Arbeidstijdenwet Laatste controle 29-03-2026, laatste wijziging 14-03-2026.

Inhoud
Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen
Begrippen werkgever en werknemer
Begrippen kind en arbeid in verband met kinderarbeid
Het begrip collectieve regeling
Gelijkstelling met collectieve regeling
Werkingsduur van de collectieve regeling
Het begrip medezeggenschapsorgaan
Overige begrippen
Hoofdstuk 2 Toepassingsgebied
§ 2.1 Gehele of gedeeltelijke uitsluiting van de toepasselijkheid
Algemeen
Rampen
Onderwijs
Defensie
Toezichthoudende en (bijzondere) opsporingsdiensten
§ 2.2 Uitbreiding van de toepasselijkheid
Zelfstandigen
Extra-territoriale werking
§ 2.3 Bijzondere voorschriften voor vliegend, varend en rijdend personeel
Hoofdstuk 3 Het verbod van kinderarbeid
Begrip verantwoordelijke persoon
Het verbod van kinderarbeid
Ontheffing
Voorlichting
Nadere voorschriften
Hoofdstuk 4 Algemene verplichtingen
§ 4.1 Algemeen
Beleidsvoering, inventarisatie en evaluatie
Vaststelling arbeids- en rusttijdenpatroon
Mededeling arbeids- en rusttijdenpatroon
Registratie
§ 4.2 Jeugdige werknemers
Arbeid in verband met onderwijs
§ 4.3 Vrouwelijke werknemers
Arbeid en zwangerschap
Bevalling
Arbeid na bevalling
Voedingsrecht
§ 4.4 Gezondheidsproblemen in relatie met het verrichten van nachtdiensten
Hoofdstuk 5 Arbeids- en rusttijden
§ 5.1 Algemene bepalingen
Gelijkstelling met de zondag
Gelijkstelling met arbeidstijd
§ 5.2 Arbeids- en rusttijden
Dagelijkse onafgebroken rusttijd
Pauzeregeling
Wekelijkse onafgebroken rusttijd
Arbeid op zondag
Arbeidstijd
Arbeid in nachtdienst
Consignatie
Plotseling onvoorziene situaties
§ 5.3 Bijzondere voorschriften
§ 5.4 Vrijstelling en ontheffing
§ 5.5 Samenloop
Hoofdstuk 6 Medezeggenschapsaspecten
Beraadslaging
Informatierecht
Vergezelrecht en recht op een onderhoud
Hoofdstuk 7 Overige bestuursrechtelijke aspecten
Algemene wet bestuursrecht
Vrijstelling en ontheffing
Nadere voorschriften inzake vrijstelling en ontheffing
Nadere voorschriften registratiemiddelen
Hoofdstuk 8 Toezicht
§ 8.1 Toezicht
Aanwijzing toezichthouders
§ 8.2 Het bevel tot staken van de arbeid
Het bevel tot staken van de arbeid
Aansprakelijkheid
§ 8.3 Geheimhouding
§ 8.4 Controlemiddelen toezichthouders
§ 8.5 Gegevensuitwisseling
Hoofdstuk 9 Zelfstandige bestuursorganen
§ 9.1 Dienst Wegverkeer
§ 9.2 Exameninstantie installateur en reparateur tachograaf
Hoofdstuk 10 Bestuursrechtelijke handhaving
§ 10.1 Overtredingen
Aanwijzing overtredingen
§ 10.2 Het boeterapport
Boeterapport
§ 10.3 Oplegging van de boete
Het opleggen van de boete
Geen oplegging van de bestuurlijke boete
De hoogte van de bestuurlijke boete
§ 10.4 Inlichtingenplicht en terugbetaling
Inlichtingenplicht jegens de boeteoplegger
§ 10.5 Terugbetaling
Terugbetaling
§ 10.6 Bijzondere voorschriften voor bestuurders van motorrijtuigen zonder bekende woon- of verblijfplaats in Nederland
Begrippen
Toepasselijkheid van de paragraaf
Betaling van de boete
Voorlopige maatregelen
Hoofdstuk 11 Strafbaarstelling en daarmee samenhangende bepalingen
Toepasselijkheid Nederlandse strafwet
Bijzondere aansprakelijkheid
Strafbepalingen
Strafoplegging
Uitreiking gerechtelijke mededelingen
Hoofdstuk 12 Slotbepalingen

§ 10.3

Oplegging van de boete

Artikel 10:5

  1. Een daartoe door Onze Minister aangewezen, onder hem ressorterende ambtenaar legt de bestuurlijke boete op aan de natuurlijke of rechtspersoon op wie de verplichtingen rusten welke voortvloeien uit deze wet en de daarop berustende bepalingen, voor zover het niet naleven daarvan is aangeduid als overtreding.

  2. Voor zover het de in artikel 5:12, tweede lid, onderscheiden categorieën van arbeid betreft legt een daartoe door Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat en Onze Minister tezamen aangewezen ambtenaar de bestuurlijke boete op aan de natuurlijke persoon of rechtspersoon op wie de verplichtingen rusten welke voortvloeien uit deze wet en de daarop berustende bepalingen, voor zover het niet naleven daarvan is aangeduid als overtreding.

  3. De ter zake van deze wet en de daarop berustende bepalingen gestelde overtredingen gelden ten opzichte van elke persoon, met of ten aanzien van wie de overtreding is begaan, en met betrekking tot elke dag in de loop waarvan deze overtreding is begaan.

  4. Indien een werknemer die in dienst is van een buiten Nederland gevestigde werkgever in diens opdracht arbeid verricht voor een in Nederland gevestigde werkgever, rusten de verplichtingen welke voortvloeien uit deze wet en de daarop berustende bepalingen, voor zover deze zijn aangeduid als overtredingen, mede op de hiervoor bedoelde in Nederland gevestigde werkgever.

Artikel 10:6

Geen bestuurlijke boete wordt opgelegd, indien een gedraging die in strijd is met deze wet of de daarop berustende bepalingen, tevens een strafbaar feit als bedoeld in artikel 11:3 oplevert.

Artikel 10:7

  1. De bestuurlijke boete die voor een overtreding kan worden opgelegd bedraagt ten hoogste het bedrag van de vijfde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht.

  2. Onverminderd het eerste lid verhoogt de op grond van artikel 10:5, eerste of tweede lid, aangewezen ambtenaar de op te leggen bestuurlijke boete met 100 procent van het boetebedrag, vastgesteld op grond van het zesde lid, indien binnen een tijdvak van vijf jaar voorafgaand aan de dag van constatering van de overtreding een eerdere overtreding, bestaande uit het niet naleven van eenzelfde wettelijke verplichting of verbod of het niet naleven van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aan te wijzen soortgelijke verplichtingen en verboden, is geconstateerd en de bestuurlijke boete wegens de eerdere overtreding onherroepelijk is geworden.

  3. De verhoging van de bestuurlijke boete, bedoeld in het tweede lid, bedraagt 200 procent indien zowel de overtreding als de eerdere overtreding, bedoeld in dat lid, bij of krachtens algemene maatregel van bestuur zijn aangewezen als ernstige overtredingen.

  4. Onverminderd het eerste lid verhoogt de op grond van artikel 10:5, eerste of tweede lid, aangewezen ambtenaar de op te leggen bestuurlijke boete met 200 procent van het boetebedrag, vastgesteld op grond van het zesde lid, indien binnen een tijdvak van vijf jaar voorafgaand aan de dag van constatering van de overtreding twee maal een eerdere overtreding, bestaande uit het niet naleven van eenzelfde wettelijke verplichting of verbod of het niet naleven van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aan te wijzen soortgelijke verplichtingen en verboden, is geconstateerd en de bestuurlijke boeten wegens de eerdere overtredingen onherroepelijk zijn geworden.

  5. In afwijking van het tweede en vierde lid is het tijdvak van vijf jaar in die leden tien jaar indien de onherroepelijke boetes, bedoeld in die leden, zijn opgelegd wegens bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aangewezen ernstige overtredingen.

  6. Onze Minister stelt beleidsregels vast waarin de boetebedragen voor de overtredingen worden vastgesteld. Voor overtredingen begaan door personen, bedoeld in artikel 5:12, tweede lid, stellen Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat en Onze Minister tezamen beleidsregels vast waarin de boetebedragen voor die overtredingen worden vastgesteld. Artikel 5:53 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing indien een artikel gesteld bij of krachtens de wet op grond waarvan een bestuurlijke boete kan worden opgelegd, niet is nageleefd.

  7. In afwijking van artikel 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht kan de rechter in beroep of hoger beroep de hoogte van de boete ook ten nadele van de belanghebbende wijzigen.

← terug naar Arbeidstijdenwet