Wetboek van Strafvordering BES Laatste controle 29-03-2026, laatste wijziging 22-03-2026.

Inhoud
Titel I Algemene bepalingen
Titel II Legaliteitsbeginsel
Titel III Het openbaar ministerie en de bevoegdheid van de rechter
Titel IV Rechterlijk bevel tot vervolging of verdere vervolging van strafbare feiten
Titel V Schorsing van de vervolging
Titel VI Behandeling door de raadkamer
Titel VII Rechterlijke voorzieningen bij dringende noodzaak
Titel VIII Algemeen voorschrift met betrekking tot rechterlijke beslissingen
Titel IX Geheimhouding
Titel X Beëdiging
Tweede Boek De verdachte en zijn raadsman
Titel I De verdachte
Titel II De raadsman
Eerste Afdeling Algemene bepalingen
Tweede Afdeling Keuze van de raadsman
Derde Afdeling Toevoeging van een raadsman
Par. 1 Algemene bepalingen
Par. 2 Vervanging van de toegevoegde raadsman
Par. 3 Beroep inzake toevoeging
Par. 4 Kennisgeving van de toevoeging
Par. 5 Beloning en vergoeding van kosten
Vierde Afdeling Bevoegdheden van de raadsman betreffende het verkeer met de verdachte en de kennisneming van processtukken
Derde Boek Enige bijzondere dwangmiddelen
Titel I Algemeen
Titel II Staandehouding en aanhouding
Titel III Betreden van plaatsen ter aanhouding
Titel IV Onderzoek aan lichaam en kleding
Titel V Ophouding voor verhoor
Titel VI Mededeling van rechten bij ophouding voor verhoor
Titel VII Inverzekeringstelling
Titel VIII Voorlopige hechtenis
Eerste Afdeling Bewaring
Tweede Afdeling Gevangenhouding en gevangenneming
Derde Afdeling Gevallen waarin voorlopige hechtenis is toegestaan
Vierde Afdeling Gronden voor voorlopige hechtenis
Vijfde Afdeling Tenuitvoerlegging en opheffing van bevelen tot voorlopige hechtenis
Zesde Afdeling Hoger beroep inzake bevelen tot voorlopige hechtenis
Zevende Afdeling Voorlopige hechtenis bij einduitspraken
Achtste Afdeling Het horen van de in voorlopige hechtenis gestelde verdachte
Negende Afdeling Inhoud van de bevelen en hun betekening
Tiende Afdeling Schorsing en opschorting van de voorlopige hechtenis
Titel IX Inbeslagneming
Titel X Binnentreden in woningen
Titel XI Betreden van enkele bijzondere plaatsen
Titel XII Handhaving van de orde ter gelegenheid van ambtsverrichtingen
Titel XIII Maatregelen ter gelegenheid van een schouw of een huiszoeking
Titel XV Opneming ter observatie
Titel XVI Strafrechtelijk financieel onderzoek
Titel XVII Bijzondere bevoegdheden tot opsporing
Titel XVIII Bijzondere bevoegdheden
Eerste Afdeling Planmatige observatie
Tweede Afdeling Infiltratie
Derde Afdeling Pseudo-koop of -dienstverlening
Vierde Afdeling Stelselmatig inwinnen van informatie
Vijfde Afdeling Bevoegdheden in een besloten plaats
Zesde Afdeling Opnemen en onderzoek communicatie
Zevende Afdeling Vorderen van gegevens
Achtste Afdeling Steunbevoegdheden
Titel XIX Bijstand aan opsporing door burgers
Eerste Afdeling Burgerpseudokoop of -dienstverlening en inwinning van informatie
Tweede Afdeling Burgerinfiltratie
Titel XX Doorlaten
Titel XXI Verkennend onderzoek
Titel XXII Schadevergoeding wegens toepassing van dwangmiddelen
Vierde Boek Opsporingsonderzoek, gerechtelijk vooronderzoeken daarna te nemen beslissingen
Titel I Het opsporingsonderzoek
Titel II De rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken
Titel III Gang van het gerechtelijk vooronderzoek
Titel IV Beslissing omtrent al dan niet verdere vervolging
Vijfde Boek De terechtzitting
Titel I Het aanhangig maken van de zaak ter terechtzitting in eerste aanleg
Titel II Bezwaarschrift tegen de dagvaarding
Titel III Het aanhangig maken van de zaak ter terechtzitting in hoger beroep
Titel IV Behandeling ter terechtzitting
Eerste Afdeling Algemene bepaling
Tweede Afdeling Onderzoek van de zaak op de terechtzitting
Derde Afdeling Benadeelde partij
Vierde Afdeling Bewijs
Vijfde Afdeling Beraadslaging en uitspraak
Zesde Afdeling Zaken ad informandum
Zevende Afdeling Gevolgen van normschendingen
Titel V Berechting van overtredingen in eerste aanleg
Zesde Boek Rechtsmiddelen
Zevende Boek Enige rechtsplegingen van bijzondere aard
Titel I Strafvordering ter zake van ambtsmisdrijven
Titel II Strafvordering in zaken betreffende jeugdige personen
Titel III Berechting van verdachten, bij wie tijdens het begaan van het feit gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke storing van de geestvermogens bestond
Titel IIIa Strafvordering ter zake van ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel
Titel IV Verschoning en wraking van rechters
Titel V Vervolging en berechting van rechtspersonen en andere samenwerkingsverbanden
Titel VI Strafvordering buiten het rechtsgebied van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Titel VII Rechterlijke bevelen tot handhaving van de openbare orde
Titel VIII Internationale rechtshulp
Titel IX Overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen
Eerste Afdeling Algemene bepalingen
Tweede Afdeling
Derde Afdeling Procedure
Par. 1 Behandeling van buitenlandse verzoeken tot tenuitvoerlegging
Par. 2 Behandeling van verzoeken van Bonaire, Sint Eustatius en Saba tot tenuitvoerlegging in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba van in een vreemde staat opgelegde sancties
Par. 3 Gerechtelijke procedure
Par. 4 Buitengerechtelijke procedure
Vierde Afdeling Overdracht van de tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Par. 1 Van Bonaire, Sint Eustatius en Saba uitgaande verzoeken
Par. 2 Tot Bonaire, Sint Eustatius en Saba gerichte verzoeken
Par. 3 Overbrenging
Vijfde Afdeling Slotbepalingen
Achtste Boek Tenuitvoerlegging en kosten

Zevende Boek

Enige rechtsplegingen van bijzondere aard

Artikel 476

De leden van de Staten-Generaal, de ministers en de staatssecretarissen kunnen, ook na hun aftreden, krachtens deze wet niet strafrechtelijk worden vervolgd wegens ambtsmisdrijven in die betrekkingen gepleegd.

Artikel 477

Niemand kan strafrechtelijk worden vervolgd wegens een feit begaan voordat hij de leeftijd van twaalf jaren heeft bereikt.

Artikel 478

  1. In gevallen, waarin uit feiten of omstandigheden een redelijk vermoeden voortvloeit, dat een minderjarige beneden de leeftijd van twaalf jaren een strafbaar feit heeft begaan, zijn uitsluitend de artikelen 72 tot en met 79, 80, 82, 120 tot en met 129, 145, 150, 153 en 154 van toepassing. De artikelen 141 tot en met 143 zijn van overeenkomstige toepassing.

  2. Het afleggen van een verklaring als bedoeld in artikel 144 en het doen van beklag als bedoeld in artikel 150 geschiedt voor de minderjarige, in het eerste lid bedoeld, door zijn wettelijke vertegenwoordiger in burgerlijke zaken.

Artikel 479

Ten aanzien van personen, die op het tijdstip waarop de vervolging tegen hen is aangevangen, de leeftijd van achttien jaren nog niet hebben bereikt, zijn de bepalingen van dit wetboek van toepassing, voor zover deze afdeling geen afwijkende bepalingen bevat.

Artikel 480

De bepalingen van deze afdeling die op de ouders of voogd betrekking hebben, zijn alleen van toepassing, indien de verdachte minderjarig is.

Artikel 481

Aan de verdachte, die zich in verzekering of voorlopige hechtenis bevindt, of die in het tegen hem ingestelde gerechtelijk vooronderzoek door de rechter-commissaris wordt verhoord, wordt op zijn verzoek een raadsman toegevoegd. De officier van justitie of de hulpofficier van justitie geeft aan de instantie die ingevolge artikel 61, eerste lid, met de toevoeging is belast, onverwijld kennis dat toevoeging moet plaatshebben. Indien hem geen raadsman is toegevoegd of de toevoeging niet tijdig heeft plaatsgehad, komt het beroepsrecht van artikel 67, eerste lid, ook toe aan de ouders of voogd.

Artikel 482

Indien de verdachte rechtens zijn vrijheid is ontnomen, is ten aanzien van zijn ouders of voogd artikel 70 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 483

  1. De officier van justitie kan bepalen dat de tenuitvoerlegging van het bevel tot inverzekeringstelling zal worden geschorst, indien de verdachte zich bereid heeft verklaard tot nakoming van de aan de schorsing te verbinden voorwaarden.

  2. Als algemene voorwaarde waaraan de verdachte zal moeten voldoen wordt gesteld, dat hij geen strafbaar feit zal begaan noch zich op andere wijze zal misdragen. Bovendien kunnen bijzondere voorwaarden worden gesteld het gedrag van de verdachte betreffende; deze mogen zijn godsdienstige of staatkundige vrijheid niet beperken.

  3. De schorsing, bepaald krachtens het eerste lid, kan slechts worden opgeheven wegens overtreding van de gestelde voorwaarden. Het bevel tot opheffing is met redenen omkleed. De verdachte wordt zo mogelijk gehoord.

  4. De termijn gedurende welke een bevel tot inverzekeringstelling van kracht is, loopt niet gedurende de tijd waarin de tenuitvoerlegging is geschorst.

  5. Behoudens eerdere opheffing vervalt het bevel tot inverzekeringstelling waarvan de tenuitvoerlegging is geschorst, aan het einde van de tiende dag na die waarop het bevel is gegeven.

Artikel 484

  1. Indien de rechter de voorlopige hechtenis van de verdachte beveelt, gaat hij na of de tenuitvoerlegging van dit bevel, hetzij onmiddellijk, hetzij na een bepaald tijdsverloop, kan worden geschorst.

  2. In het bevel tot voorlopige hechtenis en tot schorsing daarvan worden zodanige bepalingen opgenomen als voor de juiste uitvoering daarvan nodig worden geoordeeld.

  3. Tot het ondergaan van inverzekeringstelling of voorlopige hechtenis kan elke daartoe geschikte plaats worden aangewezen.

Artikel 485

Waar in deze afdeling wordt gesproken van schorsing wordt daaronder begrepen opschorting.

Artikel 486

  1. De voogdijraad wordt door de officier van justitie onverwijld in kennis gesteld van het bevel tot inverzekeringstelling en van het bevel tot schorsing of opheffing daarvan.

  2. Indien naar aanleiding van de in het eerste lid bedoelde kennisgeving wordt gerapporteerd, slaat de officier van justitie daarop acht alvorens een vordering tot bewaring te doen.

Artikel 487

  1. Wanneer de officier van justitie voornemens is een van misdrijf verdachte te vervolgen, stelt hij de voogdijraad hiervan zo spoedig mogelijk in kennis. De voogdijraad licht de officier van justitie op diens verzoek in omtrent de persoonlijkheid en de levensomstandigheden van de verdachte. Zodanige inlichtingen kan de voogdijraad ook uit eigen beweging geven.

  2. Indien de verdachte zich in voorlopige hechtenis bevindt of ingevolge artikel 175 in een inrichting is opgenomen, geeft de officier van justitie hiervan terstond bericht aan de voogdijraad.

  3. De rechter-commissaris is eveneens bevoegd om bij de voogdijraad de inlichtingen, bedoeld in het eerste lid, in te winnen.

Artikel 488

  1. Het rechtsgeding wordt in het openbaar behandeld, tenzij de verdachte of diens medeverdachten op het tijdstip waarop de vervolging tegen hen is aangevangen de leeftijd van zestien jaren nog niet hebben bereikt. In dat geval kan de rechter tot bijwoning van deze niet-openbare terechtzitting bijzondere toegang verlenen.

  2. De rechter kan om gewichtige bij het proces-verbaal van de terechtzitting te vermelden redenen bepalen, hetzij ambtshalve, hetzij op de vordering van het openbaar ministerie of op het verzoek van de verdachte of diens raadsman, dat het rechtsgeding, indien dit ingevolge het bepaalde in het eerste lid met gesloten deuren moet plaatsvinden, geheel of gedeeltelijk in het openbaar zal worden gehouden.

Artikel 489

  1. De ouders of de voogd worden tot bijwoning van de terechtzitting opgeroepen.

  2. Indien ouders of voogd op de terechtzitting zijn verschenen, worden zij, nadat de verdachte, een medeverdachte, een getuige of een deskundige zijn verklaring heeft afgelegd, in de gelegenheid gesteld daartegen in te brengen wat tot verdediging kan dienen.

  3. Niettemin kan de rechter ambtshalve, op de vordering van het openbaar ministerie of op het verzoek van de verdachte of diens raadsman bevelen, dat tijdens een zitting met gesloten deuren een verhoor van de verdachte, van een getuige of van een deskundige buiten tegenwoordigheid van ouders of voogd geschiedt. De rechter deelt in dat geval de zakelijke inhoud van een en ander aan de ouders of voogd mee, tenzij gewichtige redenen zich daartegen verzetten.

Artikel 490

  1. De rechter kan ambtshalve, op de vordering van het openbaar ministerie of op het verzoek van de raadsman bepalen, dat vragen betreffende de persoonlijkheid of de levensomstandigheden van de verdachte buiten diens tegenwoordigheid zullen worden gesteld en behandeld en dat het openbaar ministerie of de raadsman buiten tegenwoordigheid van de verdachte daarover het woord zal voeren.

  2. Het tweede lid van artikel 332 is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 491

Indien de rechter het noodzakelijk oordeelt, dat alsnog een onderzoek naar de persoonlijkheid en de levensomstandigheden van de verdachte wordt ingesteld, kan hij nadere inlichtingen bij de voogdijraad inwinnen.

Artikel 492

De Eerste Titel en de Vierde Titel van het Vijfde Boek zijn van overeenkomstige toepassing, voor zover in deze titel niet anders wordt bepaald.

Artikel 493

Indien de zaak door oproeping aanhangig is gemaakt, wordt in de oproeping van de ouders of de voogd het in de oproeping tenlastegelegde feit opgenomen. In het geval bedoeld in de aanhef van artikel 420, is dat artikel ten aanzien van de wijze van oproeping van ouders of voogd, en zo nodig van intrekking van deze oproeping van overeenkomstige toepassing.

Artikel 494

  1. Indien de verdachte, die op het tijdstip waarop de vervolging tegen hem is aangevangen, de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt en een raadsman heeft, komen alle bevoegdheden hem in dit wetboek, met uitzondering van de Vierde Titel van het Vijfde Boek, toegekend, eveneens toe aan zijn raadsman.

  2. Tegen het instellen, intrekken of afstand doen door de raadsman van enig rechtsmiddel kan, in het geval van het eerste lid, de verdachte of diens wettelijke vertegenwoordiger binnen drie dagen nadat de termijn voor het instellen daarvan is verstreken, een bezwaarschrift indienen bij de rechter in eerste aanleg of de voorzitter van het college, waarvoor de zaak wordt vervolgd of het laatst is vervolgd. De rechter in eerste aanleg of de voorzitter beslist ten spoedigste; de verdachte, diens wettelijke vertegenwoordiger alsmede de raadsman worden gehoord, althans, op de wijze door de rechter in eerste aanleg of de voorzitter te bepalen, opgeroepen. Indien het bezwaarschrift gegrond wordt bevonden, loopt de termijn voor het instellen of intrekken van het rechtsmiddel alsnog gedurende drie dagen.

Artikel 495

  1. De straf van berisping wordt tenuitvoergelegd door de rechter in eerste aanleg of door de voorzitter van de samenstelling van het Hof die de veroordeling heeft uitgesproken.

  2. De tenuitvoerlegging geschiedt in een niet openbare terechtzitting zodra mogelijk na het uitspreken van de veroordeling.

  3. De rechter kan daarbij de hulp inroepen van een door hem aan te wijzen ambtenaar.

  4. Bij die tenuitvoerlegging kunnen de ouders of de voogd van de veroordeelde desverlangd tegenwoordig zijn, waartoe zij door de griffier van het Hof of van het gerecht in eerste aanleg worden opgeroepen.

  5. Indien de verdachte bij de uitspraak van de veroordeling aanwezig is, kan de tenuitvoerlegging van de straf van berisping terstond plaats vinden. In dit geval geschiedt daarvan aantekening in het proces-verbaal van de terechtzitting en blijft de oproeping, bedoeld in het vierde lid, achterwege.

Artikel 496

  1. Indien wordt afgezien van verhaal of verder verhaal van het bedrag, verschuldigd wegens een opgelegde geldboete of verbeurdverklaring van niet in beslag genomen voorwerpen, kan het nog te betalen bedrag, op vordering van het openbaar ministerie, worden vervangen door berisping.

  2. Op de vordering wordt beslist door de rechter die de straf heeft opgelegd, nadat de veroordeelde in de gelegenheid is gesteld daarop te worden gehoord. Indien het hem raadzaam voorkomt geeft de rechter de nodige bevelen voor de verschijning van de veroordeelde in de raadkamer.

  3. De rechter beslist bij een met redenen omklede beschikking. Indien hij de vordering afwijst, kan hij bepalen dat het verschuldigde alsnog in gedeelten met inachtneming van door hem vast te stellen termijnen mag worden voldaan.

Artikel 497

  1. Voor zover niet anders is bepaald, worden alle dagvaardingen, oproepingen, kennisgevingen, aanzeggingen of andere schriftelijke mededelingen aan de minderjarige verdachte tevens ter kennis gebracht van zijn ouders of voogd, alsmede van zijn raadsman.

  2. De bepaling van het eerste lid geldt niet ten aanzien van de raadsman in zaken die overtredingen betreffen, ook niet in hoger beroep van zodanige zaken, en evenmin ten aanzien van ouders of voogd in geval van oproeping overeenkomstig artikel 416.

Artikel 498

Alle betekeningen, dagvaardingen, oproepingen, kennisgevingen, aanzeggingen of andere mededelingen aan ouders of voogd vinden enkel plaats, indien deze een bekende verblijfplaats in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba hebben; aan samenwonende ouders wordt slechts een stuk uitgereikt.

Artikel 499

  1. In elke stand van de zaak betreffende een verdachte die de leeftijd van achttien jaren bereikt heeft of naar burgerlijk recht meerderjarig is, zal de rechter in eerste aanleg of het Hof, indien er vermoeden bestaat dat bij de verdachte tijdens het begaan van het feit gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke storing van de geestvermogens bestond, en dat hij ten gevolge daarvan niet in staat is zijn belangen behoorlijk te behartigen, zulks bij beslissing verklaren.

  2. De beslissing wordt gegeven, hetzij ambtshalve, hetzij op de voordracht van de rechter-commissaris, op de vordering van het openbaar ministerie of op het daartoe strekkend verzoek van de verdachte, van zijn raadsman, van zijn echtgenoot, dan wel degene met wie hij duurzaam feitelijk samenwoont, van een van zijn ouders, van zijn voogd, van zijn curator of van een van zijn bloed- of aanverwanten tot de derde graad ingesloten.

  3. Voor zover de beslissing niet in zijn tegenwoordigheid is gegeven, wordt de inhoud daarvan de verdachte onverwijld vanwege het openbaar ministerie betekend.

Artikel 500

  1. De rechter kan, alvorens te beslissen, de rechtercommissaris, zolang deze met het gerechtelijk vooronderzoek is belast, of het openbaar ministerie opdragen een nader onderzoek in te stellen en aan de rechter daaromtrent verslag te doen.

  2. De beslissing, bij het eerste lid van artikel 499 bedoeld, is niet aan enig rechtsmiddel onderworpen, doch kan door de rechter te allen tijde worden herroepen; ten aanzien van de beslissing tot herroeping vinden de artikelen 499 en 502 overeenkomstige toepassing en al hetgeen bij of ingevolge eerstgenoemde beslissing tot de herroeping toe is verricht, blijft niettemin van kracht.

Artikel 501

Ten spoedigste na de beslissing, bij het eerste lid van artikel 499 bedoeld, voegt de rechter in eerste aanleg of, indien de beslissing door het Hof is gegeven, de voorzitter de verdachte van misdrijf, indien hij nog geen toegevoegde raadsman heeft, een raadsman toe. Aan de verdachte van overtreding kan door de rechter in eerste aanleg of de voorzitter een raadsman worden toegevoegd.

Artikel 502

  1. Van het ogenblik af van de beslissing, bij het eerste lid van artikel 499 bedoeld, en, behoudens herroeping, totdat de zaak door een in kracht van gewijsde gegaan vonnis is beëindigd, vinden de artikelen 31, 482, 484, derde lid, 489, 490, 497 en 498, voor zover zij niet reeds rechtstreeks van toepassing zijn, overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de bepalingen aangaande ouders of voogd slechts overeenkomstig worden toegepast, indien de verdachte een curator heeft, en in dit geval in dier voege dat zij uitsluitend deze betreffen. Tijdens het gerechtelijk vooronderzoek vindt artikel 489 tevens overeenkomstige toepassing ten aanzien van het verhoor van de verdachte door de rechter-commissaris.

  2. De verdachte is verplicht in persoon ter terechtzitting te verschijnen. Bij de dagvaarding wordt hem kennis gegeven dat, indien hij niet aan deze verplichting voldoet, de rechter zijn medebrenging kan gelasten. Bij niet-verschijning in persoon, kan de rechter in eerste aanleg of het Hof, hetzij ambtshalve, hetzij op de vordering van het openbaar ministerie of op het verzoek van de raadsman, indien de rechter of het Hof van oordeel is, dat de persoonlijke verschijning van de verdachte noch noodzakelijk noch gewenst is en de raadsman is verschenen en zich daartegen niet verzet, het geven van het bevel tot medebrenging achterwege laten. In zodanig geval wordt verstek verleend en het onderzoek van de zaak voortgezet; de raadsman blijft met de verdediging belast.

  3. Het rechtsgeding wordt niet in het openbaar behandeld. De rechter kan tot bijwoning van deze niet-openbare terechtzitting bijzondere toegang verlenen.

  4. De bevoegdheden, bij dit wetboek aan de verdachte toegekend, komen na de beslissing, bij het eerste lid van artikel 499 bedoeld, steeds mede toe aan de raadsman.

Artikel 503

  1. De bepalingen van deze titel zijn niet van toepassing op een gerechtelijk vooronderzoek inzake overtredingen.

  2. Ingeval wordt vermoed, dat bij een verdachte, wiens zaak ter terechtzitting van de rechter in eerste aanleg aanhangig wordt gemaakt, tijdens het begaan van de overtreding gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke storing van de geestvermogens bestond, en dat hij ten gevolge daarvan niet in staat is zijn belangen behoorlijk te behartigen, worden in de regel zijn curator, zo hij die heeft, en evenzo een of meer deskundigen ten verzoeke van het openbaar ministerie ter terechtzitting gedagvaard om te worden gehoord omtrent de persoonlijkheid van de verdachte.

Artikel 503a

  1. Een vordering van het openbaar ministerie als bedoeld in artikel 38e van het Wetboek van Strafrecht BES wordt zo spoedig mogelijk doch uiterlijk twee jaren na de uitspraak van het gerecht in eerste aanleg aanhangig gemaakt. Indien het strafrechtelijk financieel onderzoek overeenkomstig het bepaalde in artikel 177g, tweede lid, is gesloten en heropend, wordt de periode van twee jaren verlengd met de tijd verlopen tussen deze sluiting en heropening.

  2. De officier van justitie doet bij zijn vordering de stukken waarop zij berust aan het gerecht toekomen. Artikel 284, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.

  3. De vordering wordt aan degene op wie zij betrekking heeft betekend, onder mededeling van het recht op kennisneming van de stukken. Indien ook een strafrechtelijk financieel onderzoek is ingesteld wordt de vordering gelijktijdig met de sluiting van het strafrechtelijk financieel onderzoek aan degene tegen wie het is gericht betekend.

  4. De vordering behelst mede oproeping om op het daarin vermelde tijdstip ter terechtzitting te verschijnen. De artikelen 287, 289 tot en met 292 zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 503b

De officier van justitie kan, zolang het onderzoek op de terechtzitting niet is gesloten, met de verdachte of veroordeelde een schriftelijke schikking aangaan tot betaling van een geldbedrag aan de Staat of tot overdracht van voorwerpen ten gehele of gedeeltelijke ontneming van het geschatte voordeel – met inbegrip van besparing van kosten – door de betrokkene door middel van of uit de baten van het feit waarvoor hij is vervolgd of soortgelijke feiten verkregen.

Artikel 503c

  1. Op de behandeling van de vordering van de officier van justitie is de Tweede Afdeling van Titel IV van het vijfde Boek van overeenkomstige toepassing. De behandeling van de vordering ter terechtzitting kan worden voorafgegaan door een schriftelijke voorbereiding op de wijze als door het gerecht te bepalen.

  2. Indien enig nader strafrechtelijk financieel onderzoek noodzakelijk blijkt, stelt het gerecht met schorsing der zaak onder aanduiding van het onderwerp van onderzoek en zo nodig de wijze waarop dit zal zijn in te stellen, de stukken in handen van de officier van justitie.

  3. Het onderzoek geldt als een met rechterlijke machtiging ingestelde strafrechtelijk financieel onderzoek dat wordt gevoerd overeenkomstig de bepalingen van Titel XVI van het derde Boek, met uitzondering van artikel 177g, vierde en vijfde lid.

Artikel 503d

  1. Op de beraadslaging en de uitspraak zijn de bepalingen van de vijfde afdeling van Titel IV van het vijfde Boek van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat:

    1. het gerecht naar aanleiding van de vordering en van het onderzoek ter terechtzitting beraadslaagt over de vraag of de in artikel 38e van het Wetboek van Strafrecht BES bedoelde maatregel moet worden opgelegd en zo ja, op welk bedrag de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel is te schatten; en

    2. het gerecht niet gebonden is aan het voorschrift van artikel 388 betreffende de termijn waarbinnen uitspraak moet worden gedaan.

  2. Indien de dag der uitspraak niet ter terechtzitting aan degene op wie de vordering betrekking heeft is medegedeeld, wordt hem daarvan, zodra die dag is bepaald, een kennisgeving betekend.

  3. Het gerecht kan, ingeval onder de beraadslaging blijkt dat het onderzoek ter terechtzitting niet volledig is geweest, overeenkomstig artikel 503c, tweede en derde lid, een onderzoek door de officier van justitie doen plaatsvinden. In dit geval wordt gehandeld als ware het onderzoek voor onbepaalde tijd geschorst.

Artikel 503e

Het gerecht kan de schatting van het op geld waardeerbare voordeel als bedoeld in artikel 38e van het Wetboek van Strafrecht BES slechts ontlenen aan de inhoud van wettige bewijsmiddelen.

Artikel 503f

  1. Tegen de uitspraak van het gerecht kan hoger beroep worden ingesteld.

  2. Titel III en Titel IV (met uitzondering van de Eerste Afdeling) van het vijfde Boek en Titel II van het zesde Boek zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat:

    1. de zaak in hoger beroep aanhangig wordt gemaakt door een oproeping van de procureur-generaal aan de verdachte of de veroordeelde betekend;

    2. de behandeling van de vordering waarvan beroep is ingesteld voorafgegaan kan worden door een schriftelijke voorbereiding op de wijze, door het Hof te bepalen;

    3. de artikelen 503c, tweede en derde lid, en 503d, derde lid, van overeenkomstige toepassing zijn. In deze gevallen wordt het financieel onderzoek gevoerd door de officier van justitie bij het gerecht dat in eerste aanleg uitspraak heeft gedaan. Na afloop van het bevolen onderzoek zendt de officier van justitie de stukken toe aan de procureur-generaal;

    4. artikel 503d, eerste lid, onder b, van overeenkomstige toepassing is.

Artikel 503g

Een uitspraak op de vordering van het openbaar ministerie als bedoeld in artikel 38e van het Wetboek van Strafrecht BES vervalt van rechtswege, doordat de uitspraak als gevolg waarvan de veroordeling van de verdachte, bedoeld in artikel 38e eerste onderscheidenlijk derde lid van het Wetboek van Strafrecht BES, achterwege blijft, in kracht van gewijsde gaat.

Artikel 504

Een rechter wordt op zijn verlangen van elke bemoeiing in een zaak verschoond, indien er te zijnen aanzien feiten of omstandigheden bestaan, waardoor in het algemeen de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

Artikel 505

  1. De redenen van verschoning worden alle tegelijk voorgedragen.

  2. Een nieuwe verschoning kan door dezelfde rechter slechts worden voorgedragen om redenen die na de eerste voordracht zijn ontstaan of bekend geworden.

  3. Tijdens het onderzoek ter terechtzitting kan een verschoning niet meer worden voorgedragen na de voordracht van de zaak door het openbaar ministerie, bedoeld bij artikel 318, tenzij om redenen die eerst in de loop van dat onderzoek zijn ontstaan of bekend geworden.

Artikel 506

  1. Een verschoning wordt voorgedragen aan het Hof, dat daarover ten spoedigste beslist.

  2. Het Hof zal, alvorens te beslissen, de rechter kunnen uitnodigen, de voorgedragen verschoning schriftelijk dan wel mondeling toe te lichten. Deze geeft aan de uitnodiging gevolg.

  3. Bij de beslissing kan tevens worden bepaald dat bepaalde handelingen of beslissingen van de rechter wiens verschoning is aangenomen, van onwaarde zullen zijn.

Artikel 507

  1. De rechter die zijn verschoning heeft voorgedragen, is, in afwachting van de beslissing daaromtrent, in de zaak uitgesloten van alle bemoeiingen die uitstel gedogen of door andere rechters kunnen worden verricht.

  2. Wordt de verschoning eerst tijdens het onderzoek ter terechtzitting voorgedragen, dan wordt dat onderzoek geschorst. Wordt de verschoning aangenomen, dan wordt het onderzoek ter terechtzitting opnieuw aangevangen, hetzij onmiddellijk, hetzij op een latere terechtzitting. De beslissing wordt op de terechtzitting waarin het onderzoek van de zaak wordt hervat of opnieuw aangevangen, uitgesproken.

Artikel 508

Ingeval er ten aanzien van een rechter feiten of omstandigheden bestaan, waardoor in het algemeen de rechterlijke onpartijdigheid ernstig schade zou kunnen lijden, kan diens wraking schriftelijk of, ter terechtzitting, mondeling worden voorgedragen door het openbaar ministerie en door de verdachte of diens raadsman.

Artikel 509

  1. Zo redenen van wraking ten aanzien van meer dan een rechter bestaan, kan een verdere wraking niet worden voorgedragen, dan nadat over de vroegere is beslist.

  2. De redenen van wraking worden alle tegelijk voorgedragen.

  3. Een nieuwe wraking kan ten aanzien van dezelfde rechter slechts worden voorgedragen om redenen die na de eerste voordracht zijn ontstaan of bekend geworden.

  4. Tijdens het onderzoek op de terechtzitting kan een wraking niet meer worden voorgedragen na de voordracht van de zaak door het openbaar ministerie, bedoeld bij artikel 318, tenzij om redenen die eerst in de loop van dat onderzoek zijn ontstaan of bekend geworden.

  5. Wordt de wraking op de terechtzitting voorgedragen,dan kan de rechter, ingeval van klaarblijkelijk misbruik, bepalen dat volgende voordrachten tot wraking niet ontvankelijk zullen zijn.

Artikel 510

Ingeval de rechter alleen rechtspreekt of als enig rechter bemoeiing in de zaak verricht, worden de redenen van wraking aan hemzelf voorgedragen, waarna het Hof van Justitie daarover ten spoedigste beslist. De verdachte wordt gehoord.

Artikel 511

  1. Het Hof zal, alvorens te beslissen, de rechter kunnen uitnodigen, zich omtrent de voorgedragen redenen van wraking schriftelijk of mondeling te verklaren. Deze geeft aan de uitnodiging gevolg.

  2. Bij de beslissing kan tevens worden bepaald dat bepaalde handelingen of beslissingen van de rechter wiens wraking is aangenomen, van onwaarde zullen zijn.

Artikel 512

  1. De rechter die gewraakt wordt, is, in afwachting van de beslissing daaromtrent, in de zaak uitgesloten van alle bemoeiingen die uitstel gedogen of door andere rechters kunnen worden verricht.

  2. Wordt de wraking eerst tijdens het onderzoek op de terechtzitting voorgedragen, dan wordt dat onderzoek geschorst. Wordt zij aangenomen, dan wordt het onderzoek op een latere terechtzitting opnieuw aangevangen.

Artikel 513

  1. Rechters die verklaard hebben zich te willen verschonen of wier wraking wordt voorgedragen, onthouden zich, op straffe van nietigheid, van deelneming aan de beslissing van het Hof over de verschoning of wraking.

  2. Ingeval de verschoning of wraking eerst tijdens het onderzoek op de terechtzitting van het Hof wordt voorgedragen, wordt ter vervanging van elk lid dat verlangt verschoond te worden of wiens wraking voorgedragen wordt, door de president van het Hof een rechter aangewezen om met de overige leden over de verschoning of wraking te beslissen.

Artikel 514

De beslissingen over de wraking, worden de verdachte voorgelezen of, indien deze niet bij de beslissing aanwezig is, hem betekend.

Artikel 515

Onder rechters worden in deze titel begrepen de leden en plaatsvervangende leden van het Hof en de rechtersplaatsvervanger in eerste aanleg.

Artikel 516

  1. Indien een strafvervolging wordt ingesteld tegen een rechtspersoon of doelvermogen, wordt deze rechtspersoon of dit doelvermogen tijdens de vervolging vertegenwoordigd door de bestuurder of, indien er meer bestuurders zijn, door een van hen. De vertegenwoordiger kan bij gemachtigde verschijnen.

  2. Indien de strafvervolging wordt ingesteld tegen een maatschap of vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid, wordt deze tijdens de vervolging vertegenwoordigd door de aansprakelijke vennoot of, indien er meer aansprakelijke vennoten zijn, door een van hen. De vertegenwoordiger kan bij gemachtigde verschijnen.

  3. De rechter kan de persoonlijke verschijning van een bepaalde bestuurder of vennoot bevelen; hij kan bij niet verschijnen zijn medebrenging gelasten.

Artikel 517

  1. Indien de strafvervolging wordt ingesteld tegen een rechtspersoon, geschiedt de kennisgeving van gerechtelijke mededelingen aan:

    1. de vestigingsplaats van de rechtspersoon, dan wel

    2. de plaats van het kantoor van de rechtspersoon, dan wel

    3. de woonplaats van een van de bestuurders.

  2. Betekening van een gerechtelijke mededeling geschiedt door uitreiking aan een van de bestuurders, dan wel aan een persoon die door de rechtspersoon is gemachtigd het stuk in ontvangst te nemen. De uitreiking geldt in deze gevallen als betekening in persoon.

  3. De uitreiking van een gerechtelijke mededeling, als bedoeld in het tweede lid, kan eveneens geschieden op een van de plaatsen omschreven in het eerste lid, aan ieder die in dienstbetrekking is van de rechtspersoon.

Artikel 518

  1. Indien de strafvervolging wordt ingesteld tegen een maatschap of vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid, geschiedt de kennisgeving van gerechtelijke mededelingen aan:

    1. de plaats van het kantoor van de maat- of vennootschap, dan wel

    2. de woonplaats van een van de aansprakelijke vennoten.

  2. Betekening van een gerechtelijke mededeling geschiedt door uitreiking aan een van de aansprakelijke vennoten dan wel aan een persoon die door een of meer van hun is gemachtigd het stuk in ontvangst te nemen. De uitreiking geldt in deze gevallen als betekening in persoon.

  3. De uitreiking van een gerechtelijke mededeling, als bedoeld in het tweede lid, kan eveneens geschieden op een van de plaatsen, omschreven in het eerste lid, aan ieder die in dienstbetrekking is van de maat- of vennootschap of van een aansprakelijke vennoot.

  4. De voorgaande leden zijn van overeenkomstige toepassing bij de vervolging van een doelvermogen; in dit geval treden de bestuurders in de plaats van de aansprakelijke vennoten.

Artikel 519

Heeft de uitreiking niet overeenkomstig artikel 517, tweede of derde lid, of artikel 518, tweede of derde lid, kunnen plaatsvinden, dan wordt het schrijven teruggezonden aan de autoriteit van welke het is uitgegaan en vervolgens uitgereikt aan de griffier van het gerecht in eerste aanleg in het rechtsgebied waar de zaak zal dienen of laatstelijk heeft gediend. De griffier zendt het schrijven alsdan onverwijld als gewone brief over de post aan het in het schrijven vermelde adres en tekent zulks aan op de akte van uitreiking.

Artikel 520

  1. Op de kennisgeving van gerechtelijke mededelingen aan een rechtspersoon, maatschap of vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid of een doelvermogen zijn de artikelen 642, 643, 644 en 646 van overeenkomstige toepassing.

  2. De betekening is nietig, indien de uitreiking niet heeft plaatsgehad overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 517, tweede en derde lid, 518, tweede en derde lid, 519, 643, zesde lid, en 646. Artikel 647, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 521

  1. De bevoegdheden, bij enige wetsbepaling toegekend in verband met de opsporing van strafbare feiten of in verband met het onderzoek daarnaar, anders dan ter terechtzitting, kunnen, voor zover in deze titel niet anders is bepaald, buiten het rechtsgebied van Bonaire, Sint Eustatius en Saba worden uitgeoefend.

  2. De bepalingen van de eerste en tweede afdeling van deze titel zijn slechts van toepassing ten aanzien van de opsporing en het onderzoek buiten het rechtsgebied van Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Voor zover zij betrekking hebben op een aangehouden persoon of een inbeslaggenomen voorwerp blijven zij, ook binnen het rechtsgebied van Bonaire, Sint Eustatius en Saba van toepassing, totdat de aangehoudene of het voorwerp is overgeleverd aan de officier van justitie of een hulpofficier.

  3. De bevoegdheden, in de bepalingen van deze titel toegekend, kunnen slechts worden uitgeoefend, voor zover het volkenrecht en het interregionale recht dit toelaten.

Artikel 522

  1. Anderen dan opsporingsambtenaren oefenen de bevoegdheden, in artikel 521 of in de tweede afdeling van deze titel toegekend, niet uit dan op aanwijzing van de officier van justitie, tenzij zodanige aanwijzingen niet kunnen worden afgewacht.

  2. Ieder die een bevoegdheid als bedoeld in het eerste lid heeft uitgeoefend, stelt de officier van justitie onverwijld en op de snelst mogelijke wijze in kennis van:

    1. het te zijner kennis gekomen strafbare feit;

    2. elke door hem krachtens een bevoegdheid als bedoeld in het eerste lid getroffen maatregel.

  3. Bij die kennisgeving doet hij voor zover mogelijk opgave van de personalia van de verdachte en diens nationaliteit, alsmede van zijn eigen personalia en van andere terzake doende feiten. Hij tracht voorts ten spoedigste aanwijzingen van de officier van justitie te verkrijgen aangaande de wijze waarop terzake dient te worden gehandeld. Hij neemt de aanwijzingen van de officier van justitie in acht.

  4. Het in het tweede en derde lid bepaalde geldt ook voor degene aan wie een aangehouden verdachte of een inbeslaggenomen voorwerp wordt overgeleverd.

  5. Het bepaalde in het eerste tot en met vierde lid geldt niet voor leden van de rechterlijke macht ten aanzien van die verrichtingen waartoe zij als zodanig bevoegd zijn.

Artikel 523

  1. De commandant kan in geval van een strafbaar feit met inachtneming van de bepalingen van deze titel inlichtingen en bewijzen verzamelen, die tot opheldering van de zaak kunnen dienen, tenzij de officier van justitie anders beslist.

  2. Dezelfde bevoegdheid komt toe aan de schipper en aan de gezagvoerder van een luchtvaartuig aan boord van het vaartuig of luchtvaartuig waarover zij het gezag voeren. Onder vaartuig wordt een door Onze Minister van Justitie aangewezen installatie ter zee begrepen.

Artikel 524

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen alle of bepaalde commandanten worden belast met de opsporing, buiten het rechtsgebied van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, van daarbij vermelde strafbare feiten.

Artikel 525

  1. De commandant kan een verrichting, waartoe hij op grond van een van de bepalingen van deze titel als zodanig dan wel na aanwijzing op grond van artikel 524 als opsporingsambtenaar bevoegd is, opdragen aan een onder zijn bevelen staande officier.

  2. De schipper kan een verrichting, waartoe hij op grond van een van de bepalingen van deze titel bevoegd is, opdragen aan een onder zijn bevelen staande scheepsofficier.

  3. De gezagvoerder van een luchtvaartuig kan een verrichting, waartoe hij op grond van een van de bepalingen van deze titel bevoegd is, opdragen aan een onder zijn bevelen staand lid van de bemanning.

Artikel 526

  1. De commandant, de schipper of de gezagvoerder van een luchtvaartuig maakt, indien hij een van de bevoegdheden, in de artikelen 521 of 523 of in de tweede afdeling van deze titel toegekend, uitoefent, persoonlijk ten spoedigste proces-verbaal op van zijn verrichtingen en bevindingen.

  2. De officier, de scheepsofficier of het lid van de bemanning van een luchtvaartuig handelt in geval van toepassing van artikel 525 overeenkomstig het eerste lid.

  3. Wanneer de schipper of een scheepsofficier dan wel de gezagvoerder van een luchtvaartuig of een lid van de bemanning de verdachte of getuigen verhoort, zijn daarbij zo mogelijk twee opvarenden of inzittenden aanwezig, die het proces-verbaal van verhoor mede ondertekenen.

  4. Het proces-verbaal wordt gedagtekend door de verbalisant. Hij vermeldt zoveel mogelijk uitdrukkelijk zijn redenen van wetenschap.

  5. Het proces-verbaal van de officier, de scheepsofficier of het lid van de bemanning van een luchtvaartuig wordt mede ondertekend door de commandant, onderscheidenlijk de schipper en de gezagvoerder van het luchtvaartuig.

  6. Het proces-verbaal wordt door de commandant, de schipper of de gezagvoerder van het luchtvaartuig ten spoedigste toegezonden aan de officier van justitie, tenzij deze anders beslist.

Artikel 527

De bevoegdheid, omschreven in artikel 72, komt mede toe aan de commandant, de schipper en de gezagvoerder van een luchtvaartuig.

Artikel 528

  1. De verdachte kan slechts worden aangehouden:

    1. in geval van ontdekking op heterdaad van een misdrijf, door een ieder;

    2. in geval van ontdekking op heterdaad van een overtreding, door een opsporingsambtenaar, een commandant, een schipper of een gezagvoerder van een luchtvaartuig;

    3. buiten het geval van ontdekking op heterdaad, indien het een misdrijf of het strafbare feit omschreven in artikel 454, onder 3e, van het Wetboek van Strafrecht BES betreft, door een opsporingsambtenaar, een commandant of een schipper.

  2. De officier van justitie kan in de gevallen, genoemd in het eerste lid, de aanhouding van de verdachte bevelen.

Artikel 529

Een aangehouden verdachte wordt onverwijld overgeleverd:

  1. door een ieder aan de officier van justitie, indien deze ter plaatse aanwezig is;

  2. door de commandant, de schipper of de gezagvoerder van een luchtvaartuig aan een opsporingsambtenaar, indien deze ter plaatse aanwezig is;

  3. door een opvarende die geen opsporingsambtenaar is, aan de schipper en door een inzittende van een luchtvaartuig die geen opsporingsambtenaar is, aan de gezagvoerder van het luchtvaartuig;

  4. door anderen aan een opsporingsambtenaar of aan een commandant.

Artikel 530

  1. De officier van justitie kan bepalen dat de aangehouden verdachte zal worden verhoord. Hij kan daartoe de overlevering van de verdachte aan een bepaalde persoon of zijn overbrenging naar een bepaalde plaats bevelen.

  2. Tenzij de officier van justitie anders bepaalt, is de opsporingsambtenaar bevoegd de aangehouden verdachte te verhoren. Bij afwezigheid van een opsporingsambtenaar komt gelijke bevoegdheid toe aan de commandant, aan de schipper en aan de gezagvoerder van het luchtvaartuig.

  3. Degene die bevoegd is tot verhoor van de verdachte is ook bevoegd hem naar een plaats van verhoor te geleiden.

  4. In geval van verhoor door de schipper of een scheepsofficier dan wel door de gezagvoerder van een luchtvaartuig of een lid van de bemanning, is artikel 50 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 531

  1. De aangehouden verdachte wordt, na te zijn verhoord, dadelijk in vrijheid gesteld. Hij mag niet langer dan zes uren voor het verhoor worden opgehouden, met dien verstande dat de tijd tussen tien uur ’s avonds en acht uur ’s morgens niet wordt meegerekend.

  2. Niettemin kan de verdachte langer dan zes uren worden opgehouden:

    1. wanneer een bevel tot voorlopige hechtenis tegen hem is verleend en de tenuitvoerlegging daarvan, ook buiten het rechtsgebied van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, is gelast;

    2. wanneer hij wordt verdacht van een misdrijf, waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld, en ter zake daarvan een bevel tot voorlopige hechtenis tegen hem kan worden verleend.

  3. Een besluit de verdachte in het in het tweede lid, onderdeel b, bedoelde geval langer dan zes uren op te houden, wordt genomen door de officier van justitie. Kan diens optreden niet worden afgewacht, dan kan ook de opsporingsambtenaar, de commandant, de schipper of de gezagvoerder van het luchtvaartuig in wiens handen de verdachte zich bevindt, daartoe besluiten.

Artikel 532

  1. Zodra de officier van justitie een besluit als bedoeld in artikel 531, derde lid, heeft genomen, stelt hij een vordering tot bewaring in bij de rechter-commissaris.

  2. Zodra de officier van justitie verneemt dat een opsporingsambtenaar, een commandant, een schipper of een gezagvoerder van een luchtvaartuig een besluit als bedoeld in artikel 531, derde lid, heeft genomen, stelt hij een vordering tot bewaring in bij de rechter-commissaris of gelast hij de onmiddellijke invrijheidstelling van de verdachte.

  3. Heeft het in artikel 531, derde lid, bedoelde besluit betrekking op een verdachte die aan boord van een luchtvaartuig is aangehouden, dan gelden de volgende bepalingen:

    1. in het geval, bedoeld in het eerste lid, stelt de officier van justitie een vordering tot bewaring bij de rechter-commissaris in of beveelt hij de gezagvoerder, indien deze bevoegd is de verdachte over te dragen aan de autoriteiten van de staat waar het luchtvaartuig zal landen, van deze bevoegdheid gebruik te maken;

    2. in het geval, bedoeld in het tweede lid, neemt hij een van de in onderdeel a genoemde maatregelen of gelast hij de onmiddellijke invrijheidstelling van de verdachte.

  4. De verdachte kan zich bij het horen, bedoeld in de artikelen 92, derde lid, en 97, doen vertegenwoordigen door een raadsman.

  5. Indien de vordering tot bewaring wordt afgewezen, gelast de officier van justitie de onmiddellijke invrijheidstelling van de verdachte. Hij gelast die invrijheidstelling tevens, zodra geen titel tot vrijheidsontneming meer aanwezig is of de grond tot vrijheidsontneming is vervallen.

  6. Zolang degene in wiens handen de verdachte zich bevindt, geen bericht van de officier van justitie heeft ontvangen, is hij verplicht de verdachte eigener beweging in vrijheid te stellen, zodra hij meent dat de grond tot vrijheidsontneming is vervallen; in ieder geval stelt hij de verdachte in vrijheid, indien hij niet binnen achttien dagen na de aanhouding bericht heeft ontvangen, dat een bevel tot voorlopige hechtenis is verleend, waarvan de tenuitvoerlegging, ook buiten het rechtsgebied van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, is gelast.

Artikel 533

  1. De verdachte op wie artikel 531, tweede lid, onderdeel a, van toepassing is, wordt zo spoedig mogelijk overgeleverd aan de officier van justitie; de verdachte op wie artikel 531, tweede lid, onderdeel b, van toepassing is, kan worden overgeleverd aan de officier van justitie, ingeval het niet doenlijk is hem elders op te houden, totdat een bevel tot voorlopige hechtenis tegen hem is verleend en de tenuitvoerlegging, ook buiten het rechtsgebied van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, is gelast.

  2. Van het voornemen tot overlevering over te gaan wordt onverwijld bericht gegeven aan de officier van justitie.

Artikel 534

  1. Degene in wiens handen een aangehouden verdachte zich bevindt, zorgt dat de nodige maatregelen worden genomen om te voorkomen, dat het doel van de vrijheidsontneming wordt gemist. De verdachte mag aan geen andere beperkingen worden onderworpen dan die voor dit doel volstrekt noodzakelijk zijn.

  2. Aan de verdachte wordt gelegenheid gegeven zich met een raadsman in verbinding te stellen.

Artikel 535

  1. De officier van justitie kan bepalen, dat de aangehoudene, tegen wie ernstige bezwaren bestaan, aan zijn lichaam of kleding zal worden onderzocht. Artikel 78, derde lid, is van toepassing.

  2. De bevoegdheid, vermeld in artikel 78, tweede lid, komt, indien ter plaatse geen opsporingsambtenaar aanwezig is, mede toe aan de commandant, de schipper en de gezagvoerder van het luchtvaartuig.

Artikel 536

  1. Opsporingsambtenaren zijn te allen tijde bevoegd tot inbeslagneming van daarvoor vatbare voorwerpen en kunnen daartoe hun uitlevering vorderen. De officier van justitie kan de inbeslagneming van daarvoor vatbare voorwerpen bevelen.

  2. In geval van ontdekking op heterdaad komen de bevoegdheden, genoemd in de eerste volzin van het eerste lid, toe aan de commandant, aan de schipper en aan de gezagvoerder van het luchtvaartuig, voor zover ter plaatse geen opsporingsambtenaar aanwezig is.

  3. Met betrekking tot de overlevering van het inbeslaggenomen voorwerp is artikel 532 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 537

De officier van justitie kan een inbeslaggenomen voorwerp doen teruggeven, voordat het onder de hoede is gesteld van de bewaarder. De last tot teruggave wordt gericht tot hem die het voorwerp onder zich heeft. Deze is verplicht daaraan onmiddellijk te voldoen.

Artikel 538

  1. De opsporingsambtenaren kunnen te allen tijde inzage vorderen van de bescheiden, waarvan naar hun redelijk oordeel inzage nodig is voor de vervulling van hun taak.

  2. Personen die uit hoofde van hun stand, beroep of ambt tot geheimhouding verplicht zijn, kunnen de inzage weigeren van bescheiden of gedeelten daarvan, tot welke hun plicht tot geheimhouding zich uitstrekt.

Artikel 539

  1. De opsporingsambtenaren hebben te allen tijde toegang tot alle plaatsen, waarvan naar hun redelijk oordeel de betreding nodig is voor de vervulling van hun taak. De commandant en de schipper kunnen ter aanhouding van de verdachte of ter inbeslagneming alle plaatsen betreden, waarvan te dien einde de betreding naar hun redelijk oordeel nodig is.

  2. De artikelen 155 tot en met 160 blijven buiten toepassing. De artikelen 162 en 163 zijn ten aanzien van de commandant en de schipper van overeenkomstige toepassing.

Artikel 540

De gezagvoerder van een luchtvaartuig kan op de voet van artikel 9, eerste lid, van het Verdrag inzake strafbare feiten en bepaalde andere handelingen begaan aan boord van luchtvaartuigen (Trb. 1964, 115 en 164) aan de bevoegde autoriteiten van een vreemde staat overdragen iedere inzittende van het luchtvaartuig, van wie hij redelijkerwijze vermoedt, dat deze aan boord een misdrijf heeft begaan, waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld.

Artikel 541

  1. De schipper geeft onverwijld en op de snelst mogelijke wijze kennis aan de officier van justitie van elk misdrijf aan boord begaan, waardoor de veiligheid van het vaartuig of van de opvarenden in gevaar is gebracht of waardoor iemands dood of zwaar lichamelijk letsel is veroorzaakt.

  2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder vaartuig begrepen een installatie ter zee en wordt onder een misdrijf, aan boord begaan, begrepen een misdrijf, begaan op zulk een installatie.

  3. Artikel 522, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 542

  1. De schipper zorgt dat aan boord een register van strafbare feiten aanwezig is, blad voor blad genummerd en gewaarmerkt door een ambtenaar, te wiens overstaan de monstering geschiedt.Voor het waarmerken worden geen kosten in rekening gebracht.

  2. Hij zorgt dat in het register onverwijld wordt vermeld:

    1. elk te zijner kennis gekomen misdrijf als bedoeld in artikel 541;

    2. elk strafbaar feit ten aanzien waarvan hij van een bevoegdheid als bedoeld in artikel 522, eerste lid, gebruik heeft gemaakt;

    3. elk strafbaar feit, aan boord van zijn schip of door een opvarende begaan, waarvan door een opvarende vermelding in het register wordt verlangd of waarvan hij zelf de vermelding wenselijk acht.

  3. Bij toepassing van het tweede lid worden vermeld: de plaats waar en het tijdstip waarop het feit is begaan, de personalia en nationaliteit van de verdachte en van de getuigen, alsmede de maatregelen ingevolge de bepalingen van deze titel genomen door de schipper of op zijn aanwijzing door de scheepsofficier.

  4. De vermeldingen worden gedagtekend en door de schipper ondertekend.

  5. De schipper doet het register viseren door de daartoe bevoegde ambtenaar. Onze Minister van Justitie kan terzake nadere regels stellen.

    De schipper geeft het register op eerste vordering van een opsporingsambtenaar aan deze ter inzage.

Artikel 543

  1. De schipper geeft aan de ambtenaar, die krachtens enige wettelijke bepaling toegang heeft tot zijn vaartuig, op diens eerste vordering gelegenheid zich aan of van boord te begeven.

  2. De ambtenaar is in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening niet onderworpen aan het gezag van de schipper over de opvarenden.

Artikel 544

De bepalingen van het Derde Boek zijn op deze titel van toepassing, voor zover daarin niet uitdrukkelijk anders is bepaald.

Artikel 545

In het geval van ontdekking op heterdaad van enig strafbaar feit, waardoor de openbare orde ernstig is aangerand en ter zake waarvan voorlopige hechtenis niet is toegelaten, kunnen de maatregelen in de navolgende bepalingen omschreven, worden toegepast, indien tegen de verdachte gewichtige bezwaren bestaan en er groot gevaar is voor herhaling of voortzetting van dat feit.

Artikel 546

  1. De officier van justitie is bevoegd de verdachte te doen aanhouden, en hem onverwijld te doen geleiden voor de rechter-commissaris.

  2. De officier van justitie is eveneens bevoegd getuigen, deskundigen en tolken te doen oproepen om te verschijnen voor de rechter-commissaris. De oproeping kan ook mondeling door een deurwaarder of schriftelijk door een ambtenaar van politie geschieden; de officier kan ook zelf mondeling oproepen.

  3. De verdachte wordt met het oog op het onderzoek op last van de officier van justitie op een door hem aan te wijzen plaats opgehouden, gedurende ten hoogste acht dagen.

Artikel 547

  1. De officier van justitie is bij het onderzoek door de rechter-commissaris tegenwoordig en doet, na de zaak te hebben voorgedragen, de vorderingen die hij in verband met de bepalingen van deze titel nodig oordeelt.

  2. De rechter-commissaris onderzoekt aanstonds de zaak. Het onderzoek geldt als een gerechtelijk vooronderzoek en wordt overeenkomstig de bepalingen van de tweede tot en met de zevende afdeling van de Derde Titel van het Vierde Boek gevoerd.

  3. De rechter-commissaris is bevoegd, zo nodig onder bijvoeging van een bevel tot medebrenging, te gelasten dat door de officier van justitie of de verdachte aangewezen getuigen, deskundigen en tolken voor hem zullen verschijnen. De oproeping geschiedt overeenkomstig het tweede lid van artikel 546.

  4. In dat geval kan de rechter-commissaris het onderzoek voor ten hoogste vierentwintig uren schorsen.

Artikel 548

  1. Indien de rechter-commissaris geen termen aanwezig acht tot toepassing van enige maatregel op grond van artikel 545, beveelt hij de onmiddellijke invrijheidstelling van de verdachte.

  2. In het andere geval geeft de rechter-commissaris op de vordering van de officier van justitie de verdachte voor een bepaalde termijn de nodige bevelen ter voorkoming van herhaling of voortzetting van het feit en vordert van hem een bereidverklaring tot nakoming van die bevelen. De termijn eindigt van rechtswege op het tijdstip dat het ter zake van het strafbare feit gewezen vonnis in kracht van gewijsde is gegaan, of, indien daarbij straf of maatregel is opgelegd, zodra het vonnis kan worden tenuitvoergelegd.

  3. De bevelen mogen de godsdienstige of staatkundige vrijheid niet beperken.

Artikel 549

Indien de bereidverklaring wordt afgelegd, beveelt de rechter-commissaris de onmiddellijke invrijheidstelling van de verdachte.

Artikel 550

  1. Indien de bereidverklaring niet wordt afgelegd, beveelt de rechter-commissaris dat de ophouding van de verdachte zal voortduren.

  2. De ophouding is van kracht gedurende een in het bevel te bepalen termijn van ten hoogste vijf dagen welke ingaat op de dag van de tenuitvoerlegging. Artikel 102, eerste lid, is van overeenkomstige toepassing. Het bevel tot ophouding is dadelijk uitvoerbaar.

  3. Op de vordering van de officier van justitie kan het bevel tot ophouding door de rechter-commissaris eenmaal met ten hoogste vijf dagen worden verlengd. De verdachte wordt in de gelegenheid gesteld op de vordering te worden gehoord.

  4. De rechter-commissaris beslist met inachtneming van het eerste lid, zomede van de artikelen 548 en 549.

  5. De verdachte kan van het bevel tot ophouding binnen drie dagen na de tenuitvoerlegging in hoger beroep komen bij het Hof van Justitie dat beslist, na de verdachte te hebben gehoord.

Artikel 551

  1. Zodra het grote gevaar voor herhaling of voortzetting van het feit is geweken, beveelt de officier van justitie de onmiddellijke invrijheidstelling van de verdachte.

  2. De rechter-commissaris kan te allen tijde, hetzij ambtshalve, hetzij op de vordering van de officier van justitie of op het verzoek van de verdachte, de invrijheidstelling van de verdachte bevelen. Artikel 549 is van toepassing.

  3. Het Hof van Justitie kan, ambtshalve of op het verzoek van de verdachte, het bevel tot ophouding opheffen. Artikel 103, tweede lid, is van toepassing.

  4. Het bevel kan mede worden opgeheven bij de uitspraak van het vonnis ter zake van het in artikel 545 bedoelde feit gewezen. De opheffing wordt daarbij steeds bevolen, indien straf of maatregel ter zake van dat feit niet wordt opgelegd.

Artikel 552

  1. Indien de verdachte de hem gegeven bevelen niet nakomt, is iedere opsporingsambtenaar bevoegd hem aan te houden en onverwijld opnieuw te geleiden voor de officier van justitie. De opsporingsambtenaar kan, ter aanhouding van de verdachte, elke plaats betreden. De artikelen 155 tot en met 164 zijn van toepassing.

  2. In dit geval of indien de verdachte niet kon worden aangehouden, vordert de officier van justitie onverwijld dat de rechter-commissaris ter zake een onderzoek zal instellen. Deze geeft daaraan zo spoedig mogelijk gevolg.

  3. Ten aanzien van het onderzoek en het oproepen van getuigen gelden de voorgaande bepalingen van deze titel.

Artikel 553

  1. Indien de rechter-commissaris op grond van het onderzoek, bedoeld in artikel 552, daartoe termen aanwezig acht, beveelt hij de onmiddellijke invrijheidstelling van de verdachte.

  2. In het andere geval beveelt de rechter-commissaris, indien de verdachte zich aan overtreding van de hem gegeven bevelen heeft schuldig gemaakt, dat deze op een door hem aangewezen plaats zal worden opgehouden. De artikelen 550, tweede, derde en vijfde lid, en 551, met uitzondering van de tweede volzin van het tweede lid, zijn van toepassing.

Artikel 554

Tegen de beslissing tot afwijzing van een door de officier van justitie krachtens de bepalingen van deze titel genomen vordering staat geen beroep open.

Artikel 555

  1. De navolgende artikelen van deze titel zijn van toepassing op verzoeken om rechtshulp door autoriteiten van een vreemde staat in verband met een strafzaak gedaan, en gericht tot een al dan niet met name aangeduid orgaan van de justitie of de politie van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, voor zover in de afdoening niet is voorzien in het bepaalde bij of krachtens andere wettelijke regelingen.

  2. Als verzoeken om rechtshulp worden aangemerkt verzoeken tot het verrichten van handelingen van onderzoek of het verlenen van medewerking daaraan, het toezenden van documenten, dossiers of stukken van overtuiging of het geven van inlichtingen, dan wel het betekenen of uitreiken van stukken of het doen van aanzeggingen of mededelingen aan derden.

Artikel 556

  1. Het verzoek wordt, zo het niet tot een officier van justitie is gericht, door de geadresseerde onverwijld doorgezonden aan de officier van justitie.

  2. Indien uitsluitend om inlichtingen is gevraagd en voor het verkrijgen daarvan geen opsporingshandelingen nodig zijn, kan de doorzending achterwege blijven.

  3. Het tweede lid is niet van toepassing in de door Onze Minister van Justitie te bepalen gevallen.

Artikel 557

De officier van justitie die het verzoek heeft ontvangen, beslist onverwijld omtrent het daaraan te geven gevolg.

Artikel 558

  1. Voor zover het verzoek is gegrond op een verdrag, wordt daaraan zoveel mogelijk het verlangde gevolg gegeven.

  2. In gevallen waarin het betreft een redelijk verzoek dat niet op een verdrag is gegrond, alsmede in gevallen waarin het toepasselijke verdrag niet tot inwilliging verplicht, wordt aan het verzoek voldaan, tenzij de inwilliging in strijd is met een wettelijk voorschrift of met een aanwijzing van Onze Minister van Justitie.

Artikel 559

  1. Aan het verzoek wordt geen gevolg gegeven:

    1. in gevallen waarin de verzoekende staat naar de regels van het volkenrecht rechtsmacht over de verdachte ontbeert;

    2. voor zover de verdachte op een met het volkenrecht strijdige wijze of anderszins onrechtmatige wijze het grondgebied van de verzoekende staat binnen is gebracht of gelokt, dan wel is gearresteerd en zijn vrijheid is ontnomen;

    3. voor zover het vermoeden bestaat dat het is gedaan ten behoeve van een onderzoek, ingesteld met het oogmerk de verdachte te vervolgen, te straffen of op andere wijze te treffen in verband met zijn godsdienstige of staatkundige overtuiging, zijn nationaliteit, zijn ras of de groep van de bevolking waartoe hij behoort;

    4. voor zover inwilliging zou strekken tot het verlenen van medewerking aan een vervolging of berechting die onverenigbaar is met het aan artikel 70 van het Wetboek van Strafrecht BES en artikel 282, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering ten grondslag liggende beginsel;

    5. voor zover het is gedaan ten behoeve van een onderzoek naar feiten ter zake waarvan de verdachte in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba wordt vervolgd.

  2. In gevallen waarin er grond bestaat om aan te nemen dat een situatie als bedoeld in onderdeel a of b van het eerste lid zich ter zake van het verzoek heeft voorgedaan, wordt het verzoek voorgelegd aan Onze Ministers van Buitenlandse Zaken en van Justitie. Een afwijzende beslissing op het verzoek wordt langs diplomatieke weg ter kennis van de autoriteiten van de verzoekende staat gebracht.

  3. In gevallen waarin grond bestaat voor een vermoeden als bedoeld in onderdeel c van het eerste lid wordt het verzoek voorgelegd aan Onze Minister van Justitie.

Artikel 560

  1. Aan verzoeken ten behoeve van een onderzoek naar strafbare feiten van politieke aard, of daarmee verband houdende feiten, wordt niet voldaan dan krachtens een machtiging van Onze Minister van Justitie. Die machtiging kan alleen worden gegeven voor verzoeken die op een verdrag zijn gegrond en slechts na overleg met Onze Minister van Buitenlandse Zaken. De beslissing op het verzoek wordt langs diplomatieke weg ter kennis van de autoriteiten van de verzoekende staat gebracht.

  2. Aan verzoeken, die zijn gedaan ten behoeve van onderzoek naar strafbare feiten met betrekking tot retributies, belastingen, douane, deviezen, of daarmee verband houdende feiten, en waarvan de inwilliging van belang kan zijn voor ’s Rijks belastingdienst, dan wel aan verzoeken betrekking hebbende op gegevens welke onder ’s Rijks belastingdienst berusten of aan ambtenaren van deze dienst in de uitoefening van hun bediening bekend zijn geworden, wordt niet voldaan dan krachtens machtiging van Onze Minister van Justitie. Die machtiging kan alleen worden gegeven voor verzoeken die op een verdrag zijn gegrond en slechts na overleg met Onze Minister van Financiën.

Artikel 561

  1. De officier van justitie stelt een voor inwilliging vatbaar en op een verdrag gegrond verzoek van een buitenlandse rechterlijke autoriteit in handen van de rechter-commissaris:

    1. indien het strekt tot het horen of verhoren van personen die niet bereid zijn vrijwillig te verschijnen en de gevraagde verklaring af te leggen;

    2. indien uitdrukkelijk is gevraagd om een beëdigde verklaring, of om een verklaring afgelegd ten overstaan van een rechter;

    3. indien het met het oog op het verlangde gevolg nodig is, dat andere dan openbare plaatsen zonder de uitdrukkelijke toestemming van de rechthebbende worden betreden, of dat stukken van overtuiging in beslag worden genomen.

  2. In andere dan de in het eerste lid voorziene gevallen kan de officier van justitie het verzoek van een buitenlandse rechterlijke autoriteit in handen van de rechter-commissaris stellen.

  3. De overlegging van het verzoek geschiedt bij een schriftelijke vordering, waarin wordt omschreven welke verrichtingen van de rechter-commissaris worden verlangd.

  4. De in het derde lid bedoelde vordering kan te allen tijde worden ingetrokken.

Artikel 562

  1. Voor zover de in artikel 561, derde lid, bedoelde vordering is gedaan met het oog op de voldoening aan een voor inwilliging vatbaar en op een verdrag gegrond verzoek van een buitenlandse rechterlijke autoriteit, heeft zij dezelfde rechtsgevolgen als een vordering tot het instellen van een gerechtelijk vooronderzoek, wat betreft:

    1. de bevoegdheden van de rechter-commissaris ten aanzien van de door hem te verhoren verdachten, getuigen en deskundigen, alsmede die tot het betreden van plaatsen, het verrichten van huiszoeking en het in beslag nemen van stukken van overtuiging ;

    2. de bevoegdheden van de officier van justitie;

    3. de rechten en verplichtingen van de door de rechter-commissaris te horen of te verhoren personen;

    4. bijstand van een raadsman;

    5. de verrichtingen van de griffier.

  2. Vatbaar voor inbeslagneming, overeenkomstig het eerste lid, zijn stukken van overtuiging die daarvoor vatbaar zouden zijn, indien het feit in verband waarmee de rechtshulp is gevraagd, in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba was begaan en dat feit aanleiding kan geven tot uitlevering aan de verzoekende staat.

  3. [vervallen]

  4. Tenzij een verdrag anders bepaalt, kan ter voldoening aan een verzoek om rechtshulp, anders dan overeenkomstig het eerste en tweede lid, geen gebruik van dwangmiddelen worden gemaakt.

Artikel 563

  1. De rechter-commissaris doet het verzoek, na bijvoeging van de processen-verbaal van de door hem afgenomen verhoren en van die van zijn verdere verrichtingen, zo spoedig mogelijk teruggaan naar de officier van justitie.

  2. De door de rechter-commissaris inbeslaggenomen stukken van overtuiging worden ter beschikking van de officier van justitie gesteld, voor zover het Hof, met inachtneming van het toepasselijke verdrag, daartoe verlof verleent.

  3. Tenzij aannemelijk is dat de rechthebbenden op de inbeslaggenomen stukken van overtuiging niet in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba verblijf houden, wordt het krachtens het tweede lid vereiste verlof slechts verleend onder het voorbehoud, dat bij de afgifte aan de buitenlandse autoriteiten wordt bedongen, dat de stukken zullen worden teruggezonden zodra daarvan het voor de strafvordering nodige gebruik is gemaakt.

  4. Het bepaalde bij en krachtens de artikelen 141 tot en met 145, 150, en 152 tot en met 154 is van overeenkomstige toepassing. In de plaats van het volgens die artikelen bevoegde gerecht treedt het Hof op.

Artikel 563a

  1. De rechter-commissaris kan, op vordering van de officier van justitie uitvoering geven aan een verzoek tot verhoor per videoconferentie door bevoegde buitenlandse autoriteiten, onder zijn leiding, van een getuige of deskundige. Indien een toepasselijk verdrag daarin voorziet kan tevens uitvoering worden gegeven aan een verzoek om, in het kader van de opsporing en vervolging van strafbare feiten, een verdachte per videoconferentie te verhoren.

  2. Tenzij een toepasselijk verdrag anders bepaalt, zijn de bepalingen in dit wetboek inzake een verzoek tot verhoor van een verdachte, getuige of deskundige door de rechter-commissaris van overeenkomstige toepassing op de uitvoering van het verzoek tot verhoor per videoconferentie.

Artikel 564

Indien bij de inwilliging van een verzoek om rechtshulp de medewerking van buitenlandse ambtenaren van justitie en politie op het eigen grondgebied wordt toegestaan, geschiedt hun optreden onder de feitelijke leiding en de verantwoordelijkheid van de daartoe bevoegde autoriteiten. Het stellen van vragen aan de verdachte of een getuige door buitenlandse ambtenaren geschiedt in aanwezigheid van de rechter-commissaris en op de wijze, door hem te bepalen.

Artikel 565

  1. Het betekenen en uitreiken van stukken aan derden, ter voldoening aan een verzoek om rechtshulp, geschiedt met overeenkomstige toepassing van de wettelijke voorschriften betreffende het betekenen en uitreiken van stukken van vergelijkbare strekking in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba.

  2. Is bij een voor inwilliging vatbaar verzoek uitdrukkelijk de voorkeur gegeven aan betekening of uitreiking aan de geadresseerde in persoon, dan wordt zoveel mogelijk dienovereenkomstig gehandeld.

Artikel 566

  1. Wanneer het onderzoek, dat na de landing van een vreemd luchtvaartuig op Bonaire, Sint Eustatius en Saba ingevolge artikel 13, vierde lid, van het Verdrag inzake strafbare feiten en bepaalde andere handelingen begaan aan boord van luchtvaartuigen (Trb. 1964, 115 en 164) moet worden ingesteld naar hetgeen aan boord van het luchtvaartuig is voorgevallen, betrekking heeft op een feit ten aanzien waarvan de strafwet van Bonaire, Sint Eustatius en Saba niet toepasselijk is, wordt het ingesteld overeenkomstig de bepalingen die gelden voor een opsporingsonderzoek met betrekking tot een strafbaar feit waarvoor geen voorlopige hechtenis is toegelaten.Voor de toepassing van artikel 11, eerste lid, wordt het feit geacht te zijn begaan ter plaatse waar het luchtvaartuig is geland.

  2. De opsporingsambtenaren die het onderzoek verrichten, kunnen behalve de in artikel 119 bedoelde voorwerpen in beslag nemen de voorwerpen, die de gezagvoerder van het vreemde luchtvaartuig ingevolge artikel 9, derde lid, van het Verdrag na de landing overlevert.

  3. Het bepaalde bij en krachtens de artikelen 141 tot en met 145, 150, en 152 tot en met 154 is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 567

  1. In gevallen waarin grond bestaat voor het vermoeden, dat de handeling van een inzittende van een luchtvaartuig, naar aanleiding waarvan deze na de landing van het luchtvaartuig op Bonaire, Sint Eustatius of Saba ingevolge artikel 9, eerste lid, van het Verdrag is overgedragen, een overtreding vormt van een strafbepaling die op discriminatie naar ras of godsdienst berust, wordt geen onderzoek ingesteld.

  2. In gevallen waarin grond bestaat voor het vermoeden, dat de in het vorige lid bedoelde handeling een overtreding vormt van een strafbepaling van politieke aard, wordt geen onderzoek ingesteld dan krachtens een machtiging van Onze Minister van Justitie en slechts na overleg met Onze Minister van Buitenlandse Zaken.

Artikel 568

In deze titel wordt verstaan onder:

  1. Onze Minister: Onze Minister van Justitie;

  2. rechterlijke beslissing: een bij vonnis of arrest gewezen rechterlijke beslissing naar aanleiding van een strafbaar feit;

  3. sanctie: een bij rechterlijke beslissing opgelegde vrijheidsstraf, met inbegrip van een naast of in plaats van een zodanige straf opgelegde vrijheidsbenemende maatregel;

  4. veroordeelde: degene aan wie een sanctie is opgelegd.

Artikel 569

Tenuitvoerlegging in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba van buitenlandse rechterlijke beslissingen geschiedt niet dan krachtens een verdrag.

Artikel 570

  1. Een in een vreemde staat opgelegde sanctie kan in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba slechts worden tenuitvoergelegd voor zover:

    1. de rechterlijke beslissing in die staat voor tenuitvoerlegging vatbaar is;

    2. de rechterlijke beslissing is gewezen ter zake van een feit dat naar het recht van Bonaire, Sint Eustatius en Saba eveneens strafbaar is;

    3. in geval van veroordeling, de dader naar het recht van Bonaire, Sint Eustatius en Saba eveneens strafbaar zou zijn geweest.

  2. Voor de toepassing van het eerste lid is er tevens sprake van een feit dat naar het recht van Bonaire, Sint Eustatius en Saba strafbaar is, indien krachtens de wet eenzelfde inbreuk op de rechtsorde van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, als blijkens de in de vreemde staat gewezen rechterlijke beslissing op de rechtsorde van die staat is gemaakt, strafbaar is.

Artikel 571

Een in een vreemde staat opgelegde sanctie kan in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba niet worden ten uitvoer gelegd, indien deze betrekking heeft op een vreemdeling die geen vaste woon- of verblijfplaats in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba heeft, of op een rechtspersoon waarvan het bestuur geen zitting of kantoor houdt in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, of waarvan het hoofd van het bestuur geen vaste woonplaats in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba heeft. Deze voorwaarde is niet van toepassing voor zover de in de vreemde staat opgelegde sanctie strekt tot de betaling van een geldboete of tot een verbeurdverklaring of vermogensontneming van vergelijkbare strekking.

Artikel 572

Een in een vreemde staat opgelegde sanctie kan in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba niet worden ten uitvoer gelegd, indien naar het oordeel van Onze Minister een gegrond vermoeden bestaat dat de beslissing tot vervolging of de oplegging van de sanctie is ingegeven door overwegingen van ras, godsdienst, nationaliteit of politieke overtuiging van de veroordeelde of deswege ongunstig is beïnvloed. Onze Minister doet zijn oordeel kenbaar maken aan de autoriteiten van die vreemde staat.

Artikel 573

  1. Een in een vreemde staat opgelegde sanctie kan in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba niet worden ten uitvoer gelegd, indien het recht tot uitvoering van de sanctie naar het recht van Bonaire, Sint Eustatius en Saba zou zijn verjaard.

  2. Een in een vreemde staat opgelegde sanctie kan in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba niet worden ten uitvoer gelegd, indien de veroordeelde ten tijde van het feit waarvoor de sanctie werd opgelegd, de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt.

Artikel 574

  1. Een in een vreemde staat opgelegde sanctie kan in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba niet worden ten uitvoer gelegd, voor zover de veroordeelde ter zake van hetzelfde feit in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba wordt vervolgd.

  2. Een in een vreemde staat opgelegde sanctie kan in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba evenmin worden ten uitvoer gelegd, voor zover een vervolging in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba onverenigbaar zou zijn met het aan artikel 70 van het Wetboek van Strafrecht BES en artikel 282, eerste lid, van dit Wetboek ten grondslag liggende beginsel.

Artikel 575

Voor zover een verdrag daarin voorziet, kan de veroordeelde die zich in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba bevindt en aan wie een tot vrijheidsontneming strekkende sanctie is opgelegd, waarvan blijkens de in de vreemde staat uitgesproken rechterlijke beslissing nog ten minste zes maanden moeten worden ten uitvoer gelegd, voorlopig worden aangehouden, indien gegronde redenen bestaan voor de verwachting dat op korte termijn deze sanctie in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba zal worden ten uitvoer gelegd.

Artikel 576

  1. De procureur-generaal is bevoegd de voorlopige aanhouding overeenkomstig artikel 575 te bevelen.

  2. De veroordeelde wordt na zijn voorlopige aanhouding binnen vierentwintig uur voor de procureur-generaal geleid.

  3. De procureur-generaal kan, na de veroordeelde te hebben gehoord, bevelen dat hem gedurende achtenveertig uur, te rekenen van het tijdstip van de voorlopige aanhouding, voorlopig verder zijn vrijheid wordt ontnomen.

  4. Deze termijn kan door de procureur-generaal eenmaal met achtenveertig uur worden verlengd.

  5. De veroordeelde kan te allen tijde door de procureur-generaal in vrijheid worden gesteld.

Artikel 577

  1. De rechter-commissaris kan op de vordering van de procureur-generaal bevelen, dat de voorlopige vrijheidsontneming van de veroordeelde wordt verlengd.

  2. Alvorens een bevel ingevolge het vorige lid te geven, hoort de rechter-commissaris zo mogelijk de veroordeelde.

Artikel 578

  1. De verlenging kan worden gelast voor een termijn van ten hoogste veertien dagen. De voorlopige vrijheidsontneming kan op de vordering van de procureur-generaal telkens met een termijn van ten hoogste dertig dagen verder worden verlengd, totdat het Hof ingevolge artikel 589, tweede lid, over de gevangenhouding beslist.

  2. De veroordeelde wiens voorlopige vrijheidsontneming is gelast wordt, behoudens de mogelijkheid van vrijheidsontneming uit anderen hoofde, in vrijheid gesteld:

    1. zodra dit door het Hof, de rechter-commissaris of de procureur-generaal ambtshalve of op het verzoek van de veroordeelde of diens advocaat wordt gelast;

    2. zodra de voorlopige vrijheidsontneming veertien dagen heeft geduurd en de procureur-generaal de in de artikelen 581 of 582 bedoelde stukken niet heeft ontvangen;

    3. indien de duur van de voorlopige vrijheidsontneming die van het voor tenuitvoerlegging vatbare gedeelte van de in de vreemde staat opgelegde sanctie zou overtreffen.

  3. De in het tweede lid, onderdeel b, genoemde termijn loopt niet gedurende de tijd dat de veroordeelde zich aan de verdere tenuitvoerlegging van de gelaste vrijheidsontneming heeft onttrokken.

Artikel 579

Van elke beslissing naar aanleiding van een verzoek van een autoriteit van een vreemde staat, genomen krachtens een van de artikelen 575 tot en met 578, wordt onverwijld door of door tussenkomst van de procureur-generaal kennis gegeven aan Onze Minister.

Artikel 579a

  1. Naar aanleiding van een op een verdrag gegrond verzoek van een vreemde staat kan in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba een strafrechtelijk financieel onderzoek worden ingesteld, overeenkomstig de bepalingen van Titel XVI van het derde Boek, gericht op de bepaling van hier te lande aanwezig of verworven wederrechtelijk verkregen voordeel door een persoon die in de verzoekende staat aan strafrechtelijk onderzoek is onderworpen.

  2. Het strafrechtelijk financieel onderzoek kan slechts worden ingesteld, indien zulks ook mogelijk zou zijn geweest wanneer het feit of de feiten ter zake waarvan de persoon in de verzoekende staat wordt verdacht in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba zouden zijn begaan.

  3. Tijdens het strafrechtelijk financieel onderzoek kan inbeslagneming van voorwerpen overeenkomstig artikel 119, tweede lid, en artikel 119a, tweede lid, slechts plaatsvinden, indien gegronde redenen bestaan voor de verwachting dat ten aanzien van die voorwerpen vanwege de verzoekende vreemde staat een verzoek tot tenuitvoerlegging van een verbeurdverklaring of van een tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel strekkende sanctie zal worden gedaan.

  4. De officier van justitie zendt van zijn beschikking tot sluiting van een strafrechtelijk financieel onderzoek onverwijld een afschrift door tussenkomst van de procureur-generaal aan Onze Minister. Daarbij doet hij tevens mededeling van alle voor de verzoekende vreemde staat dienstige inlichtingen.

Artikel 579b

  1. Voor zover een verdrag daarin voorziet kunnen op verzoek van een vreemde staat voorwerpen in beslag worden genomen:

    1. ten aanzien waarvan naar het recht van de vreemde staat een tot verbeurdverklaring strekkende sanctie kan worden opgelegd;

    2. tot bewaring van het recht tot verhaal voor een tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel strekkende verplichting tot betaling van een geldbedrag welke naar het recht van de vreemde staat kan worden opgelegd; of

    3. die kunnen dienen om wederrechtelijk verkregen voordeel aan te tonen.

  2. Inbeslagneming, als bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en b, kan slechts plaatsvinden, indien blijkens de door de vreemde staat bij zijn verzoek verstrekte inlichtingen, door de bevoegde autoriteiten van die staat een bevel tot inbeslagneming is gegeven of zou zijn gegeven, indien de desbetreffende voorwerpen zich binnen zijn grondgebied zouden bevinden, en inbeslagneming naar het recht van Bonaire, Sint Eustatius en Saba is toegestaan.

  3. Voor de toepassing van het tweede lid is inbeslagneming naar het recht van Bonaire, Sint Eustatius en Saba toegestaan, indien zulks ook mogelijk zou zijn geweest wanneer het feit of de feiten naar aanleiding waarvan de inbeslagneming door de vreemde staat wordt verzocht in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba zou of zouden zijn begaan.

  4. Inbeslagneming van voorwerpen, als bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en b, kan voorts slechts plaatsvinden, indien gegronde redenen bestaan voor de verwachting dat ten aanzien van die voorwerpen vanwege de verzoekende vreemde staat een verzoek tot tenuitvoerlegging van een verbeurdverklaring of van een tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel strekkende sanctie zal worden gedaan.

Artikel 579c

  1. Voor zover een verdrag daarin voorziet kunnen voorwerpen, ten aanzien waarvan door een rechter van een vreemde staat een bevel is gegeven van vergelijkbare strekking als verbeurdverklaring of ontneming als wederrechtelijk verkregen voordeel, op verzoek van de vreemde staat in beslag worden genomen.

  2. Inbeslagneming overeenkomstig het eerste lid kan slechts plaatsvinden in gevallen, waarin gegronde redenen bestaan voor de verwachting dat het in dat lid bedoelde bevel op korte termijn in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba zal worden tenuitvoergelegd.

Artikel 579d

  1. Tot inbeslagneming als bedoeld in de artikelen 579b en 579c zijn bevoegd de rechter-commissaris en, voor zover die bevoegdheden niet aan de rechter-commissaris is voorbehouden, de procureur-generaal. Op vordering van de procureur-generaal kan de rechter-commissaris de bevoegdheden uitoefenen, die hem uit hoofde van een gerechtelijk vooronderzoek toekomen.

  2. Ten aanzien van het eerste lid zijn de artikelen 119b tot en met 119d, 122, 125 tot en met 145, 150, 152, 153, 154a en 608* van overeenkomstige toepassing.

Artikel 579e

  1. Bij de overeenkomstige toepassing van de artikelen 150 onderscheidenlijk 154a treedt de rechter niet in een nieuw onderzoek naar de rechten van belanghebbenden, indien daaromtrent door de buitenlandse rechter een uitspraak is gedaan. De rechter kan echter wel in een dergelijk nieuw onderzoek treden, indien:

    1. die uitspraak betrekking heeft op rechten ter zake van in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba gelegen onroerende goederen of in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba te boek gestelde zeeschepen en luchtvaartuigen;

    2. die uitspraak betreft de geldigheid, de nietigheid of de ontbinding van in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba gevestigde rechtspersonen of de besluiten van hun organen;

    3. die uitspraak is gedaan, zonder dat de belanghebbende tegen wie verstek werd verleend, zo tijdig tevoren, als met het oog op zijn verdediging redelijkerwijs nodig was van het geding officieel in kennis was gesteld;

    4. die uitspraak onverenigbaar is met een ter zake eerder in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba gewezen rechterlijke beslissing;

    5. erkenning van die uitspraak onverenigbaar zou zijn met de openbare orde van Bonaire, Sint Eustatius en Saba.

  2. Zolang ter zake van de rechten van een belanghebbende een procedure voor de rechter van de verzoekende vreemde staat aanhangig is, is deze in zijn klaagschrift of vordering niet ontvankelijk.

Artikel 579f

  1. Tot het in behandeling nemen van verzoeken als bedoeld in de artikelen 579a tot en met 579c, is bevoegd de procureur-generaal.

    Verzoeken als bedoeld in het eerste lid worden, zo zij niet tot de procureur-generaal zijn gericht, door de geadresseerde onverwijld aan hem doorgezonden.

    Klaagschriften als bedoeld in artikel 150, alsmede rechtsgedingen als bedoeld in artikel 154a, dienen in eerste en laatste instantie te worden aanhangig gemaakt bij Hof.

Artikel 580

Indien de door de vreemde staat overgelegde stukken naar het oordeel van Onze Minister onvoldoende zijn om op een verzoek tot tenuitvoerlegging een beslissing te nemen, biedt hij de autoriteiten van de verzoekende staat de gelegenheid binnen een door hem te stellen redelijke termijn aanvullende stukken of inlichtingen te verschaffen.

Artikel 581

  1. Tenzij Onze Minister reeds aanstonds van oordeel is dat het verzoek om tenuitvoerlegging moet worden afgewezen, stelt hij het met de daarbij behorende stukken in handen van de procureur-generaal.

  2. Indien de procureur-generaal van oordeel is dat het verzoek niet voor inwilliging vatbaar is of dat aanleiding bestaat gebruik te maken van een van de in het toepasselijke verdrag omschreven gronden tot weigering van de tenuitvoerlegging, brengt hij dit oordeel onverwijld vergezeld van zijn advies ter kennis van Onze Minister, die daaromtrent beslist. De procureur-generaal deelt de veroordeelde die krachtens deze titel voorlopig zijn vrijheid is ontnomen, onverwijld mee op welke dag hij zijn advies aan Onze Minister heeft uitgebracht.

Artikel 582

Wanneer een vreemde staat heeft bewilligd in de tenuitvoerlegging van een door deze opgelegde sanctie in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, stelt Onze Minister de door de autoriteiten van die staat overgelegde stukken in handen van de procureur-generaal.

Artikel 583

  1. De procureur-generaal vordert binnen twee weken na de dag waarop hij de in artikel 581 of 582 bedoelde stukken heeft ontvangen, schriftelijk, dat het Hof verlof verleent tot tenuitvoerlegging. Bij zijn vordering legt de procureur-generaal de stukken aan het Hof over. Een afschrift van de vordering wordt aan de veroordeelde betekend. Bij zijn vordering legt de procureur-generaal tevens een lijst van voorwerpen of vorderingen over, die ingevolge de artikelen 579a tot en met 579e, in beslag zijn genomen.

  2. De in het eerste lid gestelde termijn wordt geschorst van het tijdstip waarop de procureur-generaal overeenkomstig artikel 581, tweede lid, adviseert aan Onze Minister tot het tijdstip waarop de procureur-generaal van Onze Minister bericht ontvangt dat de tenuitvoerlegging dient te worden gevorderd.

  3. Indien de veroordeelde ingevolge deze titel voorlopig zijn vrijheid is ontnomen, eindigt de schorsing in ieder geval na veertien dagen.

  4. Het eerste tot en met het derde lid bepaalde is niet van toepassing, indien de ten uitvoer te leggen sanctie uitsluitend bestaat uit een geldboete.

  5. De artikelen 197 en 486 zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 584

  1. Zo spoedig mogelijk na ontvangst van de in artikel 583 bedoelde vordering bepaalt de voorzitter van het Hof het tijdstip waarop het Hof een aanvang zal maken met de behandeling van de vordering. Tussen de dag waarop de mededeling om ter terechtzitting te verschijnen aan de veroordeelde is betekend en die van de terechtzitting moet een termijn van ten minste tien dagen verlopen.

  2. Met toestemming van de veroordeelde kan deze termijn worden verkort, mits van deze toestemming uit een schriftelijke verklaring blijkt.

Artikel 585

De griffier van het Hof doet onverwijld aan de procureur-generaal en aan de veroordeelde mededeling van het tijdstip dat voor de behandeling van de vordering is bepaald. Daarbij wordt de veroordeelde, van wie niet blijkt dat hij reeds een advocaat heeft, opmerkzaam gemaakt op zijn bevoegdheid een of meer advocaten te kiezen en op de mogelijkheden tot toevoeging van een advocaat, alsmede op zijn recht op kennisneming van de processtukken.

Artikel 586

  1. De procureur-generaal en de veroordeelde zijn bevoegd ten behoeve van het onderzoek dat het Hof ingevolge deze titel heeft te verrichten en de beslissingen die het heeft te nemen, getuigen en deskundigen te doen dagvaarden.

  2. De procureur-generaal kan bij met redenen omklede beslissing weigeren getuigen of deskundigen te dagvaarden, indien redelijkerwijze moet worden aangenomen dat deze door de veroordeelde zijn opgegeven ten einde ter terechtzitting verklaringen af te leggen ter betwisting van feiten als bedoeld in artikel 588, derde lid. De beslissing wordt onverwijld schriftelijk ter kennis van de veroordeelde gebracht. Hij wordt daarbij opmerkzaam gemaakt op het bepaalde in artikel 588, zesde lid.

Artikel 587

  1. De behandeling van de vordering heeft plaats in tegenwoordigheid van de procureur-generaal. De veroordeelde wordt in de gelegenheid gesteld daarbij aanwezig te zijn en kan zich door zijn advocaat doen bijstaan.

  2. De behandeling van de vordering geschiedt in het openbaar, tenzij het Hof op het verzoek van de veroordeelde of om gewichtige, in het proces-verbaal van de zitting te vermelden, redenen sluiting van de deuren beveelt.

Artikel 588

  1. Het Hof onderzoekt de identiteit van de veroordeelde, de ontvankelijkheid van de procureur-generaal, alsmede de mogelijkheid van tenuitvoerlegging in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba van de in het buitenland gewezen rechterlijke beslissing en de feiten en omstandigheden die voor zijn beslissing van belang zijn.

  2. De procureur-generaal en de veroordeelde en diens advocaat worden in de gelegenheid gesteld ter terechtzitting van het Hof te worden gehoord.

  3. Het Hof is gebonden aan de vaststelling van de feiten die de buitenlandse rechter kennelijk aan zijn beslissing ten grondslag heeft gelegd. Het treedt niet in een nieuw onderzoek naar deze feiten.

  4. Op punten die niet in deze titel zijn geregeld, vindt het bepaalde in de Tweede Afdeling van Titel IV van het Vijfde Boek overeenkomstige toepassing, behoudens het bepaalde omtrent het verhoor van getuigen en het houden van een schouw.

  5. Indien getuigen zijn gedagvaard ter verkrijging van inlichtingen omtrent de persoonlijkheid van de veroordeelde of indien het Hof het noodzakelijk acht feiten te onderzoeken ter beoordeling van het bestaan van gronden die naar het recht van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, doch niet naar dat van de vreemde staat, de strafbaarheid van het feit of de dader uitsluiten,vindt voorts het bepaalde in de Tweede Afdeling van Titel IV van het Vijfde Boek omtrent het verhoor van getuigen overeenkomstige toepassing.

  6. Indien de procureur-generaal overeenkomstig artikel 586, tweede lid, heeft geweigerd een getuige te dagvaarden, kan de veroordeelde het Hof verzoeken alsnog de dagvaarding van de getuige te bevelen. Het Hof gaat hiertoe over, indien het van oordeel is dat de procureur-generaal in redelijkheid niet tot zijn beslissing heeft kunnen komen.

  7. De procureur-generaal legt, na voorlezing, een conclusie aan het Hof over. Indien de conclusie strekt tot bewilliging in de tenuitvoerlegging, omschrijft zij de straf of maatregel die naar het oordeel van de procureur-generaal in plaats van de buitenlandse sanctie behoort te worden opgelegd. Tevens vermeldt de procureur-generaal in dat geval met welk strafbaar feit naar het recht van Bonaire, Sint Eustatius en Saba het feit op grond waarvan de veroordeelde aan een buitenlandse sanctie is onderworpen, overeenkomt.

Artikel 589

  1. Op vordering van de procureur-generaal kan het Hof ter zitting de gevangenneming van de veroordeelde bevelen op de grond genoemd in artikel 575

  2. Voordat het onderzoek ter zitting wordt gesloten, beslist het Hof ambtshalve over de gevangenhouding van de veroordeelde wie krachtens deze titel voorlopig zijn vrijheid is ontnomen.

  3. Een krachtens het eerste of tweede lid bevolen vrijheidsontneming blijft van kracht, totdat de uitspraak van het Hof voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden.

Artikel 590

  1. Bevindt het Hof:

    1. dat de overgelegde stukken niet voldoen aan het door het toepasselijke verdrag gestelde eisen;

    2. dat de veroordeelde zich met vrucht op een grond, die naar het recht van Bonaire, Sint Eustatius en Saba wel, doch naar het recht van de vreemde staat niet de strafbaarheid van het feit of de dader uitsluit, had kunnen beroepen, en dat hij geen gedwongen psychiatrische verpleging behoeft;

    3. dat de tenuitvoerlegging in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba op grond van het in een van de artikelen 569, 570, 571, 573 of 574 bepaalde niet kan plaatshebben; of

    4. dat bij afweging van alle betrokken belangen een beslissing tot tenuitvoerlegging in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba in redelijkheid niet kan worden genomen;dan verklaart het de tenuitvoerlegging ontoelaatbaar.

  2. De procureur-generaal kan, zolang het onderzoek ter terechtzitting niet is gesloten, zijn vordering intrekken. Hij stelt de veroordeelde van het intrekken van de vordering terstond in kennis.

  3. In andere dan de in het eerste en tweede lid voorziene gevallen, verklaart het Hof de tenuitvoerlegging toelaatbaar, met vermelding van de toepasselijke wets- en verdragsbepalingen.

Artikel 591

  1. Indien het Hof, de tenuitvoerlegging toelaatbaar acht, verleent het verlof tot tenuitvoerlegging van de buitenlandse rechterlijke beslissing en legt, met inachtneming van het daaromtrent in het toepasselijke verdrag voorgeschrevene, de straf of maatregel op, die op het overeenkomstige feit naar het recht van Bonaire, Sint Eustatius en Saba is gesteld. De uitspraak van het Hof wordt met redenen omkleed. De uitspraak geeft voorts de bijzondere redenen op, die de straf hebben bepaald of tot de maatregel hebben geleid en voorts zoveel mogelijk de omstandigheden, waarop bij de vaststelling van de duur of de hoogte van de straf is gelet. De artikelen 388, 390, 391, 400, 407, tweede en derde lid, en 410 zijn van toepassing.

  2. Bij het opleggen van tijdelijke gevangenisstraf of hechtenis beveelt het Hof, dat de tijd gedurende welke aan de veroordeelde in de vreemde staat ter uitvoering van de hem aldaar opgelegde sanctie, met het oog op zijn overbrenging naar Bonaire, Sint Eustatius en Saba en uit hoofde van deze titel zijn vrijheid ontnomen is geweest, bij de uitvoering van de straf geheel in mindering zal worden gebracht.

  3. Het Hof zendt aan Onze Minister van Justitie onverwijld een gewaarmerkt afschrift van zijn uitspraak toe.

Artikel 591a

  1. Verlof tot tenuitvoerlegging van een in de vreemde staat opgelegde sanctie strekkende tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden beperkt tot de tenuitvoerlegging van de verplichting tot betaling van een geldbedrag aan de Staat, dat in omvang slechts een gedeelte van dat voordeel vertegenwoordigt.

  2. Indien de in de vreemde staat opgelegde sanctie strekt tot de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, spreekt het Hof, indien de vreemde staat uitdrukkelijk heeft verzocht die sanctie slechts ten uitvoer te leggen op voorwerpen die dat voordeel vertegenwoordigen, de verbeurdverklaring daarvan uit. In dat geval is het Hof niet gebonden aan beperkingen ingevolge artikel 35, eerste lid, onder a, van het Wetboek van Strafrecht BES.

  3. Op uitspraken, houdende een verbeurdverklaring, zijn de artikelen 151, 153 en 154 van overeenkomstige toepassing.

  4. Op uitspraken, houdende de oplegging van een verplichting tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, is artikel 634 van overeenkomstige toepassing.

  5. Artikel 579e is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 592

De tenuitvoerlegging van een op grond van artikel 591 opgelegde straf of maatregel geschiedt met inachtneming van het bij of krachtens dit Wetboek, het Wetboek van Strafrecht BES of enige bijzondere strafwet betreffende de tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen bepaalde.

Artikel 592a

  1. Indien de in de vreemde staat opgelegde sanctie uitsluitend strekt tot de betaling van een geldboete, eventueel onder bedreiging met een vervangende tot vrijheidsontneming strekkende sanctie, wordt deze ten uitvoer gelegd krachtens een beslissing van de procureur-generaal.

  2. Alvorens een beslissing te nemen ingevolge het eerste lid stelt de procureur-generaal de veroordeelde in de gelegenheid te worden gehoord.

  3. De procureur-generaal drukt overeenkomstig het bepaalde in het toepasselijke verdrag het bedrag van de geldboete uit valuta van Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Indien het verdrag daaromtrent geen voorschriften bevat bepaalt de procureur-generaal de hoogte van het bedrag volgens de wisselkoers die gold op het tijdstip van veroordeling in de vreemde staat. Als wisselkoers geldt de middenkoers zoals dagelijks vastgesteld en genoteerd door de Europese Centrale Bank.

  4. Voor valuta waarvan de wisselkoers niet dagelijks door de Europese Centrale Bank wordt vastgesteld en genoteerd geldt de wisselkoers die wordt verkregen uit de waarde in speciale trekkingsrechten van de desbetreffende valuta op de laatste werkdag van de maand waarin de teenuitvoer te leggen sanctie in de vreemde staat werd opgelegd.

Artikel 592b

  1. De ingevolge artikel 592a genomen beslissing en de dag waarop het daarbij vastgestelde bedrag moet worden voldaan, worden vanwege de procureur-generaal zo spoedig mogelijk aan de veroordeelde ter kennis gebracht.

  2. Tegen de beslissing van de procureur-generaal kan de veroordeelde binnen veertien dagen nadat zich een omstandigheid heeft voorgedaan, waaruit voortvloeit dat de beslissing hem bekend is, een bezwaarschrift indienen bij het Hof, indien de opgelegde geldboete het bedrag van USD 27,93 overschrijft.

  3. Op de wijze van indiening en intrekking van een bezwaarschrift zijn de artikelen 445, tweede lid, 446 tot en met 451 van overeenkomstige toepassing.

  4. Op de behandeling van het bezwaarschrift zijn de artikelen 38 tot en met 42, 47 en 48 van overeenkomstige toepassing.

  5. Verklaart het Hof het bezwaar gegrond, dan vernietigt het de beslissing van de procureur-generaal of vult deze aan met inachtneming van het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht BES. Acht het, ondanks vernietiging de tenuitvoerlegging wel toelaatbaar, dan doet het Hof hetgeen de procureur-generaal had behoren te doen. In alle gevallen dat het Hof de tenuitvoerlegging van een geldboete toelaatbaar verklaard, bepaalt het tevens de duur van de vervangende hechtenis.

  6. De artikelen 591, derde lid, en 592, zijn van toepassing.

Artikel 592c

  1. Beslissingen als bedoeld in artikel 592a kunnen zodra zij zijn genomen worden ten uitvoer gelegd, tenzij het toepasselijke verdrag anders bepaalt. Door het indienen van een bezwaarschrift binnen de daarvoor gestelde termijn wordt de tenuitvoerlegging opgeschort.

  2. Beslissingen genomen krachtens artikel 592a worden ten uitvoer gelegd met inachtneming van het bij of krachtens dit wetboek omtrent de tenuitvoerlegging van geldboeten bepaalde, met uitzondering van het derde lid van artikel 630.

Artikel 592d

Indien tot tenuitvoerlegging van vervangende hechtenis moet worden overgegaan doet de procureur-generaal met het oog daarop een vordering overeenkomstig artikel 583, tenzij het Hof krachtens artikel 592b, vijfde lid, de duur van de vervangende hechtenis reeds heeft bepaald.

Artikel 593

  1. Voor zover een verdrag daarin uitdrukkelijk voorziet kan, op aanwijzing van Onze Minister, de tenuitvoerlegging of verdere tenuitvoerlegging van een in een vreemde staat opgelegde tot vrijheidsontneming strekkende sanctie in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba plaatsvinden buiten toepassing van paragraaf 3 van deze afdeling.

  2. De in het eerste lid bedoelde aanwijzing kan slechts worden gegeven, indien uit een door de veroordeelde ondertekende verklaring blijkt dat hij met zijn instemming naar Bonaire, Sint Eustatius en Saba is overgebracht met het oog op de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde sanctie.

  3. De in het eerste lid bedoelde aanwijzing kan slechts worden gegeven, nadat advies is ingewonnen van het Hof.

  4. Hangende de beslissing tot het geven van een aanwijzing kan de veroordeelde met toepassing van de artikelen 575 tot en met 579 voorlopig zijn vrijheid worden ontnomen.

  5. Indien op advies van het Hof het geven van een aanwijzing achterwege blijft, nemen leden van het Hof die terzake hebben geadviseerd, niet aan de behandeling van de door de procureur-generaal overeenkomstig artikel 583 ingediende vordering deel.

  6. De tenuitvoerlegging van de in het eerste lid bedoelde sanctie geschiedt op last van de procureur-generaal.

Artikel 594

Indien de procureur-generaal het in het belang van een goede rechtsbedeling gewenst acht, dat een vreemde staat een door de rechter in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba opgelegde straf of maatregel ten uitvoer legt of verder ten uitvoer legt, geeft hij, onder overlegging van het voor tenuitvoerlegging vatbare vonnis of arrest en eventuele andere met het oog op de tenuitvoerlegging van belang zijnde stukken, aan Onze Minister een met redenen omkleed advies tot overdracht van de tenuitvoerlegging aan die staat.

Artikel 595

  1. Behoudens het bepaalde in het tweede lid beslist Onze Minister zo spoedig mogelijk na de ontvangst van een advies, als bedoeld in artikel 594, omtrent het daaraan te geven gevolg. Daarbij neemt hij, indien het verzoek tot tenuitvoerlegging op een verdrag kan worden gegrond, de bepalingen van dat verdrag in acht.

  2. Indien het advies van de procureur-generaal betrekking heeft op een veroordeelde die zich in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba bevindt, aan wie een tot vrijheidsontneming strekkende sanctie is opgelegd en die niet heeft verklaard met de overdracht van de tenuitvoerlegging van die sanctie in te stemmen, dan laat Onze Minister, zo hij voornemens is gevolg te geven aan dit advies, alvorens een beslissing te nemen, de veroordeelde schriftelijk van dit advies in kennis stellen. Daarbij wordt de veroordeelde meegedeeld, dat hij binnen veertien dagen na ontvangst van de kennisgeving tegen het voornemen van Onze Minister een bezwaarschrift kan indienen bij het gerecht, dat in hoogste feitelijke instantie de tot vrijheidsontneming strekkende sanctie heeft opgelegd.

  3. Zo spoedig mogelijk na ontvangst van een tijdig ingediend bezwaarschrift onderzoekt het in het tweede lid bedoelde gerecht of Onze Minister bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot de voorgenomen beslissing kan komen. De veroordeelde wordt bij het onderzoek gehoord, althans daartoe behoorlijk opgeroepen. Indien niet blijkt dat de veroordeelde reeds een advocaat heeft, voegt de voorzitter van het gerecht hem ambtshalve een advocaat toe.

  4. Van zijn beslissing stelt het gerecht Onze Minister en de veroordeelde in kennis. Acht het gerecht het bezwaarschrift gegrond, dan geeft Onze Minister aan het advies van de procureur-generaal tot overdracht van de tenuitvoerlegging geen gevolg.

Artikel 596

  1. Onze Minister geeft de procureur-generaal schriftelijk kennis van de beslissing die hij op diens advies heeft genomen alsmede van de door hem ontvangen mededelingen omtrent beslissingen van de autoriteiten van de vreemde staat naar aanleiding van het verzoek tot tenuitvoerlegging dat op advies van de procureur-generaal is gedaan.

  2. Een aan de autoriteiten van een vreemde staat gedaan verzoek tot tenuitvoerlegging kan uiterlijk tot de ontvangst van een kennisgeving omtrent de daarop in die staat genomen beslissing worden ingetrokken.

Artikel 597

Tenzij Onze Minister reeds aanstonds van oordeel is, dat het verzoek van een buitenlandse autoriteit tot overdracht van de tenuitvoerlegging van een in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba opgelegde sanctie moet worden afgewezen, wint hij omtrent de vraag of het belang van een goede rechtsbedeling zich tegen inwilliging van het verzoek verzet, het advies in van het gerecht dat in hoogste feitelijke instantie de sanctie heeft opgelegd en van de procureur-generaal.

Artikel 598

  1. Zo spoedig mogelijk na de ontvangst van de in artikel 597 bedoelde adviezen beslist Onze Minister over het gevolg, te geven aan het in dat artikel bedoelde verzoek. Artikel 595 is van overeenkomstige toepassing.

  2. Van zijn beslissing geeft Onze Minister onverwijld kennis aan het in artikel 597 bedoelde gerecht en aan de procureur-generaal.

Artikel 599

Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de procedure volgens welke een verklaring van of namens een zich in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba bevindende veroordeelde, houdende instemming met de overdracht van de tenuitvoerlegging van een hem opgelegde tot vrijheidsontneming strekkende sanctie, dient te worden afgelegd.

Artikel 600

  1. Overdracht van de tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen ingevolge deze afdeling geschiedt slechts onder het algemene beding, dat de door de rechter in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba opgelegde straf of maatregel niet ten nadele van de veroordeelde worden gewijzigd en dat daarbij met het reeds hier te lande ten uitvoer gelegde gedeelte van die straf of maatregel rekening wordt gehouden.

  2. Een veroordeelde die in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba een tot vrijheidsontneming strekkende sanctie ondergaat of nog zal moeten ondergaan, wordt, wanneer met een vreemde staat overeenstemming is bereikt omtrent de verdere tenuitvoerlegging van deze sanctie, zo spoedig mogelijk ter beschikking gesteld van de autoriteiten van die staat op een door de procureur-generaal, na overleg met die autoriteiten, te bepalen tijd en plaats.

  3. De overbrenging van een veroordeelde die niet heeft verklaard met de overdracht van de tenuitvoerlegging in te stemmen, geschiedt niet dan onder het algemene beding, dat hij alleen met uitdrukkelijke toestemming van Onze Minister:

    1. zal worden vervolgd, gestraft of op enige wijze in zijn persoonlijke vrijheid beperkt ter zake van feiten, die voor het tijdstip van zijn overbrenging zijn begaan en ter zake waarvan de tenuitvoerlegging niet is overgedragen; en

    2. ter beschikking zal worden gesteld van de autoriteiten van een derde staat ter zake van feiten, die voor het tijdstip van zijn overbrenging zijn begaan, tenzij de veroordeelde nadien de gelegenheid heeft gehad het grondgebied van de staat naar welke hij is overgebracht te verlaten.

  4. Op het moment dat een veroordeelde ter beschikking van de in het tweede lid bedoelde autoriteiten wordt gesteld, wordt de tenuitvoerlegging in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba van de hem opgelegde sanctie van rechtswege geschorst.

  5. In geval van hervatting van het recht tot tenuitvoerlegging van de sanctie wordt het in het buitenland reeds ten uitvoer gelegde gedeelte daarop in mindering gebracht.

Artikel 601

Op de krachtens deze titel gegeven bevelen tot voorlopige vrijheidsontneming of tot verlenging of beëindiging daarvan zijn de bepalingen van dit Wetboek betreffende de inverzekeringstelling, onderscheidenlijk de voorlopige hechtenis van overeenkomstige toepassing, tenzij enige bepaling in deze titel anders voorschrijft.

Artikel 602

  1. Het bij en krachtens artikel 62 bepaalde is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de veroordeelde wie op grond van artikel 576, derde lid, voorlopig zijn vrijheid is ontnomen.

  2. Het bij en krachtens de artikelen 63 en 65 tot en met 69 bepaalde, alsmede het in dit Wetboek bepaalde betreffende het optreden van de raadsman en de kennisneming van processtukken is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 603

In gevallen waarin onherroepelijk is vastgesteld dat tenuitvoerlegging van een buitenlandse rechterlijke beslissing in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba niet behoort plaats te vinden, kan het Hof op verzoek van de veroordeelde hem een vergoeding ten laste van de Staat toekennen voor de schade die hij heeft geleden en kosten die hij heeft gemaakt ten gevolge van voorlopige vrijheidsontneming, bevolen krachtens deze titel. Titel XVI van het Derde Boek is van toepassing.

Artikel 604

Onze Minister beslist op verzoeken om doorvoer over het grondgebied van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba van vreemdelingen die ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een rechterlijke beslissing door de autoriteiten van een vreemde staat ter beschikking van de autoriteiten van een andere staat worden gesteld.

← terug naar Wetboek van Strafvordering BES