-
Het is verboden een openbare plaats anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan, als dat gebruik:
schade toebrengt of kan toebrengen aan de openbare plaats, de bruikbaarheid van de openbare plaats belemmert of kan belemmeren, dan wel een belemmering vormt of kan vormen voor het beheer of onderhoud van de openbare plaats; of
niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; of
het beoogde gebruik bestaat uit het op de openbare plaats, al dan niet in een motorvoertuig slapen, dan wel het op de openbare plaats plaatsen van een voertuig, woonwagen, tent, caravan, of een soortgelijk ander onderkomen met het kennelijke doel dit als slaapplaats te gebruiken of daarin te slapen dan wel gelegenheid daartoe te bieden
-
Het college kan in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving nadere regels stellen voor terrassen, uitstallingen en reclameborden.
-
Het bevoegde bestuursorgaan kan ontheffing verlenen van het verbod.
-
Het verbod is niet van toepassing:
als het gebruik van de openbare plaats is toegestaan met een vergunning als bedoeld in artikel 2:6 van de Algemene Plaatselijke Verordening Openbare Orde & Veiligheid (evenementenvergunning).
als het gebruik van de openbare plaats is toegestaan met een vergunning als bedoeld in artikel 2:9 van de Algemene Plaatselijke Verordening Openbare Orde & Veiligheid (exploitatievergunning openbare inrichting)
als het gebruik van de openbare plaats is toegestaan met een vergunning als bedoeld in artikel 4:3 van de Algemene Plaatselijke Verordening Openbare Orde & Veiligheid (standplaatsvergunning);
overige gevallen waarin krachtens een wettelijke regeling een vergunning voor het gebruik van de openbare plaats is verleend.
-
Het verbod is voorts niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.
Algemene Plaatselijke Verordening Fysieke Leefomgeving Gemeente Horst aan de Maas BETA Foutje gevonden? Laatste controle 16-04-2026, laatste wijziging 12-04-2026 (Bron: lokaleregelgeving.overheid.nl).
Inhoud
Hoofdstuk Algemene bepalingen
Hoofdstuk Openbare orde en veiligheid, volksgezondheid en milieu
Hoofdstuk Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente
Hoofdstuk Andere onderwerpen betreffende de huishouding van de gemeente
Hoofdstuk Sanctie-, overgangs- en slotbepalingen
Afdeling
Artikel 2:2
(Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg
-
Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van het bevoegde bestuursorgaan een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg.
-
Het in het eerste lid bepaalde is niet van toepassing, voor zover het een uitweg betreft, waarvoor een vergunning op grond van artikel 2:3 is vereist.
-
Het verbod is niet van toepassing voor zover in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam werkzaamheden worden verricht.
-
Het verbod is voorts niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, de Wegenwet, het Wetboek van Strafrecht of het bepaalde bij of krachtens de Telecommunicatiewet.
Artikel 2:3
Maken of veranderen van een uitweg
-
Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg.
-
In afwijking van het bepaalde in artikel 1:7 wordt de vergunning slechts geweigerd:
ter voorkoming van gevaar voor het verkeer op de weg;
als de uitweg ten koste gaat van een openbare parkeerplaats en dit leidt tot een onaanvaardbare verhoging van de parkeerdruk in de straat;
als door de uitweg het openbaar groen op onaanvaardbare wijze wordt aangetast;
indien daardoor de afwatering van weg en berm tot problemen leidt, dan wel bermschade of asfaltschade ontstaat, die niet door het treffen van voorzieningen kunnen worden voorkomen. De kosten van deze voorzieningen zijn voor rekening van degene die de uitweg aanlegt of verandert of laat aanleggen of veranderen; of
als de uitweg leidt tot parkeren in de voortuin, wat ten koste gaat van het uiterlijk aanzien van de omgeving en het voorkomen van hittestress en wateroverlast.
-
Het verbod is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening.
Artikel 2:4
Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp
Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te hebben op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd of voor het wegverkeer hinder of gevaar ontstaat.
Artikel 2:5
Rookverbod in bossen en natuurterreinen
-
Het is verboden in bossen, op heide of veengronden dan wel in duingebieden of binnen een afstand van dertig meter daarvan:
Te roken;
voor zover het de open lucht betreft, brandende of smeulende voorwerpen te laten vallen, weg te werpen of te laten liggen.
-
Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 3, van het Wetboek van Strafrecht.
-
Het verbod in het eerste lid, aanhef en onder a, is voorts niet van toepassing voor zover het roken plaatsvindt in gebouwen en aangrenzende erven.
Artikel 2:6
Voorzieningen voor verkeer en verlichting
-
De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd.
-
Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door hoofdstuk 10 van de Omgevingswet.
Artikel 2:7
Beregeningsinstallaties
-
Het is verboden bij kunstmatig beregenen van gronden water op de weg uit te (laten) werpen.
-
Op de beregeningsinstallatie dienen de contactgegevens, waaronder in ieder geval het telefoonnummer, van de eigenaar/gebruiker aanwezig te zijn die op eenvoudige wijze af te lezen zijn.