Algemene wet inzake rijksbelastingen

Inhoud
Hoofdstuk I Algemene bepalingen
Hoofdstuk II Aangifte
Hoofdstuk III Heffing van belasting bij wege van aanslag
Hoofdstuk IV Heffing van belasting bij wege van voldoening of afdracht op aangifte
Hoofdstuk IVbis Terugvordering van staatssteun
Hoofdstuk IVA Basisregistratie inkomen
Hoofdstuk V Bezwaar en beroep
Hoofdstuk VA Belastingrente en revisierente
Hoofdstuk VI Bevordering van de richtige heffing
Hoofdstuk VII Bepalingen ter voorkoming van dubbele belasting
Hoofdstuk VIII Bijzondere bepalingen
Hoofdstuk VIIIA Bestuurlijke boeten
Hoofdstuk IX Strafrechtelijke bepalingen
Hoofdstuk X Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 80

HISTORISCH
  1. Met het opsporen van bij de belastingwet strafbaar gestelde feiten zijn, behalve de in artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering bedoelde personen, de ambtenaren van de rijksbelastingdienst belast.

  2. In afwijking van de artikel 156 van het Wetboek van Strafvordering worden alle processen-verbaal betreffende bij de belastingwet strafbaar gestelde feiten ingezonden bij het bestuur van ’s Rijks belastingen. Het bestuur doet de processen-verbaal betreffende strafbare feiten,

    1. als bedoeld in de artikelen 22 en 25 van de Verordening (EU) 2017/1939 van de Raad van 12 oktober 2017 betreffende nauwere samenwerking bij de instelling van het Europees Openbaar Ministerie («EOM») (PbEU 2017, L 283), of

    2. ter zake waarvan inverzekeringstelling of voorlopige hechtenis is toegepast dan wel een woning tegen de wil van de bewoner is binnengetreden, met de inbeslaggenomen voorwerpen,

    onverwijld toekomen aan de bevoegde officier van justitie.

    De overige processen-verbaal doet het bestuur, met de inbeslaggenomen voorwerpen, toekomen aan de officier van justitie, indien het een vervolging of verdere vervolging door deze wenselijk acht.

  3. De officier van justitie is bevoegd, de zaak ter afdoening weder in handen van het bestuur van ’s Rijks belastingen te stellen, hetwelk daarmede alsdan kan handelen overeenkomstig artikel 76.

  4. Het bepaalde in artikel 148, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering vindt geen toepassing in zaken, waarin het bestuur van ’s Rijks belastingen het proces-verbaal niet aan de officier van justitie heeft doen toekomen.

11-04-2026 Huidig 01-01-2026 Historisch 31-12-2025 Historisch 01-01-2025 Historisch 01-01-2024 Historisch 31-12-2023 Historisch 01-01-2023 Historisch 01-10-2022 Historisch 01-01-2022 Historisch 01-10-2021 Historisch 01-07-2021 Historisch 07-05-2021 Historisch 01-01-2021 Historisch 01-10-2020 Historisch 01-07-2020 Historisch 23-06-2020 Historisch 01-06-2020 Historisch 15-04-2020 Historisch 01-01-2020 Historisch
Voor dit artikel is er geen zichtbare wijziging ten opzichte van 07-05-2021.

Tekst van deze versie

  1. Met het opsporen van bij de belastingwet strafbaar gestelde feiten zijn, behalve de in artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering bedoelde personen, de ambtenaren van de rijksbelastingdienst belast.

  2. In afwijking van de artikel 156 van het Wetboek van Strafvordering worden alle processen-verbaal betreffende bij de belastingwet strafbaar gestelde feiten ingezonden bij het bestuur van ’s Rijks belastingen. Het bestuur doet de processen-verbaal betreffende strafbare feiten,

    1. als bedoeld in de artikelen 22 en 25 van de Verordening (EU) 2017/1939 van de Raad van 12 oktober 2017 betreffende nauwere samenwerking bij de instelling van het Europees Openbaar Ministerie («EOM») (PbEU 2017, L 283), of

    2. ter zake waarvan inverzekeringstelling of voorlopige hechtenis is toegepast dan wel een woning tegen de wil van de bewoner is binnengetreden, met de inbeslaggenomen voorwerpen,

    onverwijld toekomen aan de bevoegde officier van justitie.

    De overige processen-verbaal doet het bestuur, met de inbeslaggenomen voorwerpen, toekomen aan de officier van justitie, indien het een vervolging of verdere vervolging door deze wenselijk acht.

  3. De officier van justitie is bevoegd, de zaak ter afdoening weder in handen van het bestuur van ’s Rijks belastingen te stellen, hetwelk daarmede alsdan kan handelen overeenkomstig artikel 76.

  4. Het bepaalde in artikel 148, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering vindt geen toepassing in zaken, waarin het bestuur van ’s Rijks belastingen het proces-verbaal niet aan de officier van justitie heeft doen toekomen.

1 verwijzing(en)
Hoge Raad | 08-11-2011 | 31-07-2025
Bron: rechtspraak.nl | expliciete verwijzing
Deze actie vereist een account
Log in of maak een account om arceringen, annotaties, tags en dossiers te gebruiken.
← terug naar Algemene wet inzake rijksbelastingen