Algemene Plaatselijke Verordening Eersel 2025 BETA Foutje gevonden? Laatste controle 16-04-2026, laatste wijziging 12-04-2026 (Bron: lokaleregelgeving.overheid.nl).

Inhoud
Hoofdstuk Algemene bepalingen
Hoofdstuk Openbare orde en veiligheid, volksgezondheid en milieu
Paragraaf Afdeling 1 Voorkomen of bestrijden van ongeregeldheden
Paragraaf Afdeling 2 Bruikbaarheid, uiterlijk aanzien en veilig gebruik van openbare plaatsen
Paragraaf Afdeling 3 Evenementen
Paragraaf Afdeling 4 Toezicht op openbare inrichtingen
Paragraaf Afdeling 5 Regulering paracommerciële rechtspersonen en overige aangelegenheden uit de Alcoholwet
Paragraaf Afdeling 6 Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf
Paragraaf Afdeling 7 Toezicht op speelgelegenheden
Paragraaf Afdeling 8 Toezicht op bedrijven
Paragraaf Afdeling 9 Maatregelen ter voorkoming van overlast, gevaar of schade
Paragraaf Afdeling 10 Bestrijding van heling van goederen
Paragraaf Afdeling 11 Consumentenvuurwerk
Paragraaf Afdeling 12 Drugsoverlast
Paragraaf Afdeling 13 Bijzondere bevoegdheden van de burgemeester
Hoofdstuk Regulering prostitutie, seksbranche en aanverwante onderwerpen
Hoofdstuk Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente
Hoofdstuk Andere onderwerpen betreffende de huishouding van de gemeente
Hoofdstuk Sanctie , overgangs- en slotbepalingen

Hoofdstuk

Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente

Artikel 4:1

Definities

In deze afdeling wordt verstaan onder:

  • Activiteitenbesluit: Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat besluit luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet;

  • collectieve festiviteit: festiviteit die niet specifiek aan één of een klein aantal inrichtingen is verbonden;

  • gevoelige gebouwen: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1 van het Activiteitenbesluit Milieubeheer, zoals dat besluit luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet;

  • gevoelige terreinen: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1 van het Activiteitenbesluit Milieubeheer, zoals dat besluit luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet;

  • houder van een inrichting: degene die als eigenaar, bedrijfsleider, beheerder of anderszins een inrichting drijft;

  • incidentele festiviteit: festiviteit of activiteit die gebonden is aan één of een klein aantal inrichtingen;

  • inrichting: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, met dien verstande dat de artikelen 4:2 tot en met 4:5 uitsluitend van toepassing zijn op inrichtingen type A of type B als bedoeld in het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat besluit luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet;

  • onversterkte muziek: muziek die niet elektronisch is versterkt.

Artikel 4:2

Aanwijzing collectieve festiviteiten

  1. Als collectieve festiviteiten worden aangewezen:

    • carnaval (zaterdag tot en met dinsdag per dorpskern);

    • kermis (de dagen waarop de kermis per dorpskern plaatsvindt); en

    • jaarwisseling.

  2. De geluidsnormen bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a, en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer en artikel 4:5 gelden niet voor de aangewezen collectieve festiviteiten.

  3. De voorwaarden met betrekking tot de verlichting ten behoeve van sportbeoefening in de buitenlucht als bedoeld in artikel 3.148, eerste lid van het Activiteitenbesluit milieubeheer gelden niet voor de aangewezen collectieve festiviteiten.

  4. Als een collectieve festiviteit redelijkerwijs niet te voorzien was, kan het college een festiviteit terstond als collectieve festiviteit als bedoeld in het eerste lid aanwijzen.

  5. Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (L ArLT) veroorzaakt door de inrichting, bedraagt niet meer dan 70 dB(A) en 85 dB(C), gemeten op de gevel van gevoelige gebouwen op een hoogte van 1,5 meter.

  6. De geluidsnorm, bedoeld in het vijfde lid is inclusief onversterkte muziek en exclusief 10 dB(A) toeslag vanwege muziekcorrectie. Tevens wordt de bedrijfsduurcorrectie buiten beschouwing gelaten.

  7. De geluidsnorm, bedoeld in het vijfde lid, geldt zowel voor het bebouwde gedeelte van de inrichting als voor de buitenruimte.

  8. Op de dagen, bedoeld in het eerste lid, wordt het ten gehore brengen van extra muziek hoger dan de geluidsnorm, als bedoeld in de artikelen 2.17, 2:17a, 2.19, 2:19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer en artikel 4:5, uiterlijk om 01.00 uur beëindigd wanneer sprake is van de buitenruimte. Wanneer sprake is van het bebouwde gedeelte van de inrichting wordt het ten gehore brengen van extra muziek hoger dan de geluidsnorm uiterlijk beëindigd op het tijdstip dat de inrichting conform artikel 2:29 gesloten moet worden.

  9. Bij het ten gehore brengen van extra muziek in het bebouwde gedeelte van de inrichting blijven ramen en deuren gesloten, behoudens voor het onmiddellijk doorlaten van personen of goederen.

  10. Het college kan nadere regels vaststellen met andere normen dan bedoeld in het vijfde lid.

Artikel 4:3

Kennisgeving incidentele festiviteiten

  1. Het is een inrichting toegestaan op maximaal 4 dagen of dagdelen per kalenderjaar incidentele festiviteiten te houden waarbij de geluidsnormen, bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer en artikel 4:5 niet van toepassing zijn, mits de houder van de inrichting ten minste 4 weken voor de aanvang van de festiviteit daarvan melding heeft gedaan aan het college.

  2. Het is een inrichting toegestaan om tijdens maximaal 4 dagen of dagdelen per kalenderjaar in verband met de viering van incidentele festiviteiten per kalenderjaar de verlichting langer aan te houden ten behoeve van sportactiviteiten waarbij artikel 3.148, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer niet van toepassing is, mits de houder van de inrichting ten minste 4 weken voor de aanvang van de festiviteit daarvan melding heeft gedaan aan het college.

  3. Het college stelt een formulier vast voor het doen van de melding.

  4. De melding is gedaan wanneer het formulier, volledig en naar waarheid ingevuld, tijdig is ingeleverd op de plaats op dat formulier vermeld.

  5. De melding wordt geacht te zijn gedaan wanneer het college op verzoek van de houder van een inrichting een incidentele festiviteit, die redelijkerwijs niet te voorzien was, terstond toestaat.

  6. Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (L ArLT) veroorzaakt door de inrichting, bedraagt niet meer dan 70 dB(A) en 85 dB(C), gemeten op de gevel van gevoelige gebouwen op een hoogte van 1,5 meter.

  7. De geluidsnorm als bedoeld in het zesde lid is inclusief onversterkte muziek en exclusief 10 dB(A) toeslag vanwege muziekcorrectie. Tevens wordt de bedrijfsduurcorrectie buiten beschouwing gelaten.

  8. Op de dagen, bedoeld in het eerste lid, wordt het ten gehore brengen van extra muziek hoger dan de geluidsnorm, als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer en artikel 4:5, uiterlijk om 01.00 uur beëindigd wanneer sprake is van de buitenruimte. Wanneer sprake is van het bebouwde gedeelte van de inrichting wordt het ten gehore brengen van extra muziek hoger dan de geluidsnorm uiterlijk beëindigd op het tijdstip dat de inrichting conform artikel 2:29 gesloten moet worden.

  9. De geluidsnorm, bedoeld in het zesde lid, geldt zowel voor het bebouwde gedeelte van de inrichting als voor de buitenruimte.

  10. Bij het ten gehore brengen van extra muziek in het bebouwde gedeelte van de inrichting blijven ramen en deuren gesloten, behoudens voor het onmiddellijk doorlaten van personen of goederen.

  11. Het college kan nadere regels vaststellen met andere normen dan bedoeld in het zesde lid.

Artikel 4:5

Onversterkte muziek

  1. Bij het ten gehore brengen van onversterkte muziek als bedoeld in artikel 2.18, eerste lid onder f en vijfde lid van het Activiteitenbesluit milieubeheer binnen inrichtingen is de in het tweede lid opgenomen tabel van toepassing, met dien verstande dat:

    1. de in de tabel aangegeven waarden binnen in- of aanpandige gevoelige gebouwen niet gelden als de gebruiker van deze gevoelige gebouwen geen toestemming geeft voor het in redelijkheid uitvoeren of doen uitvoeren van geluidsmetingen;

    2. de in de tabel aangegeven waarden op de gevel ook gelden bij gevoelige terreinen op de grens van het terrein;

    3. de waarden in in- en aanpandige gevoelige gebouwen, voor zover het woningen betreft, gelden in geluidsgevoelige ruimten als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder en verblijfsruimten als bedoeld in artikel 1.1 onder d, van het Besluit geluidhinder, zoals die wet en dat besluit luidden direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet;

    4. bij het bepalen van de geluidsniveaus als vermeld in de tabel geen bedrijfsduurcorrectie wordt toegepast.

  2. Tabel

  • Onversterkte muziek vanwege het oefenen door muziekgezelschappen zoals orkesten, harmonie- en fanfaregezelschappen, in een inrichting gedurende de dag- en avondperiode is uitgezonderd van de genoemde geluidsniveaus in het eerste lid.

  • Als versterkte elementen worden gecombineerd met onversterkte elementen, wordt het hele samenspel beschouwd als versterkte muziek en is dit artikel niet van toepassing.

  • Het eerste lid is niet van toepassing op collectieve en incidentele festiviteiten als bedoeld in de artikelen 4:2 en artikel 4:3.

Artikel 4:5b

Geluidhinder in de openlucht

  1. Het is verboden buiten een inrichting in de openlucht een geluidsapparaat, toestel of machine in werking te hebben op een zodanige wijze dat voor een omwonende of overigens voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt.

  2. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.

  3. Het college kan terreinen of wateren aanwijzen waar het verbod niet van toepassing is op het in werking hebben van bepaalde in de aanwijzing aangewezen categorieën van geluidsapparaten, toestellen of machines, voor zover wordt voldaan aan de door het college vast te stellen voorschriften ter voorkoming of beperking van geluidhinder.

  4. De in het derde lid bedoelde voorschriften kunnen onder meer betrekking hebben op:

    1. het maximale geluidsniveau;

    2. de situering van geluidsbronnen;

    3. de frequentie en tijden van gebruik.

  5. Het verbod is niet van toepassing als de activiteit bij of krachtens de Omgevingswet is toegelaten of sprake is van een situatie waarin wordt voorzien bij of krachtens de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit of de provinciale omgevingsverordening.

Artikel 4:5c

Geluidhinder door dieren

Degene die buiten een inrichting de zorg heeft voor een dier, voorkomt dat dit voor een omwonende of overigens voor de omgeving geluidhinder veroorzaakt.

Artikel 4:5d

Geluidhinder door motorvoertuigen en bromfietsen

Het is verboden zich met een motorvoertuig of een bromfiets zodanig te gedragen, dat daardoor voor een omwonende of overigens voor de omgeving geluidhinder ontstaat.

Artikel 4:5e

Geluidhinder door vrachtauto’s

  1. Het is verboden een vrachtauto als bedoeld in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 op zodanige wijze te laden of te lossen dat daardoor voor een omwonende of overigens voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt.

  2. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.

Artikel 4:5f

Routering

  1. Het is verboden buiten een inrichting met een vrachtauto als bedoeld in artikel 4:5e waarvan het ledig gewicht vermeerderd met het laadvermogen meer bedraagt dan 3.500 kilogram of die met inbegrip van de lading een lengte heeft van meer dan zes meter of een hoogte van meer dan twee meter, tussen 23.00 uur en 07.00 uur op een andere dan door het college aangewezen weg te rijden.

  2. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.

Artikel 4:6

Overige geluidhinder

  1. Het is verboden op een zodanige wijze toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten dat voor een omwonende en/of voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt of een ernstig risico bestaat op letsel en/of andere vormen van gehoorschade.

  2. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.

  3. Het college kan nadere regels vaststellen om geluidhinder en letsel en/of andere vormen van gehoorschade, bedoeld in het eerste lid, te voorkomen.

  4. Het verbod is niet van toepassing als de activiteit bij of krachtens de Omgevingswet is toegelaten of sprake is van een situatie waarin wordt voorzien bij of krachtens, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit of de provinciale omgevingsverordening.

Artikel 4:8

Natuurlijke behoefte doen

Het is verboden binnen de bebouwde kom op een openbare plaats zijn natuurlijke behoefte te doen buiten daarvoor bestemde plaatsen.

Artikel 4:9

Toestand van sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen

Sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen mogen zich niet bevinden in een toestand die gevaar oplevert voor de veiligheid, nadeel voor de gezondheid of hinder voor de gebruikers van de gebouwen of voor anderen.

Artikel 4:9a

Ballonnen oplaten

  1. Het is verboden ballonnen, van welk materiaal dan ook, door middel van hete lucht afkomstig van vuur op te laten stijgen.

  2. Onder een ballon wordt mede verstaan: herdenkingsballon, vuurballon, sfeerballon, geluks-lampion, Thaise wensballon, papierballon en geluks-ballon, dan wel een voorwerp dat door middel van open vuur en zonder sturing wegdrijft.

  3. Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod.

  4. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op een heteluchtballon, zijnde een luchtvaartuig.

  5. Het college kan nadere regels vaststellen ten behoeve van het op laten stijgen van ballonnen, van welk materiaal dan ook, door middel van helium of andere gassen.

Artikel 4:10

Definities

  1. In deze afdeling wordt verstaan onder:

    1. boom: een houtachtig, opgaand gewas, zowel levend als afgestorven, met een dwarsdoorsnede van de stam van minimaal 10 centimeter op 1,3 meter hoogte boven van het maaiveld. In geval van meerstammigheid geldt de dwarsdoorsnede van de dikste stam. In afwijking van het hierboven gestelde kan de stamdoorsnede kleiner zijn dan 10 centimeter op 1,3 meter hoogte boven het maaiveld, indien sprake is van:

      - een beschermwaardige of monumentale boom;

      - bomen onderdeel uitmakend van de hoofdstructuur;

      - bomen of een houtopstand in het kader van een herplant- of instandhoudingsplicht;

    2. houtopstand: één of meer bomen, hakhout, boomvormers of andere houtachtige gewassen die onderdeel uitmaken van een houtwal, een grotere (lint)begroeiing van heesters en struiken of een beplanting van bosplantsoen;

    3. monumentale boom: bijzondere beschermwaardige houtopstand met een relatief hoge leeftijd, schoonheid- of zeldzaamheidswaarde of een bijzondere functie voor de omgeving en opgenomen in de lijst als bedoeld in artikel 4:11e van deze verordening;

    4. beschermwaardige boom of houtopstand: houtopstand die geplaatst is op de lijst als bedoeld in artikel 4:11f van deze verordening;

    5. boomwaarde: de monetaire waarde van een boom zoals getaxeerd volgens de meest recente richtlijnen van de Nederlandse Vereniging van Taxateurs van Bomen;

    6. vellen: rooien; kappen; verplanten; het snoeien van meer dan 20 procent van de kroon of het wortelgestel, met inbegrip van kandelaberen; het verrichten van handelingen, zowel boven- als ondergronds, die de dood of ernstige beschadiging of ernstige ontsiering van de houtopstand ten gevolge kunnen hebben;

    7. dunnen: vellen dat uitsluitend als een verzorgingsmaatregel ter bevordering van de groei van de overblijvende houtopstand moet worden beschouwd en dat is gebaseerd op een door het college vastgesteld en goedgekeurd beheerplan;

    8. knotten/kandelaberen: het tot op de oude snoeiplaats verwijderen van uitgelopen takhout bij knotbomen, gekandelaberde bomen of leibomen als periodiek noodzakelijk onderhoud;

    9. bomen effect analyse: een standaard beoordeling van de gevolgen van een voorgenomen bouw of aanleg voor houtopstand, op basis van landelijke richtlijnen van de Bomenstichting;

    10. solitaire boom: is een boom waarbij geen samenhang is met andere bomen en die niet valt onder de werking van de Omgevingswet;

    11. bomenstructuurkaart: de kaart, die de visie van de gemeente samenvat op de gewenste boomstructuur voor de lange termijn. In deze kaart zijn de typeringen (historisch, modern of landschappelijk) verweven met de stedenbouwkundige structuur.

Artikel 4:11a

Kapverbod monumentale en beschermwaardige bomen

  1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag monumentale bomen te vellen of te doen vellen.

  2. Een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag voor het vellen van monumentale bomen kan, indien alternatieven voor behoud uitputtend zijn onderzocht, slechts bij hoge uitzondering verleend worden indien:

    1. een zwaarwegend algemeen maatschappelijk belang opweegt tegen duurzaam behoud van de monumentale boom of;

    2. naar boomdeskundige maatstaven instandhouding niet langer verantwoord is ter voorkoming van letsel of schade.

Artikel 4:11b

Kapverbod beschermwaardige bomen

  1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag beschermwaardige bomen te vellen of te doen vellen.

  2. Een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag voor het vellen van beschermwaardige bomen kan, bij uitzondering verleend worden als:

    1. een zwaarwegend algemeen maatschappelijk belang opweegt tegen duurzaam behoud van de beschermwaardige boom of

    2. naar boomdeskundige maatstaven instandhouding niet langer verantwoord is ter voorkoming van letsel of schade.

Artikel 4:11c

Kapverbod overige bomen

  1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag houtopstand te vellen of te doen vellen.

  2. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor:

    1. fijnsparren, niet ouder dan 12 jaar, bestemd om te dienen als kerstbomen en geteeld op daarvoor bestemde terreinen;

    2. vruchtbomen en windschermen om boomgaarden;

    3. kweekgoed;

    4. houtopstand, die deel uitmaakt van als zodanig bij het Bosschap geregistreerde bosbouw-ondernemingen en gelegen is buiten een bebouwde kom;

    5. het vellen van een houtopstand krachtens de Plantenziektewet;

    6. het knotten, kandelaberen als noodzakelijke beheermaatregel ter uitvoering van regulier onderhoud dan wel het dunnen van een houtopstand;

    7. het vellen van een houtopstand in verband met een spoedeisend belang voor de openbare orde of een direct gevaar voor personen of goederen, mits het college hiervoor toestemming geeft;

    8. solitaire bomen of een groepje bomen buiten de bebouwde kom in tuinen of erven behorende bij een woning of gebouw, met een omtrek kleiner dan 95 centimeter, gemeten op een hoogte van 1,30 meter boven het maaiveld, niet zijnde bomen die onder het Besluit activiteiten leefomgeving vallen;

    9. houtopstand binnen de bebouwde kom, die niet voorkomt op de door het college vastgestelde bomenlijst (monumentale en beschermwaardige bomen), als bedoeld in artikelen 4:11e en 4:11f;

    10. bospercelen buiten de bebouwde kom die vallen onder het Besluit activiteiten leefomgeving, onderdeel houtopstand, groter dan 10 are (1.000 m²). Dan is het doen van een melding bij Provincie Noord-Brabant vereist.

  3. Een houtopstand, die is aangelegd op basis van een herplant- en instandhoudingsplicht op grond van artikel 4:12a van deze verordening mag niet zonder vergunning van het bevoegd gezag geveld worden.

  4. Een houtopstand die is aangelegd op grond van een overeenkomst met een publiekrechtelijk bestuursorgaan mag niet zonder vergunning van het bevoegd gezag geveld worden.

Artikel 4:11d

Weigeringsgronden

  1. Het college kan een omgevingsvergunning weigeren dan wel onder voorschriften verlenen.

  2. In afwijking van artikel 1:8 kan de vergunning kan worden geweigerd op grond van:

    1. de natuurwaarde van de houtopstand;

    2. de landschappelijke waarde van de houtopstand;

    3. de waarde van de houtopstand voor stads- en dorpsschoon;

    4. de beeldbepalende waarde van de houtopstand;

    5. de cultuurhistorische waarde van de houtopstand; of

    6. de waarde voor de leefbaarheid en recreatie van de houtopstand.

Artikel 4:11e

Monumentale bomen

  1. Het college stelt een lijst met monumentale bomen op. Deze lijst bevat in ieder geval de bomen voorkomende in het landelijk Register van Monumentale Bomen van de Bomenstichting, aangevuld met lokale en toekomstige monumentale bomen. Deze lijst wordt elk vier jaar herzien.

  2. De lijst bevat minimaal de volgende gegevens, inzake de te beschermen monumentale houtopstand:

    1. redengevende beschrijving;

    2. soort boom;

    3. standplaats;

    4. kadastrale gegevens;

    5. eigendomsgegevens;

    6. foto’s.

  3. De eigenaar van een houtopstand die vermeld staat op de lijst van monumentale bomen is verplicht het college onmiddellijk schriftelijk mededeling te doen van:

    1. eigendomsoverdracht van de houtopstand;

    2. het geheel of gedeeltelijk tenietgaan van de houtopstand, anders dan door velling op grond van een verleende vergunning;

    3. de dreiging dat de houtopstand geheel of gedeeltelijke teniet kan gaan.

  4. Het college kan een tegemoetkoming toekennen voor het duurzaam instandhouden van de monumentale bomen.

  5. De monumentale bomen zijn aangegeven op de bomenstructuurkaart van Eersel.

Artikel 4:11f

Beschermwaardige bomen

  1. Het college heeft een lijst met beschermwaardige bomen vastgelegd.

  2. De beschermwaardige bomen zijn aangegeven op de bomenstructuurkaart van Eersel.

Artikel 4:11g

Voorschriften

  1. Tot de aan de (omgevings-)vergunning te verbinden voorschriften kan behoren het voorschrift dat binnen een bepaalde termijn en overeenkomstig de door bevoegd gezag te geven aanwijzingen, moet worden herplant.

  2. Er wordt een herplantplicht opgelegd indien een van de waarden, zoals genoemd in de weigeringsgronden, aangetast wordt. De herplant dient als compensatie van die aantasting.

  3. In het voorschrift als bedoeld in het eerste lid wordt telkens bepaald binnen welke termijn na herplant en op welke wijze niet aangeslagen herplant moet worden vervangen.

  4. Indien niet ter plaatse kan worden herplant, kan tot de aan een omgevingsvergunning tot vellen te verbinden voorschriften behoren het voorschrift dat een financiële herplantplicht wordt opgelegd conform het bomenbeleidsplan paragraaf 8.3.2. De financiële herplantplicht mag slechts worden gebruikt ten behoeve van de uitbreiding en handhaving van de in de gemeente bestaande houtopstanden.

  5. De verplichtingen en voorschriften van dit artikel kunnen gelden voor bomen kleiner dan de in artikel 4:10 lid 1 genoemde minimum maat.

  6. Tot aan de omgevingsvergunning te verbinden voorschriften kan het voorschrift behoren dat pas tot vellen van de houtopstand op en bij bouw- en aanlegwerken of andere ruimtelijke herinrichting of reconstructie mag worden overgegaan indien andere vergunningen, ontheffingen, toestemmingen of ruimtelijke ordeningsprocedures onherroepelijk geworden zijn en de feitelijke en financiële voortgang van de werken voldoende gewaarborgd is.

  7. Tot aan de vergunning te verbinden voorschriften behoren aanwijzingen ter bescherming van nabijgelegen houtopstand en voorschriften ter bescherming van in en rond de houtopstand voorkomende flora en fauna.

  8. Tot aan de vergunning te verbinden voorschriften kan het voorschrift behoren tot het op eigen kosten opstellen en overleggen van een Bomen Effect Analyse in geval van bouw of aanleg van werken nabij te behouden bomen.

  9. Degene aan wie een voorschrift of een verplichting als bedoeld in dit artikel is opgelegd, alsmede diens rechtsopvolger, is verplicht hieraan te voldoen.

Artikel 4:12a

Herplant-/instandhoudingsplicht

  1. Indien een houtopstand waarop het verbod tot vellen van toepassing is, zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag is geveld, dan wel op andere wijze teniet is gegaan, kan het college aan de zakelijk gerechtigde tot de grond waarop zich de houtopstand bevond dan wel aan degene die uit andere hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen te herbeplanten overeenkomstig aanwijzingen van het bevoegd gezag en binnen een door hem te stellen termijn.

  2. Wordt een verplichting als bedoeld in het eerste lid opgelegd, dan kan daarbij tevens worden bepaald binnen welke termijn na herplant en op welke wijze niet-geslaagde beplanting moet worden vervangen.

  3. Indien niet ter plaatse kan worden herplant wordt een financiële herplantplicht opgelegd conform het bomenbeleidsplan paragraaf 8.3.2.

  4. De verplichtingen en voorschriften van dit artikel kunnen gelden voor bomen kleiner dan de in artikel 4:10 lid 1 van deze verordening genoemde minimummaat.

  5. Indien de houtopstand waarop het verbod tot vellen als bedoeld in deze afdeling van toepassing is in het voortbestaan ernstig wordt bedreigd, kan het bevoegd gezag aan de zakelijk gerechtigde tot de grond waarop zich de houtopstand bevindt dan wel aan degene die uit andere hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen om:

    1. overeenkomstig de door hen te geven aanwijzingen binnen een door hem te stellen termijn voorzieningen te treffen, waardoor die bedreiging wordt weggenomen of;

    2. een Bomen Effect Analyse op te stellen en aan te bieden aan het college.

  6. Degene aan wie een voorschrift of een verplichting als bedoeld in dit artikel is opgelegd, alsmede diens rechtsopvolger, is verplicht daaraan te voldoen.

Artikel 4:12b

Bescherming gemeentelijke houtopstand

Het is verboden om gemeentelijke houtopstanden:

  1. te beschadigen, te bekladden of te beplakken of;

  2. daaraan snoeiwerk te verrichten, behoudens door de gemeente opgedragen boomverzorgende taken.

Artikel 4:12c

Afstand van de erfgrenslijn

De afstand grenzend aan iemand anders zijn erf als bedoeld in artikel 5:42, tweede lid, Burgerlijk Wetboek wordt vastgesteld op 0,5 meter voor bomen en op nihil voor heggen en heesters.

Artikel 4:13

Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen en dergelijke

  1. Het is verboden op door het college in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of beëindiging van overlast dan wel voorkoming van schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen, buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, in de openlucht of buiten de weg de volgende voorwerpen of stoffen op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben:

    1. onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken voer- of vaartuigen of onderdelen daarvan;

    2. bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen daarvan;

    3. kampeermiddelen als bedoeld in artikel 4:17 of onderdelen daarvan, voor zover het plaatsen of aanwezig hebben daarvan geschiedt voor verkoop of verhuur of anderszins voor een commercieel doel; of

    4. mestopslag, gierkelders of andere verzamelplaatsen van vuil, een verzameling ingekuild gras, loof of pulp of ingekuilde landbouwproducten, afbraakmaterialen en oude metalen.

  2. Het college kan bij de aanwijzing nadere regels stellen.

  3. Dit artikel is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Omgevingswet of de provinciale omgevingsverordening.

Artikel 4:15

Verbod hinderlijke of gevaarlijke reclame

  1. Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het college op of aan een onroerende zaak (handels)reclame te maken of te voeren door middel van een opschrift, aankondiging of afbeelding in welke vorm dan ook, die vanaf de openbare weg of vanaf een andere voor het publiek toegankelijke plaats zichtbaar is.

  2. Het college kan in het belang van de verkeersveiligheid of de woon- en leefomgeving nadere regels stellen.

  3. Het college kan activiteiten, categorieën of gevallen van (handels)reclame aanwijzen waarvoor het verbod in het eerst lid niet geldt.

  4. Een vergunning als bedoeld in het eerste lid kan worden geweigerd:

    1. indien de (handels)reclame, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand;

    2. in het belang van de verkeersveiligheid;

    3. in het belang van de voorkoming of beperking van overlast voor gebruikers van de in de nabijheid gelegen onroerende zaak.

  5. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing in gevallen waarin een omgevingsvergunning is verleend en het gevaar en de hinder zijn betrokken bij de afweging.

Artikel 4:15a

Verbod borden, vlaggen, spandoeken en objecten

  1. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van het college borden, vlaggen, spandoeken en objecten te plaatsen, te doen plaatsen, aan te brengen of te houden, die vanaf de openbare weg of vanaf een andere voor het publiek toegankelijke plaats zichtbaar is.

  2. Het college kan in het belang van de verkeersveiligheid of de woon- en leefomgeving nadere regels stellen.

  3. Het college kan categorieën activiteiten, categorieën of gevallen aanwijzen waarvoor het verbod in het eerst lid niet geldt.

  4. Een vergunning, bedoeld in het eerste lid, kan worden geweigerd:

    1. indien, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldaan wordt redelijke eisen van welstand;

    2. in het belang van de verkeersveiligheid;

    3. in het belang van de voorkoming of beperking van overlast voor gebruikers van de in de nabijheid gelegen onroerende zaak.

Artikel 4:17

Definitie

In deze afdeling wordt onder kampeermiddel verstaan: een onderkomen of voertuig waarvoor geen omgevingsvergunning is vereist, dat bestemd of opgericht is dan wel gebruikt wordt of kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf.

Artikel 4:18

Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen

  1. Het is verboden ten behoeve van recreatief nachtverblijf kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst te houden buiten een kampeerterrein dat als zodanig in het omgevingsplan is bestemd of mede bestemd.

  2. Het verbod geldt niet voor het plaatsen van kampeermiddelen voor eigen gebruik door de rechthebbende op een terrein.

  3. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.

  4. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de ontheffing worden geweigerd in het belang van de bescherming van:

    1. natuur en landschap; of

    2. een stad- of dorpsgezicht.

Artikel 4:19

Aanwijzing kampeerplaatsen

  1. Artikel 4:18, eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen.

  2. Het college kan daarbij nadere regels stellen ter bescherming van de belangen, genoemd in artikel 4:18, vierde lid, onder a en b.

Artikel 4:20

Beschermde planten

  1. Ter bescherming van natuur en landschap is op het grondgebied gelegen buiten de bebouwde kom verboden de door het college nader aangeduide paddenstoelen, bloemen of planten te plukken of bij zich te hebben.

  2. Het in dit artikel bepaalde geldt niet:

    1. ten aanzien van paddenstoelen, bloemen of planten gekweekt in particuliere tuinen, tuincentra of kwekerijen;

    2. indien de in dit artikel genoemde handelingen worden verricht in het kader van normale onderhoudswerkzaamheden en of exploitatie van terreinen.

  3. Het college kan ontheffing verlenen van het hierboven gestelde verbod

  4. Het in dit artikel bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Omgevingswet, het Besluit activiteiten leefomgeving of het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.

← terug naar Algemene Plaatselijke Verordening Eersel 2025