1. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod genoemd in artikel 2:28 aan openbare inrichtingen indien:

    1. zich geen incidenten gepaard gaande met geweld, overlast op straat of drugsgebruik en -handel hebben voorgedaan in of bij de inrichting, dan wel

    2. de inrichting zich nieuw in de gemeente vestigt en er zich geen weigeringsgronden voordoen als bedoeld in artikel 1:8 of 2:28, tweede of derde lid.

  2. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 wordt de ontheffing ingetrokken wanneer zich een incident heeft voorgedaan als bedoeld in het eerste lid onder a.

  3. Geen ontheffing wordt verleend voor een bij de openbare inrichting behorend terras.

  4. Op de aanvraag om ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.