Algemene wet inzake rijksbelastingen

Inhoud
Hoofdstuk I Algemene bepalingen
Hoofdstuk II Aangifte
Hoofdstuk III Heffing van belasting bij wege van aanslag
Hoofdstuk IV Heffing van belasting bij wege van voldoening of afdracht op aangifte
Hoofdstuk IVbis Terugvordering van staatssteun
Hoofdstuk IVA Basisregistratie inkomen
Hoofdstuk V Bezwaar en beroep
Hoofdstuk VA Belastingrente en revisierente
Hoofdstuk VI Bevordering van de richtige heffing
Hoofdstuk VII Bepalingen ter voorkoming van dubbele belasting
Hoofdstuk VIII Bijzondere bepalingen
Hoofdstuk VIIIA Bestuurlijke boeten
Hoofdstuk IX Strafrechtelijke bepalingen
Hoofdstuk X Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 16

HISTORISCH
  1. Indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat een aanslag ten onrechte achterwege is gelaten of tot een te laag bedrag is vastgesteld, dan wel dat een in de belastingwet voorziene vermindering, ontheffing, teruggaaf of heffingskorting ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend, kan de inspecteur de te weinig geheven belasting dan wel de ten onrechte of tot een te hoog bedrag verleende heffingskorting navorderen. Een feit, dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, kan geen grond voor navordering opleveren, behoudens in de gevallen waarin de belastingplichtige ter zake van dit feit te kwader trouw is.

  2. Navordering kan mede plaatsvinden in alle gevallen waarin te weinig belasting is geheven, doordat:

    1. een voorlopige aanslag, een voorheffing, een voorlopige teruggaaf of een voorlopige verliesverrekening ten onrechte of tot een onjuist bedrag is verrekend;

    2. zich een geval voordoet als bedoeld in artikel 2.17, derde of vierde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001;

    3. ten gevolge van een fout een aanslag ten onrechte achterwege is gelaten of ten gevolge van een fout een belastingaanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld, hetgeen de belastingplichtige redelijkerwijs kenbaar is, waarvan in elk geval sprake is indien de te weinig geheven belasting ten minste 30 percent van de ingevolge de belastingwet verschuldigde belasting bedraagt.

  3. De bevoegdheid tot het vaststellen van een navorderingsaanslag vervalt door verloop van vijf jaren na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan. Artikel 11, vierde lid, is te dezen van toepassing. Indien voor het doen van aangifte uitstel is verleend, wordt de navorderingstermijn met de duur van dit uitstel verlengd. De eerste volzin is niet van toepassing voor zover navordering plaatsvindt met toepassing van artikel 2.17, vierde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001. Voor zover navordering zonder toepassing van het tweede lid, onderdeel c, niet zou kunnen plaatsvinden, vervalt de bevoegdheid tot het vaststellen van een navorderingsaanslag, in afwijking in zoverre van de eerste volzin, door verloop van twee jaren na het tijdstip waarop het besluit is genomen om geen aanslag op te leggen, dan wel de belastingaanslag is vastgesteld.

  4. Indien te weinig belasting is geheven over een bestanddeel van het voorwerp van enige belasting dat in het buitenland wordt gehouden of is opgekomen, vervalt, in afwijking in zoverre van het derde lid, eerste volzin, de bevoegdheid tot navorderen door verloop van twaalf jaren na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan.

  5. Indien binnen zes maanden voor het einde van de termijn, bedoeld in het derde lid, eerste zin, of van de termijn, bedoeld in het vierde lid, een verzoek als bedoeld in artikel 6, tweede of derde lid, wordt gedaan of gegevens als bedoeld in artikel 9, vierde lid, worden verstrekt, wordt die termijn met zes maanden verlengd.

  6. Indien een bedrag als verlies van een jaar door middel van verrekening in aanmerking is genomen in een voorafgaand jaar, en in verband daarmede een in de belastingwet voorziene vermindering of teruggaaf ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend, blijft de bevoegdheid tot navorderen bestaan zolang navordering mogelijk is over het jaar waaruit het als verlies verrekende bedrag afkomstig is.

  7. Indien een heffingskorting ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend aan de belastingplichtige doordat het maximale bedrag, bedoeld in de artikelen 8.9, eerste lid, of 8.9a, derde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001, is overschreden, blijft, na afloop van de navorderingstermijn bedoeld in het derde lid, de bevoegdheid tot navorderen bestaan tot acht weken na het tijdstip waarop een belastingaanslag van zijn partner welke relevant is voor die heffingskorting, of een beschikking dan wel uitspraak strekkende tot vermindering van een zodanige belastingaanslag van zijn partner onherroepelijk is geworden.

11-04-2026 Huidig 01-01-2026 Historisch 31-12-2025 Historisch 01-01-2025 Historisch 01-01-2024 Historisch 31-12-2023 Historisch 01-01-2023 Historisch 01-10-2022 Historisch 01-01-2022 Historisch 01-10-2021 Historisch 01-07-2021 Historisch 07-05-2021 Historisch 01-01-2021 Historisch 01-10-2020 Historisch 01-07-2020 Historisch 23-06-2020 Historisch 01-06-2020 Historisch 15-04-2020 Historisch 01-01-2020 Historisch
Voor dit artikel is er geen zichtbare wijziging ten opzichte van 01-01-2020.

Tekst van deze versie

  1. Indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat een aanslag ten onrechte achterwege is gelaten of tot een te laag bedrag is vastgesteld, dan wel dat een in de belastingwet voorziene vermindering, ontheffing, teruggaaf of heffingskorting ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend, kan de inspecteur de te weinig geheven belasting dan wel de ten onrechte of tot een te hoog bedrag verleende heffingskorting navorderen. Een feit, dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, kan geen grond voor navordering opleveren, behoudens in de gevallen waarin de belastingplichtige ter zake van dit feit te kwader trouw is.

  2. Navordering kan mede plaatsvinden in alle gevallen waarin te weinig belasting is geheven, doordat:

    1. een voorlopige aanslag, een voorheffing, een voorlopige teruggaaf of een voorlopige verliesverrekening ten onrechte of tot een onjuist bedrag is verrekend;

    2. zich een geval voordoet als bedoeld in artikel 2.17, derde of vierde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001;

    3. ten gevolge van een fout een aanslag ten onrechte achterwege is gelaten of ten gevolge van een fout een belastingaanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld, hetgeen de belastingplichtige redelijkerwijs kenbaar is, waarvan in elk geval sprake is indien de te weinig geheven belasting ten minste 30 percent van de ingevolge de belastingwet verschuldigde belasting bedraagt.

  3. De bevoegdheid tot het vaststellen van een navorderingsaanslag vervalt door verloop van vijf jaren na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan. Artikel 11, vierde lid, is te dezen van toepassing. Indien voor het doen van aangifte uitstel is verleend, wordt de navorderingstermijn met de duur van dit uitstel verlengd. De eerste volzin is niet van toepassing voor zover navordering plaatsvindt met toepassing van artikel 2.17, vierde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001. Voor zover navordering zonder toepassing van het tweede lid, onderdeel c, niet zou kunnen plaatsvinden, vervalt de bevoegdheid tot het vaststellen van een navorderingsaanslag, in afwijking in zoverre van de eerste volzin, door verloop van twee jaren na het tijdstip waarop het besluit is genomen om geen aanslag op te leggen, dan wel de belastingaanslag is vastgesteld.

  4. Indien te weinig belasting is geheven over een bestanddeel van het voorwerp van enige belasting dat in het buitenland wordt gehouden of is opgekomen, vervalt, in afwijking in zoverre van het derde lid, eerste volzin, de bevoegdheid tot navorderen door verloop van twaalf jaren na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan.

  5. Indien binnen zes maanden voor het einde van de termijn, bedoeld in het derde lid, eerste zin, of van de termijn, bedoeld in het vierde lid, een verzoek als bedoeld in artikel 6, tweede of derde lid, wordt gedaan of gegevens als bedoeld in artikel 9, vierde lid, worden verstrekt, wordt die termijn met zes maanden verlengd.

  6. Indien een bedrag als verlies van een jaar door middel van verrekening in aanmerking is genomen in een voorafgaand jaar, en in verband daarmede een in de belastingwet voorziene vermindering of teruggaaf ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend, blijft de bevoegdheid tot navorderen bestaan zolang navordering mogelijk is over het jaar waaruit het als verlies verrekende bedrag afkomstig is.

  7. Indien een heffingskorting ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend aan de belastingplichtige doordat het maximale bedrag, bedoeld in de artikelen 8.9, eerste lid, of 8.9a, derde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001, is overschreden, blijft, na afloop van de navorderingstermijn bedoeld in het derde lid, de bevoegdheid tot navorderen bestaan tot acht weken na het tijdstip waarop een belastingaanslag van zijn partner welke relevant is voor die heffingskorting, of een beschikking dan wel uitspraak strekkende tot vermindering van een zodanige belastingaanslag van zijn partner onherroepelijk is geworden.

28 verwijzing(en)
Hoge Raad | 20-10-2017 | 04-08-2025
Bron: rechtspraak.nl | expliciete verwijzing
Hoge Raad | 11-08-2017 | 04-08-2025
Bron: rechtspraak.nl | expliciete verwijzing
Hoge Raad | 11-08-2017 | 04-08-2025
Bron: rechtspraak.nl | expliciete verwijzing
Hoge Raad | 30-06-2017 | 04-08-2025
Bron: rechtspraak.nl | expliciete verwijzing
Hoge Raad | 02-06-2017 | 04-08-2025
Bron: rechtspraak.nl | expliciete verwijzing
Hoge Raad | 21-04-2017 | 04-08-2025
Bron: rechtspraak.nl | expliciete verwijzing
Hoge Raad | 31-03-2017 | 04-08-2025
Bron: rechtspraak.nl | expliciete verwijzing
Hoge Raad | 17-02-2017 | 04-08-2025
Bron: rechtspraak.nl | expliciete verwijzing
Hoge Raad | 10-02-2017 | 04-08-2025
Bron: rechtspraak.nl | expliciete verwijzing
Hoge Raad | 03-02-2017 | 04-08-2025
Bron: rechtspraak.nl | expliciete verwijzing
Hoge Raad | 03-02-2017 | 04-08-2025
Bron: rechtspraak.nl | expliciete verwijzing
Hoge Raad | 27-01-2017 | 04-08-2025
Bron: rechtspraak.nl | expliciete verwijzing
Hoge Raad | 27-01-2017 | 04-08-2025
Bron: rechtspraak.nl | expliciete verwijzing
Hoge Raad | 27-01-2017 | 04-08-2025
Bron: rechtspraak.nl | expliciete verwijzing
Hoge Raad | 25-11-2016 | 04-08-2025
Bron: rechtspraak.nl | expliciete verwijzing
Hoge Raad | 04-11-2016 | 04-08-2025
Bron: rechtspraak.nl | expliciete verwijzing
Hoge Raad | 16-09-2016 | 22-03-2025
Bron: rechtspraak.nl | expliciete verwijzing
Hoge Raad | 12-08-2016 | 04-08-2025
Bron: rechtspraak.nl | expliciete verwijzing
Hoge Raad | 12-08-2016 | 04-08-2025
Bron: rechtspraak.nl | expliciete verwijzing
Hoge Raad | 17-06-2016 | 04-08-2025
Bron: rechtspraak.nl | expliciete verwijzing
Hoge Raad | 22-01-2016 | 04-08-2025
Bron: rechtspraak.nl | expliciete verwijzing
Hoge Raad | 22-01-2016 | 04-08-2025
Bron: rechtspraak.nl | expliciete verwijzing
Hoge Raad | 13-02-2015 | 04-08-2025
Bron: rechtspraak.nl | expliciete verwijzing
Hoge Raad | 28-11-2014 | 04-08-2025
Bron: rechtspraak.nl | expliciete verwijzing
Hoge Raad | 19-09-2014 | 01-08-2025
Bron: rechtspraak.nl | expliciete verwijzing
Hoge Raad | 07-03-2014 | 01-08-2025
Bron: rechtspraak.nl | expliciete verwijzing
Hoge Raad | 10-01-2014 | 18-02-2026
Bron: rechtspraak.nl | expliciete verwijzing
Hoge Raad | 29-04-2011 | 31-07-2025
Bron: rechtspraak.nl | expliciete verwijzing
Deze actie vereist een account
Log in of maak een account om arceringen, annotaties, tags en dossiers te gebruiken.
← terug naar Algemene wet inzake rijksbelastingen