Algemene wet inzake rijksbelastingen

Inhoud
Hoofdstuk I Algemene bepalingen
Hoofdstuk II Aangifte
Hoofdstuk III Heffing van belasting bij wege van aanslag
Hoofdstuk IV Heffing van belasting bij wege van voldoening of afdracht op aangifte
Hoofdstuk IVbis Terugvordering van staatssteun
Hoofdstuk IVA Basisregistratie inkomen
Hoofdstuk V Bezwaar en beroep
Hoofdstuk VA Belastingrente en revisierente
Hoofdstuk VI Bevordering van de richtige heffing
Hoofdstuk VII Bepalingen ter voorkoming van dubbele belasting
Hoofdstuk VIII Bijzondere bepalingen
Hoofdstuk VIIIA Bestuurlijke boeten
Hoofdstuk IX Strafrechtelijke bepalingen
Hoofdstuk X Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 67b

HISTORISCH
  1. Indien de belastingplichtige of de inhoudingsplichtige de aangifte voor een belasting welke op aangifte moet worden voldaan of afgedragen niet, dan wel niet binnen de in artikel 10 bedoelde termijn heeft gedaan, vormt dit een verzuim ter zake waarvan de inspecteur hem een bestuurlijke boete van ten hoogste € 136 kan opleggen.

  2. Indien de inhoudingsplichtige de aangifte loonbelasting niet, niet binnen de in artikel 10 bedoelde termijn, dan wel onjuist of onvolledig heeft gedaan, vormt dit, in afwijking van het eerste lid, een verzuim terzake waarvan de inspecteur hem een bestuurlijke boete van ten hoogste € 1.377 kan opleggen.

  3. De bevoegdheid tot het opleggen van de boete wegens het niet dan wel niet tijdig doen van de aangifte vervalt door verloop van een jaar na het einde van de termijn waarbinnen de aangifte had moeten worden gedaan. De bevoegdheid tot het opleggen van de boete wegens het doen van een onjuiste of onvolledige aangifte vervalt door verloop van vijf jaar na het einde van het kalenderjaar van het aangiftetijdvak waarop de aangifte betrekking heeft.

11-04-2026 Huidig 01-01-2026 Historisch 31-12-2025 Historisch 01-01-2025 Historisch 01-01-2024 Historisch 31-12-2023 Historisch 01-01-2023 Historisch 01-10-2022 Historisch 01-01-2022 Historisch 01-10-2021 Historisch 01-07-2021 Historisch 07-05-2021 Historisch 01-01-2021 Historisch 01-10-2020 Historisch 01-07-2020 Historisch 23-06-2020 Historisch 01-06-2020 Historisch 15-04-2020 Historisch 01-01-2020 Historisch
Voor dit artikel is deze tekst gewijzigd in 01-01-2025.

Tekst van deze versie

  1. Indien de belastingplichtige of de inhoudingsplichtige de aangifte voor een belasting welke op aangifte moet worden voldaan of afgedragen niet, dan wel niet binnen de in artikel 10 bedoelde termijn heeft gedaan, vormt dit een verzuim ter zake waarvan de inspecteur hem een bestuurlijke boete van ten hoogste € 136 kan opleggen.

  2. Indien de inhoudingsplichtige de aangifte loonbelasting niet, niet binnen de in artikel 10 bedoelde termijn, dan wel onjuist of onvolledig heeft gedaan, vormt dit, in afwijking van het eerste lid, een verzuim terzake waarvan de inspecteur hem een bestuurlijke boete van ten hoogste € 1.377 kan opleggen.

  3. De bevoegdheid tot het opleggen van de boete wegens het niet dan wel niet tijdig doen van de aangifte vervalt door verloop van een jaar na het einde van de termijn waarbinnen de aangifte had moeten worden gedaan. De bevoegdheid tot het opleggen van de boete wegens het doen van een onjuiste of onvolledige aangifte vervalt door verloop van vijf jaar na het einde van het kalenderjaar van het aangiftetijdvak waarop de aangifte betrekking heeft.

1 verwijzing(en)
Hoge Raad | 03-06-2016 | 04-08-2025
Bron: rechtspraak.nl | expliciete verwijzing
Deze actie vereist een account
Log in of maak een account om arceringen, annotaties, tags en dossiers te gebruiken.
← terug naar Algemene wet inzake rijksbelastingen