1. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, het voorkomen of beperken van overlast, het voorkomen of beperken van aantastingen van het woon- en leefklimaat, de veiligheid van personen of goederen, de gezondheid of de zedelijkheid aan een persoon die strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht een bevel geven zich gedurende ten hoogste 24 uur niet meer in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats aanwezig te zijn.

  2. Met het oog op de in het eerste lid genoemde belangen kan de burgemeester aan een persoon aan wie eerder een bevel als bedoeld in het eerste lid is opgelegd en ten aanzien van wie wordt geconstateerd dat hij opnieuw strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht, een bevel geven ten hoogste 12 weken niet in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats aanwezig te zijn.

  3. Een bevel als bedoeld in het tweede lid kan slechts worden gegeven als strafbare feiten of andere openbare orde verstorende handelingen binnen zes maanden na het geven van een eerder bevel, opgelegd op grond van het eerste of tweede lid, plaatsvindt.

  4. De burgemeester beperkt de in het eerste of tweede lid gestelde bevelen, als hij dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk oordeelt.

  5. De burgemeester kan op aanvraag tijdelijk ontheffing verlenen van een bevel.

  6. Het is verboden te handelen in strijd met een krachtens het eerste of tweede lid opgelegde verbod.

  7. Indien de officier van justitie een persoon een gedragsaanwijzing heeft gegeven als bedoeld in artikel 509hh, tweede lid onderdeel a, van het Wetboek van strafvordering, legt de burgemeester aan deze persoon voor hetzelfde gebied niet een tijdelijk verbod op als bedoeld in het eerste of tweede lid.