag verdeelt de te werken zondagen zo evenredig mogelijk over de ambtenaren. Deze verdeling wordt jaarlijks bezien.

  18. Op verzoek van de ambtenaar kan worden afgeweken van het veertiende lid, onderdeel a, en het zeventiende lid, onderdeel a.

  19. Indien op verzoek van de ambtenaar wordt afgeweken van het zeventiende lid, onderdeel a, heeft de ambtenaar in een kalenderjaar recht op 22 periodes van twee aaneengesloten vrije dagen.

  20. Het elfde lid is niet van toepassing op de ambtenaar die vanwege de aard van de werkzaamheden niet gebonden is aan vaste begin- en eindtijden van de door hem te verrichten diensten.

  21. Het vijftiende lid is niet van toepassing op de ambtenaar die bij het volgen van een meerdaagse opleiding in totaal niet minder uren werkt dan voor hem voor het volgen van de opleiding zijn vastgesteld.

  22. Onze Minister kan ter uitvoering van dit artikel nadere regels stellen.

Nog geen automatische verwijzingen.

Deze actie vereist een account
Log in of maak een account om arceringen, annotaties, tags en dossiers te gebruiken.
← terug naar Besluit algemene rechtspositie politie