Zaken, uitsluitend betreffende feiten die als overtreding strafbaar zijn gesteld, worden door of vanwege de officier van justitie ter terechtzitting aanhangig gemaakt:
hetzij door oproeping;
hetzij door dagvaarding.
Zaken, uitsluitend betreffende feiten die als overtreding strafbaar zijn gesteld, worden door of vanwege de officier van justitie ter terechtzitting aanhangig gemaakt:
hetzij door oproeping;
hetzij door dagvaarding.
De officier van justitie, hoofd van het parket, kan ten aanzien van het al of niet aanhangig maken door oproeping aan de opsporingsambtenaren de nodige algemene of bijzondere voorschriften geven.
Het aanhangig maken van de zaak door oproeping kan enkel plaats vinden in geval van ontdekking op heterdaad door een opsporingsambtenaar. Het aanhangig maken geschiedt doordat aan de verdachte onverwijld een oproeping wordt uitgereikt door een opsporingsambtenaar om te verschijnen op een in die oproeping vermelde terechtzitting van het gerecht in eerste aanleg. De officier van justitie, hoofd van het parket, geeft voorschriften omtrent de dag en het tijdstip van de terechtzitting waartegen de oproeping geschiedt.
Bij de uitreiking worden desgevraagd inhoud en strekking van de oproeping aan de verdachte, zo mogelijk, mondeling kort toegelicht.
Wordt een aangeboden oproeping niet aangenomen, dan wordt zij niettemin geacht de verdachte op het ogenblik van de aanbieding te zijn uitgereikt. In dat geval wordt volstaan met toezending van een oproeping over de post, uiterlijk op de twintigste dag na de ontdekking van het feit.
Van het uitreiken van de oproeping, van het niet aannemen en de redenen daarvan en van het toezenden van de oproeping over de post wordt in het proces-verbaal van de opsporingsambtenaar melding gemaakt.
De oproeping bevat een vermelding van de bevoegdheid, de verdachte toegekend bij artikel 76, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht BES.
Niet nakoming van het eerste, derde of vierde lid heeft nietigheid van de oproeping tot gevolg.
Bij de oproeping wordt de gewone termijn van dagvaarding in acht genomen.
Indien de verdachte overeenkomstig artikel 74 is aangehouden, kan onverwijld een oproeping worden uitgereikt en kan hij worden opgeroepen om nog op de dag zelf ter terechtzitting van het gerecht in eerste aanleg te verschijnen. Hij kan dan voor de officier van justitie en vervolgens ter terechtzitting worden geleid. Artikel 428, derde lid, blijft in dit geval buiten toepassing.
De oproeping voldoet aan de eisen in artikel 285, eerste lid, betreffende de dagvaarding gesteld. Evenwel kan met een korte aanduiding van het feit worden volstaan.
De oproeping wordt door de opsporingsambtenaar, die het feit heeft geconstateerd, gedagtekend en ondertekend.
Niet-nakoming van het eerste, derde of vierde lid van dit artikel heeft nietigheid van de oproeping tot gevolg. Vrijwillige verschijning dekt de nietigheid.
Zolang het onderzoek op de terechtzitting nog niet is aangevangen, kan de officier van justitie de intrekking van de oproeping, zo mogelijk schriftelijk, aan de verdachte doen meedelen.
Indien de officier van justitie oordeelt, dat de zaak op een latere terechtzitting moet worden aangebracht, doet hij de verdachte die latere zitting aanzeggen.
Het formulier van de oproeping aan de verdachte om ter terechtzitting te verschijnen wordt vastgesteld bij algemene maatregel van bestuur.
In zaken, die door oproeping op de dag zelf ter terechtzitting aanhangig zijn gemaakt, kunnen getuigen door de ambtenaar, die het feit heeft opgespoord, worden uitgenodigd om ter terechtzitting van het gerecht in eerste aanleg te verschijnen. De uitnodiging wordt door een deurwaarder of ambtenaar van politie uitgereikt aan de persoon van de getuige of aan een van zijn huisgenoten.
Een dubbel van de uitnodiging wordt bij de processtukken gevoegd.
Indien de officier van justitie de oproeping van de verdachte intrekt of oordeelt, dat de zaak op een latere terechtzitting moet worden aangebracht, geeft hij daarvan onverwijld, aan de ingevolge dit artikel uitgenodigde getuigen kennis.
Het formulier van de uitnodiging aan de getuigen om ter terechtzitting van het gerecht in eerste aanleg te verschijnen wordt vastgesteld bij algemene maatregel van bestuur.
De officier van justitie is bevoegd getuigen, deskundigen en tolken mondeling op te roepen of door een deurwaarder of een ambtenaar van politie mondeling te doen oproepen om ter terechtzitting van het gerecht in eerste aanleg te verschijnen.
Indien de zaak aanhangig is gemaakt door oproeping, is artikel 307 betreffende het verstek van toepassing.
Voor de toepassing van de artikelen 411, 429 en 437 wordt een oproeping, die aan de persoon van de verdachte is uitgereikt, gelijkgesteld met een dagvaarding om ter terechtzitting te verschijnen, die aan de persoon van de verdachte is betekend.
Indien de zaak aanhangig is gemaakt door oproeping, doet de officier van justitie, indien de oproeping enkel inhoudt een korte aanduiding van het feit, dat ten laste wordt gelegd, ter terechtzitting bij de aanvang van het onderzoek mondeling of, na voorlezing, schriftelijk nadere opgave van het feit, dat de verdachte ten laste wordt gelegd. De nadere opgave beantwoordt op straffe van nietigheid aan de korte aanduiding van het feit in de oproeping, behoudens verbetering of aanvulling.
De oproeping, zo nodig door de officier van justitie ter terechtzitting verbeterd of aangevuld, geldt wat betreft de grondslag voor de verdere vervolging, als dagvaarding.
Op verlangen van de rechter of van de verdachte wordt de nadere opgave hem op schrift gegeven.
Indien de verdachte bij zijn eerste verschijning ter terechtzitting aannemelijk maakt, dat hij in het belang van zijn verdediging uitstel behoeft, schorst de rechter het onderzoek voor een bepaalde tijd.
De rechter geeft na de sluiting van het onderzoek op de terechtzitting hetzij onmiddellijk, hetzij diezelfde dag op een door hem bij de sluiting van het onderzoek te bepalen uur mondeling vonnis. De artikelen 400 en 402, derde en vierde lid, blijven buiten toepassing.
Het vonnis wordt in het proces-verbaal van de terechtzitting aangetekend.
Zodra het proces-verbaal van de terechtzitting is getekend, kunnen de verdachte en zijn raadsman daarvan kennisnemen.
De rechter is bevoegd en, op de vordering van de officier van justitie of op het verzoek van de verdachte of zijn raadsman, verplicht schriftelijk vonnis te wijzen.
De uitspraak mag alsdan in geen geval later plaatsvinden dan op de eenentwintigste dag na de sluiting van het onderzoek. Artikel 388, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Zowel de officier van justitie als de verdachte kunnen na de mededeling betreffende het rechtsmiddel dat tegen het vonnis openstaat, ter terechtzitting afstand doen van de bevoegdheid om dat rechtsmiddel aan te wenden. Op zijn recht daartoe wordt de verdachte opmerkzaam gemaakt.
Afstand ter terechtzitting van rechtsmiddelen wordt in het proces-verbaal van die terechtzitting vermeld.
Op het rechtsgeding bij het gerecht in eerste aanleg zijn overigens de Eerste Titel en de Vierde Titel van dit Boek van overeenkomstige toepassing, behoudens de uitzonderingen, vermeld in het tweede tot en met zesde lid.
De termijn van dagvaarding is ten minste drie dagen en, indien door de rechter-commissaris overeenkomstig de Zevende Titel van het Zevende Boek bevelen tot handhaving van de openbare orde zijn gegeven, ten minste twee dagen. De in de vorige volzin bedoelde termijn van twee dagen wordt, zo nodig, zoveel verlengd, dat daarin ten minste een dag voorkomt, die niet een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag is.
De bepalingen met betrekking tot de voordracht van de zaak door de officier van justitie, de voorlopige hechtenis en het bezwaarschrift tegen de dagvaarding, zijn niet van toepassing.
In geval van artikel 333 wordt geen gerechtelijk vooronderzoek gelast, doch worden de stukken toegezonden aan de officier van justitie.
Indien tegen de verdachte verstek is verleend, zomede voor zover door de verdachte en door zijn raadsman, zo hij die heeft, verklaard is, dat van bepaaldelijk aangeduide stukken noch de voorlezing noch de mededeling van de korte inhoud wordt gewenst, kan in de plaats van de voorlezing van de tenlastelegging, verklaringen, processen-verbaal, verslagen van deskundigen of andere stukken, vermeld in artikel 337, treden een op last van de rechter gedane aantekening in het proces-verbaal van de terechtzitting van de overlegging van die stukken; daarop mag dan ook ten bezware van de verdachte worden acht geslagen.
In geval van artikel 359 zijn de artikelen 235, 237, eerste lid, en 241 niet van toepassing.
De in artikel 411 bedoelde mededeling behoeft niet te geschieden, tenzij:
ten aanzien van de verdachte artikel 17a van het Wetboek van Strafrecht BES is toegepast, dan wel,
een vrijheidsstraf is opgelegd, vervangende vrijheidsstraf daaronder niet begrepen, dan wel,
een bijkomende straf is opgelegd, waarbij de ontzetting van bepaalde rechten of de ontzetting van bepaalde bevoegdheden is uitgesproken.