Arbeidstijdenwet

Inhoud
Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen
Begrippen werkgever en werknemer
Begrippen kind en arbeid in verband met kinderarbeid
Het begrip collectieve regeling
Gelijkstelling met collectieve regeling
Werkingsduur van de collectieve regeling
Het begrip medezeggenschapsorgaan
Overige begrippen
Hoofdstuk 2 Toepassingsgebied
§ 2.1 Gehele of gedeeltelijke uitsluiting van de toepasselijkheid
Algemeen
Rampen
Onderwijs
Defensie
Toezichthoudende en (bijzondere) opsporingsdiensten
Brandweer
§ 2.2 Uitbreiding van de toepasselijkheid
Zelfstandigen
Extra-territoriale werking
§ 2.3 Bijzondere voorschriften voor vliegend, varend en rijdend personeel
Hoofdstuk 3 Het verbod van kinderarbeid
Begrip verantwoordelijke persoon
Het verbod van kinderarbeid
Ontheffing
Voorlichting
Nadere voorschriften
Hoofdstuk 4 Algemene verplichtingen
§ 4.1 Algemeen
Beleidsvoering, inventarisatie en evaluatie
Vaststelling arbeids- en rusttijdenpatroon
Mededeling arbeids- en rusttijdenpatroon
Registratie
§ 4.2 Jeugdige werknemers
Arbeid in verband met onderwijs
§ 4.3 Vrouwelijke werknemers
Arbeid en zwangerschap
Bevalling
Arbeid na bevalling
Voedingsrecht
§ 4.4 Gezondheidsproblemen in relatie met het verrichten van nachtdiensten
Hoofdstuk 5 Arbeids- en rusttijden
§ 5.1 Algemene bepalingen
Gelijkstelling met de zondag
Gelijkstelling met arbeidstijd
§ 5.2 Arbeids- en rusttijden
Dagelijkse onafgebroken rusttijd
Pauzeregeling
Wekelijkse onafgebroken rusttijd
Arbeid op zondag
Arbeidstijd
Arbeid in nachtdienst
Consignatie
Plotseling onvoorziene situaties
§ 5.3 Bijzondere voorschriften
§ 5.4 Vrijstelling en ontheffing
§ 5.5 Samenloop
Hoofdstuk 6 Medezeggenschapsaspecten
Beraadslaging
Informatierecht
Vergezelrecht en recht op een onderhoud
Hoofdstuk 7 Overige bestuursrechtelijke aspecten
Algemene wet bestuursrecht
Vrijstelling en ontheffing
Nadere voorschriften inzake vrijstelling en ontheffing
Eis tot naleving
Nadere voorschriften registratiemiddelen
Hoofdstuk 8 Toezicht
§ 8.1 Toezicht
Aanwijzing toezichthouders
§ 8.2 Het bevel tot staken van de arbeid
Het bevel tot staken van de arbeid
Aansprakelijkheid
§ 8.3 Geheimhouding
§ 8.4 Controlemiddelen toezichthouders
§ 8.5 Gegevensuitwisseling
Hoofdstuk 9 Zelfstandige bestuursorganen
§ 9.1 Dienst Wegverkeer
§ 9.2 Exameninstantie installateur en reparateur tachograaf
Hoofdstuk 10 Bestuursrechtelijke handhaving
§ 10.1 Overtredingen
Aanwijzing overtredingen
§ 10.2 Het boeterapport
Boeterapport
§ 10.3 Oplegging van de boete
Het opleggen van de boete
Geen oplegging van de bestuurlijke boete
De hoogte van de bestuurlijke boete
§ 10.4 Inlichtingenplicht en terugbetaling
Inlichtingenplicht jegens de boeteoplegger
§ 10.5 Terugbetaling
Terugbetaling
§ 10.6 Bijzondere voorschriften voor bestuurders van motorrijtuigen zonder bekende woon- of verblijfplaats in Nederland
Begrippen
Toepasselijkheid van de paragraaf
Betaling van de boete
Voorlopige maatregelen
Hoofdstuk 11 Strafbaarstelling en daarmee samenhangende bepalingen
Toepasselijkheid Nederlandse strafwet
Bijzondere aansprakelijkheid
Strafbepalingen
Strafoplegging
Uitreiking gerechtelijke mededelingen
Hoofdstuk 12 Slotbepalingen

Artikel 5:9

Actueel
Je bekijkt de huidige officiële versie van 01-07-2025.
  1. De werkgever organiseert de arbeid zodanig, dat consignatie uitsluitend aan een werknemer van 18 jaar of ouder wordt opgelegd.

  2. De werkgever organiseert de arbeid zodanig, dat de werknemer in elke aaneengesloten periode van 28 maal 24 uren ten minste:

    1. 14 maal een periode van 24 aaneengesloten uren geen consignatie wordt opgelegd, en

    2. 2 maal een aaneengesloten periode van 48 uren geen arbeid verricht noch consignatie wordt opgelegd.

  3. De werkgever organiseert de arbeid zodanig, dat de werknemer geen consignatie wordt opgelegd gedurende:

    1. 11 aaneengesloten uren voor elke nachtdienst, en

    2. 14 aaneengesloten uren na elke nachtdienst.

  4. In aanvulling op artikel 5:7, tweede lid, onderdeel a, organiseert de werkgever de arbeid zodanig, dat de werknemer aan wie consignatie is opgelegd ten hoogste 13 uren in elke periode van 24 aaneengesloten uren arbeid verricht.

  5. In afwijking van artikel 5:7, tweede lid, onderdeel c, organiseert de werkgever de arbeid zodanig, dat een werknemer aan wie in een periode van 16 aaneengesloten weken 16 of meer malen consignatie is opgelegd, welke consignatie telkens geheel of gedeeltelijk perioden tussen 00.00 uur en 06.00 uur omvat, in die periode van 16 aaneengesloten weken ten hoogste gemiddeld 40 uren per week arbeid verricht.

  6. In plaats van het vijfde lid kan de werkgever de arbeid van een werknemer aan wie in een periode van 16 aaneengesloten weken 16 of meer malen consignatie is opgelegd, die telkens geheel of gedeeltelijk perioden tussen 00.00 uur en 06.00 uur omvat, ook zodanig organiseren dat de werknemer:

    1. na de laatste oproep die is aangevangen tussen 00.00 uur en 06.00 uur, een onafgebroken rusttijd heeft van ten minste 8 uren, dan wel, indien zijn dienst aanvangt direct aansluitend op een oproep die is aangevangen tussen 00.00 uur en 06.00 uur, in de direct aaneengesloten periode van 18 uren welke periode begint om 06.00 uur, een onafgebroken rusttijd heeft van ten minste 8 uren, en

    2. in die periode van 16 aaneengesloten weken ten hoogste gemiddeld 45 uren arbeid per week verricht.

  7. Voor de toepassing van het tweede tot en met zesde lid vangt de arbeid tijdens consignatie aan op het moment van een oproep. Indien binnen een half uur na beëindiging van de arbeid die voortvloeit uit een oproep tijdens consignatie, opnieuw een dergelijke oproep wordt gedaan, is de tussenliggende tijd arbeid. Indien binnen een half uur een of meer malen arbeid voortvloeiend uit een oproep tijdens consignatie wordt verricht, wordt de arbeid geacht ten minste een half uur te bedragen.

  8. De arbeid die voortvloeit uit een oproep tijdens consignatie wordt voor de toepassing van de artikelen 5:3, tweede lid, 5:4, tweede of derde lid, 5:5, tweede lid, en 5:8, vierde en vijfde lid, alsmede van de voorschriften bij of krachtens artikel 5:12 ten aanzien van de rusttijd en de pauze, buiten beschouwing gelaten.

  9. Op de arbeid die voortvloeit uit een oproep tijdens consignatie is artikel 5:8, zesde tot en met negende lid, en de bij of krachtens artikel 5:12 gestelde regels ten aanzien van het aantal malen dat arbeid in nachtdienst wordt verricht, niet van toepassing.

01-07-2025 Huidig 02-08-2022 Historisch 01-08-2022 Historisch 01-01-2021 Historisch 01-01-2020 Historisch
Voor dit artikel is er geen zichtbare wijziging ten opzichte van 01-01-2020.

Tekst van deze versie

  1. De werkgever organiseert de arbeid zodanig, dat consignatie uitsluitend aan een werknemer van 18 jaar of ouder wordt opgelegd.

  2. De werkgever organiseert de arbeid zodanig, dat de werknemer in elke aaneengesloten periode van 28 maal 24 uren ten minste:

    1. 14 maal een periode van 24 aaneengesloten uren geen consignatie wordt opgelegd, en

    2. 2 maal een aaneengesloten periode van 48 uren geen arbeid verricht noch consignatie wordt opgelegd.

  3. De werkgever organiseert de arbeid zodanig, dat de werknemer geen consignatie wordt opgelegd gedurende:

    1. 11 aaneengesloten uren voor elke nachtdienst, en

    2. 14 aaneengesloten uren na elke nachtdienst.

  4. In aanvulling op artikel 5:7, tweede lid, onderdeel a, organiseert de werkgever de arbeid zodanig, dat de werknemer aan wie consignatie is opgelegd ten hoogste 13 uren in elke periode van 24 aaneengesloten uren arbeid verricht.

  5. In afwijking van artikel 5:7, tweede lid, onderdeel c, organiseert de werkgever de arbeid zodanig, dat een werknemer aan wie in een periode van 16 aaneengesloten weken 16 of meer malen consignatie is opgelegd, welke consignatie telkens geheel of gedeeltelijk perioden tussen 00.00 uur en 06.00 uur omvat, in die periode van 16 aaneengesloten weken ten hoogste gemiddeld 40 uren per week arbeid verricht.

  6. In plaats van het vijfde lid kan de werkgever de arbeid van een werknemer aan wie in een periode van 16 aaneengesloten weken 16 of meer malen consignatie is opgelegd, die telkens geheel of gedeeltelijk perioden tussen 00.00 uur en 06.00 uur omvat, ook zodanig organiseren dat de werknemer:

    1. na de laatste oproep die is aangevangen tussen 00.00 uur en 06.00 uur, een onafgebroken rusttijd heeft van ten minste 8 uren, dan wel, indien zijn dienst aanvangt direct aansluitend op een oproep die is aangevangen tussen 00.00 uur en 06.00 uur, in de direct aaneengesloten periode van 18 uren welke periode begint om 06.00 uur, een onafgebroken rusttijd heeft van ten minste 8 uren, en

    2. in die periode van 16 aaneengesloten weken ten hoogste gemiddeld 45 uren arbeid per week verricht.

  7. Voor de toepassing van het tweede tot en met zesde lid vangt de arbeid tijdens consignatie aan op het moment van een oproep. Indien binnen een half uur na beëindiging van de arbeid die voortvloeit uit een oproep tijdens consignatie, opnieuw een dergelijke oproep wordt gedaan, is de tussenliggende tijd arbeid. Indien binnen een half uur een of meer malen arbeid voortvloeiend uit een oproep tijdens consignatie wordt verricht, wordt de arbeid geacht ten minste een half uur te bedragen.

  8. De arbeid die voortvloeit uit een oproep tijdens consignatie wordt voor de toepassing van de artikelen 5:3, tweede lid, 5:4, tweede of derde lid, 5:5, tweede lid, en 5:8, vierde en vijfde lid, alsmede van de voorschriften bij of krachtens artikel 5:12 ten aanzien van de rusttijd en de pauze, buiten beschouwing gelaten.

  9. Op de arbeid die voortvloeit uit een oproep tijdens consignatie is artikel 5:8, zesde tot en met negende lid, en de bij of krachtens artikel 5:12 gestelde regels ten aanzien van het aantal malen dat arbeid in nachtdienst wordt verricht, niet van toepassing.

Nog geen automatische verwijzingen.

Deze actie vereist een account
Log in of maak een account om arceringen, annotaties, tags en dossiers te gebruiken.
← terug naar Arbeidstijdenwet