1. Een exploitatievergunning kan, onverminderd het bepaalde in artikel 1:6, worden ingetrokken:

    1. indien zich in of in de nabijheid van de openbare inrichting feiten hebben voorgedaan, die – naar het oordeel van de burgemeester – de vrees wettigen, dat het van kracht blijven van de vergunning gevaar zou opleveren voor de openbare orde, de veiligheid, de volksgezondheid, het woon- en leefklimaat of de zedelijkheid.

    2. indien voor de exploitatie van een horeca-inrichting tevens een vergunning op basis van de Alcoholwet is vereist en deze vergunning is ingetrokken.

    3. een leidinggevende niet langer voldoet aan de eisen, zoals die zijn vermeld in artikel 2:28 vijfde lid

    4. in een openbare inrichting de functie van leidinggevende wordt uitgeoefend door een persoon, die niet op de vergunning met betrekking tot dat bedrijf als zodanig is vermeld.

  2. Ten aanzien van openbare inrichtingen waarvan de exploitatievergunningen ingevolge het eerste lid van dit artikel wordt ingetrokken kan tevens worden bepaald dat een exploitatievergunning voor de desbetreffende locatie gedurende een bepaalde termijn van maximaal vijf jaar zal worden geweigerd.