Arbeidstijdenwet Laatste controle 30-03-2026, laatste wijziging 14-03-2026.

Inhoud
Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen
Begrippen werkgever en werknemer
Begrippen kind en arbeid in verband met kinderarbeid
Het begrip collectieve regeling
Gelijkstelling met collectieve regeling
Werkingsduur van de collectieve regeling
Het begrip medezeggenschapsorgaan
Overige begrippen
Hoofdstuk 2 Toepassingsgebied
§ 2.1 Gehele of gedeeltelijke uitsluiting van de toepasselijkheid
Algemeen
Rampen
Onderwijs
Defensie
Toezichthoudende en (bijzondere) opsporingsdiensten
§ 2.2 Uitbreiding van de toepasselijkheid
Zelfstandigen
Extra-territoriale werking
§ 2.3 Bijzondere voorschriften voor vliegend, varend en rijdend personeel
Hoofdstuk 3 Het verbod van kinderarbeid
Begrip verantwoordelijke persoon
Het verbod van kinderarbeid
Ontheffing
Voorlichting
Nadere voorschriften
Hoofdstuk 4 Algemene verplichtingen
§ 4.1 Algemeen
Beleidsvoering, inventarisatie en evaluatie
Vaststelling arbeids- en rusttijdenpatroon
Mededeling arbeids- en rusttijdenpatroon
Registratie
§ 4.2 Jeugdige werknemers
Arbeid in verband met onderwijs
§ 4.3 Vrouwelijke werknemers
Arbeid en zwangerschap
Bevalling
Arbeid na bevalling
Voedingsrecht
§ 4.4 Gezondheidsproblemen in relatie met het verrichten van nachtdiensten
Hoofdstuk 5 Arbeids- en rusttijden
§ 5.1 Algemene bepalingen
Gelijkstelling met de zondag
Gelijkstelling met arbeidstijd
§ 5.2 Arbeids- en rusttijden
Dagelijkse onafgebroken rusttijd
Pauzeregeling
Wekelijkse onafgebroken rusttijd
Arbeid op zondag
Arbeidstijd
Arbeid in nachtdienst
Consignatie
Plotseling onvoorziene situaties
§ 5.3 Bijzondere voorschriften
§ 5.4 Vrijstelling en ontheffing
§ 5.5 Samenloop
Hoofdstuk 6 Medezeggenschapsaspecten
Beraadslaging
Informatierecht
Vergezelrecht en recht op een onderhoud
Hoofdstuk 7 Overige bestuursrechtelijke aspecten
Algemene wet bestuursrecht
Vrijstelling en ontheffing
Nadere voorschriften inzake vrijstelling en ontheffing
Nadere voorschriften registratiemiddelen
Hoofdstuk 8 Toezicht
§ 8.1 Toezicht
Aanwijzing toezichthouders
§ 8.2 Het bevel tot staken van de arbeid
Het bevel tot staken van de arbeid
Aansprakelijkheid
§ 8.3 Geheimhouding
§ 8.4 Controlemiddelen toezichthouders
§ 8.5 Gegevensuitwisseling
Hoofdstuk 9 Zelfstandige bestuursorganen
§ 9.1 Dienst Wegverkeer
§ 9.2 Exameninstantie installateur en reparateur tachograaf
Hoofdstuk 10 Bestuursrechtelijke handhaving
§ 10.1 Overtredingen
Aanwijzing overtredingen
§ 10.2 Het boeterapport
Boeterapport
§ 10.3 Oplegging van de boete
Het opleggen van de boete
Geen oplegging van de bestuurlijke boete
De hoogte van de bestuurlijke boete
§ 10.4 Inlichtingenplicht en terugbetaling
Inlichtingenplicht jegens de boeteoplegger
§ 10.5 Terugbetaling
Terugbetaling
§ 10.6 Bijzondere voorschriften voor bestuurders van motorrijtuigen zonder bekende woon- of verblijfplaats in Nederland
Begrippen
Toepasselijkheid van de paragraaf
Betaling van de boete
Voorlopige maatregelen
Hoofdstuk 11 Strafbaarstelling en daarmee samenhangende bepalingen
Toepasselijkheid Nederlandse strafwet
Bijzondere aansprakelijkheid
Strafbepalingen
Strafoplegging
Uitreiking gerechtelijke mededelingen
Hoofdstuk 12 Slotbepalingen

Hoofdstuk 8

Toezicht

Artikel 8:1

  1. Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze wet zijn belast de bij besluit van Onze Minister aangewezen onder hem ressorterende ambtenaren.

  2. Met betrekking tot door Onze Minister aangewezen categorieën van arbeid zijn met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze wet belast of mede belast de door hem aangewezen andere ambtenaren dan de in het eerste lid bedoelde. Indien ambtenaren worden aangewezen die ressorteren onder een andere minister, wordt het besluit tot aanwijzing van die ambtenaren genomen door Onze Minister en die andere minister gezamenlijk. Indien Onze Minister ambtenaren van provincies, gemeenten of waterschappen aanwijst, doet hij dit in overeenstemming met de desbetreffende besturen.

  3. In afwijking van het tweede lid wordt het aldaar bedoelde besluit, voor zover het de in artikel 5:12, tweede lid, onderscheiden categorieën van arbeid betreft, genomen door Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat en Onze Minister tezamen.

  4. Van een aanwijzingsbesluit als bedoeld in de voorgaande leden wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.

  5. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat in de bij of krachtens die maatregel te bepalen gevallen en wijze degene die arbeid verricht of doet verrichten in de territoriale zee of de exclusieve economische zone, verplicht is de ambtenaren, bedoeld in het eerste of tweede lid, bij de uitoefening van hun bevoegdheden te vervoeren naar door deze ambtenaren aan te duiden plaatsen waar deze arbeid wordt of zal worden verricht. Artikel 4:3, vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 8:2

  1. Een toezichthouder kan bevelen, dat, indien artikel 3:2, eerste lid, naar zijn oordeel in ernstige mate wordt overtreden of dreigt te worden overtreden, een kind de arbeid staakt of niet aanvangt.

  2. Een toezichthouder kan bevelen dat, indien arbeid wordt verricht of dreigt te worden verricht die naar zijn oordeel in ernstige mate in strijd is met de bij deze wet en de daarop berustende bepalingen gegeven regels inzake arbeids- en rusttijden of deugdelijke registratie, voor zover aangeduid als overtredingen in de zin van artikel 10:1 of zijn aangemerkt als economische delicten als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet op de economisch delicten, een kind, de werknemer of een persoon als bedoeld in artikel 2:7, die arbeid staakt of niet aanvangt tot op een nader te bepalen tijdstip. Het tijdstip wordt niet later gesteld dan dat, waarop hervatting van de arbeid wettelijk weer geoorloofd is onderscheidenlijk deugdelijk kan worden uitgevoerd.

  3. Voor zover het in het eerste en tweede lid bedoelde bevel op enigerlei andere wijze dan schriftelijk wordt gegeven, wordt zij binnen 7 dagen, nadat het bevel is gegeven, schriftelijk bevestigd.

  4. Degene, die een bevel als bedoeld in het eerste en tweede lid, heeft gegeven, is bevoegd met betrekking tot de uitvoering ervan de nodige maatregelen te treffen, met inbegrip van de oplegging van een last onder bestuursdwang, de nodige aanwijzingen te geven en de hulp van de sterke arm in te roepen.

  5. Degene die het bevel heeft gegeven, kan dit bevel te allen tijde intrekken.

Artikel 8:3

Een ieder, wie zulks aangaat, gedraagt zich overeenkomstig een bevel als bedoeld in artikel 8:2, eerste en tweede lid, en een maatregel of aanwijzing als bedoeld in het vierde lid van dat artikel.

Artikel 8:3a

  1. Een daartoe door Onze Minister aangewezen, onder hem ressorterende ambtenaar kan, nadat een overtreding van een voorschrift of verbod bij of krachtens deze wet is geconstateerd die bestuurlijk beboetbaar is gesteld of op grond van de Wet op de economische delicten strafbaar is gesteld, aan de werkgever een schriftelijke waarschuwing geven dat bij herhaling van de overtreding of bij een latere overtreding van eenzelfde in de waarschuwing aangegeven wettelijke verplichting of verbod of bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aan te wijzen soortgelijke verplichtingen of verboden, door hem een bevel kan worden opgelegd dat door hem aangewezen werkzaamheden voor ten hoogste drie maanden worden gestaakt dan wel niet mogen worden aangevangen. Artikel 8:1, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.

  2. Indien een waarschuwing als bedoeld in het eerste lid is gegeven en herhaling van de overtreding of een latere overtreding als bedoeld in het eerste lid is geconstateerd, kan door de ambtenaar, bedoeld in het eerste lid, aan de werkgever bij beschikking een bevel als bedoeld in het eerste lid worden opgelegd dat wordt opgevolgd met ingang van het in de beschikking aangeven tijdstip. Deze beschikking wordt niet gegeven zolang wegens de eerste overtreding, bedoeld in het eerste lid, nog niet een bestuurlijke boete is opgelegd of een proces-verbaal is opgemaakt.

  3. De constatering van de overtreding, bedoeld in het eerste of tweede lid, wordt vastgelegd in een boeterapport of proces-verbaal.

  4. De waarschuwing, bedoeld in het eerste lid, vervalt indien na de dagtekening van de waarschuwing vijf jaren zijn verstreken.

  5. De ambtenaar, bedoeld in het eerste lid, is bevoegd met betrekking tot het bevel, bedoeld in het tweede lid, met inbegrip van de oplegging van een last onder bestuursdwang, de nodige maatregelen te treffen, de nodige aanwijzingen te geven en de hulp van de sterke arm in te roepen.

  6. Ieder wie zulks aangaat is verplicht zich te gedragen overeenkomstig een bevel als bedoeld in het tweede lid en een maatregel of aanwijzing als bedoeld in het vijfde lid.

  7. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld met betrekking tot het eerste en tweede lid.

Artikel 8:4

De toezichthouders zijn, behoudens tegenover hen aan wier gezag zij uit hoofde van hun ambt zijn onderworpen, verplicht tot geheimhouding van de namen van de personen door wie een klacht is ingediend of aangifte is gedaan van een economische delict als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet op de economische delicten voor zover betrekking hebbend op deze wet en de daarop berustende bepalingen, behoudens wanneer deze personen hen schriftelijk hebben verklaard tegen de mededeling van hun namen geen bedenkingen te hebben.

Artikel 8:5

  1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld omtrent de aanvraag en het gebruik van middelen door toezichthouders ten behoeve van de controle op een deugdelijke registratie van arbeids- en rusttijden ten aanzien van arbeid verricht door personen werkzaam in of op motorrijtuigen.

  2. De voordracht van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het eerste lid wordt Ons gedaan door Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat.

Artikel 8:6

  1. Een toezichthouder kan afgifte vorderen van een middel terzake van de deugdelijke registratie, bedoeld in artikel 4:3, derde lid, dat betrekking heeft op arbeid verricht door personen in of op motorrijtuigen, in bij algemene maatregel van bestuur omschreven gevallen van onrechtmatig bezit en gebruik van dat middel.

  2. Een ieder is op eerste vordering verplicht tot afgifte van een door hem gehouden middel als bedoeld in het eerste lid.

  3. Een ingevorderd middel wordt met een door de toezichthouder opgemaakt rapport inzake de toedracht van vordering tot afgifte gezonden aan Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat.

  4. De voordracht van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het eerste lid wordt Ons gedaan door Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat.

Artikel 8:7

  1. Bestuursorganen zijn bevoegd uit eigen beweging en verplicht desgevraagd aan Onze Minister en de toezichthouder kosteloos alle gegevens en inlichtingen te verstrekken die noodzakelijk zijn voor de uitvoering en het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze wet en dit noodzakelijk is ten behoeve van een samenwerkingsverband tussen twee of meer van de voornoemde instanties.

  2. Onze Minister en de toezichthouder verstrekken andere bestuursorganen kosteloos alle gegevens en inlichtingen, die zijn verkregen door de uitvoering of het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze wet, welke noodzakelijk zijn voor de uitvoering van hun wettelijke taak en dit noodzakelijk is ten behoeve van een samenwerkingsverband tussen twee of meer van de voornoemde instanties.

  3. Onze Minister, bestuursorganen en de toezichthouder kunnen bij het verwerken van persoonsgegevens gebruik maken van het burgerservicenummer.

  4. De gegevensverstrekking, bedoeld in het eerste en tweede lid, vindt niet plaats indien de persoonlijke levenssfeer van de betrokkene daardoor onevenredig wordt geschaad.

  5. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld omtrent de gevallen waarin en de wijze waarop in ieder geval gegevens worden verstrekt.

← terug naar Arbeidstijdenwet