Wetboek van Strafvordering BES Laatste controle 30-03-2026, laatste wijziging 22-03-2026.

Inhoud
Titel I Algemene bepalingen
Titel II Legaliteitsbeginsel
Titel III Het openbaar ministerie en de bevoegdheid van de rechter
Titel IV Rechterlijk bevel tot vervolging of verdere vervolging van strafbare feiten
Titel V Schorsing van de vervolging
Titel VI Behandeling door de raadkamer
Titel VII Rechterlijke voorzieningen bij dringende noodzaak
Titel VIII Algemeen voorschrift met betrekking tot rechterlijke beslissingen
Titel IX Geheimhouding
Titel X Beëdiging
Tweede Boek De verdachte en zijn raadsman
Titel I De verdachte
Titel II De raadsman
Eerste Afdeling Algemene bepalingen
Tweede Afdeling Keuze van de raadsman
Derde Afdeling Toevoeging van een raadsman
Par. 1 Algemene bepalingen
Par. 2 Vervanging van de toegevoegde raadsman
Par. 3 Beroep inzake toevoeging
Par. 4 Kennisgeving van de toevoeging
Par. 5 Beloning en vergoeding van kosten
Vierde Afdeling Bevoegdheden van de raadsman betreffende het verkeer met de verdachte en de kennisneming van processtukken
Derde Boek Enige bijzondere dwangmiddelen
Titel I Algemeen
Titel II Staandehouding en aanhouding
Titel III Betreden van plaatsen ter aanhouding
Titel IV Onderzoek aan lichaam en kleding
Titel V Ophouding voor verhoor
Titel VI Mededeling van rechten bij ophouding voor verhoor
Titel VII Inverzekeringstelling
Titel VIII Voorlopige hechtenis
Eerste Afdeling Bewaring
Tweede Afdeling Gevangenhouding en gevangenneming
Derde Afdeling Gevallen waarin voorlopige hechtenis is toegestaan
Vierde Afdeling Gronden voor voorlopige hechtenis
Vijfde Afdeling Tenuitvoerlegging en opheffing van bevelen tot voorlopige hechtenis
Zesde Afdeling Hoger beroep inzake bevelen tot voorlopige hechtenis
Zevende Afdeling Voorlopige hechtenis bij einduitspraken
Achtste Afdeling Het horen van de in voorlopige hechtenis gestelde verdachte
Negende Afdeling Inhoud van de bevelen en hun betekening
Tiende Afdeling Schorsing en opschorting van de voorlopige hechtenis
Titel IX Inbeslagneming
Titel X Binnentreden in woningen
Titel XI Betreden van enkele bijzondere plaatsen
Titel XII Handhaving van de orde ter gelegenheid van ambtsverrichtingen
Titel XIII Maatregelen ter gelegenheid van een schouw of een huiszoeking
Titel XV Opneming ter observatie
Titel XVI Strafrechtelijk financieel onderzoek
Titel XVII Bijzondere bevoegdheden tot opsporing
Titel XVIII Bijzondere bevoegdheden
Eerste Afdeling Planmatige observatie
Tweede Afdeling Infiltratie
Derde Afdeling Pseudo-koop of -dienstverlening
Vierde Afdeling Stelselmatig inwinnen van informatie
Vijfde Afdeling Bevoegdheden in een besloten plaats
Zesde Afdeling Opnemen en onderzoek communicatie
Zevende Afdeling Vorderen van gegevens
Achtste Afdeling Steunbevoegdheden
Titel XIX Bijstand aan opsporing door burgers
Eerste Afdeling Burgerpseudokoop of -dienstverlening en inwinning van informatie
Tweede Afdeling Burgerinfiltratie
Titel XX Doorlaten
Titel XXI Verkennend onderzoek
Titel XXII Schadevergoeding wegens toepassing van dwangmiddelen
Vierde Boek Opsporingsonderzoek, gerechtelijk vooronderzoeken daarna te nemen beslissingen
Titel I Het opsporingsonderzoek
Titel II De rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken
Titel III Gang van het gerechtelijk vooronderzoek
Titel IV Beslissing omtrent al dan niet verdere vervolging
Vijfde Boek De terechtzitting
Titel I Het aanhangig maken van de zaak ter terechtzitting in eerste aanleg
Titel II Bezwaarschrift tegen de dagvaarding
Titel III Het aanhangig maken van de zaak ter terechtzitting in hoger beroep
Titel IV Behandeling ter terechtzitting
Eerste Afdeling Algemene bepaling
Tweede Afdeling Onderzoek van de zaak op de terechtzitting
Derde Afdeling Benadeelde partij
Vierde Afdeling Bewijs
Vijfde Afdeling Beraadslaging en uitspraak
Zesde Afdeling Zaken ad informandum
Zevende Afdeling Gevolgen van normschendingen
Titel V Berechting van overtredingen in eerste aanleg
Zesde Boek Rechtsmiddelen
Zevende Boek Enige rechtsplegingen van bijzondere aard
Titel I Strafvordering ter zake van ambtsmisdrijven
Titel II Strafvordering in zaken betreffende jeugdige personen
Titel III Berechting van verdachten, bij wie tijdens het begaan van het feit gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke storing van de geestvermogens bestond
Titel IIIa Strafvordering ter zake van ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel
Titel IV Verschoning en wraking van rechters
Titel V Vervolging en berechting van rechtspersonen en andere samenwerkingsverbanden
Titel VI Strafvordering buiten het rechtsgebied van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Titel VII Rechterlijke bevelen tot handhaving van de openbare orde
Titel VIII Internationale rechtshulp
Titel IX Overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen
Eerste Afdeling Algemene bepalingen
Tweede Afdeling
Derde Afdeling Procedure
Par. 1 Behandeling van buitenlandse verzoeken tot tenuitvoerlegging
Par. 2 Behandeling van verzoeken van Bonaire, Sint Eustatius en Saba tot tenuitvoerlegging in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba van in een vreemde staat opgelegde sancties
Par. 3 Gerechtelijke procedure
Par. 4 Buitengerechtelijke procedure
Vierde Afdeling Overdracht van de tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Par. 1 Van Bonaire, Sint Eustatius en Saba uitgaande verzoeken
Par. 2 Tot Bonaire, Sint Eustatius en Saba gerichte verzoeken
Par. 3 Overbrenging
Vijfde Afdeling Slotbepalingen
Achtste Boek Tenuitvoerlegging en kosten

Tweede Afdeling

Onderzoek van de zaak op de terechtzitting

Artikel 303

Het onderzoek van de zaak op de terechtzitting neemt een aanvang, nadat de voorzitter de zaak door de deurwaarder heeft doen uitroepen.

Artikel 304

De rechter die als rechter-commissaris enig onderzoek in de zaak heeft verricht of enige beslissing heeft genomen, neemt aan het onderzoek op de terechtzitting geen deel.

Artikel 305

  1. Tot bijwoning van een openbare terechtzitting worden, tenzij in bijzondere gevallen ter beoordeling van de voorzitter, als toehoorder niet toegelaten minderjarige personen die de leeftijd van zestien jaren nog niet hebben bereikt.

  2. In geval van twijfel omtrent de leeftijd moet ten genoegen van de voorzitter aannemelijk worden gemaakt dat de persoon die toelating verlangt, de leeftijd van zestien jaren heeft bereikt.

Artikel 306

In zaken betreffende strafbare feiten waarop geen gevangenisstraf is gesteld, kan de verdachte zich doen vertegenwoordigen door een advocaat, bepaaldelijk daartoe door hem gemachtigd of, indien hem uitsluitend als overtreding strafbaar gestelde feiten zijn ten laste gelegd, ook door een daartoe bij bijzondere volmacht schriftelijk gemachtigde, tenzij het Hof vertegenwoordiging niet mocht toelaten; in het laatste geval schorst het Hof het onderzoek voor een bepaalde tijd.

Artikel 307

Tegen de verdachte die niet op de aan hem gedane dagvaarding op de terechtzitting verschijnt of zich, in de gevallen bij wettelijke regeling voorzien, niet door een gemachtigde laat vertegenwoordigen, wordt verstek verleend.

Artikel 308

  1. Indien de verdachte niet op de terechtzitting tegenwoordig is, kan het Hof zowel bij de aanvang als gedurende de loop van het onderzoek bevelen dat, zo er gronden zijn om aan te nemen, dat hij bij een herhaalde dagvaarding wederom niet zal verschijnen, hij op een door het Hof te bepalen tijdstip ter terechtzitting aanwezig zal zijn; het Hof kan daartoe tevens zijn medebrenging gelasten.

  2. Indien de verdachte op het bepaalde tijdstip niet op de terechtzitting is verschenen, verleent het Hof, tenzij het de medebrenging tegen een nader tijdstip gelast, verstek, indien dit nog niet had plaatsgehad; het onderzoek wordt daarna voortgezet.

  3. Indien de verdachte op het bepaalde tijdstip op de terechtzitting is verschenen, wordt het verstek dat tegen hem verleend mocht zijn, vervallen verklaard en het onderzoek op de terechtzitting opnieuw aangevangen.

Artikel 309

  1. De terechtzitting is openbaar, tenzij het Hof ambtshalve, dan wel op de vordering van de procureur-generaal of op het verzoek van de verdachte, in het belang van de openbare orde of de zedelijkheid beveelt, dat de behandeling ter terechtzitting geheel of ten dele met gesloten deuren zal plaatsvinden. Het bevel kan ook worden gegeven op het verzoek van een getuige op grond dat het in het openbaar afleggen van zijn verklaring voor hemzelf, voor een of meer van zijn bloed- of aanverwanten in de rechte lijn of in de zijlijn in de tweede of de derde graad of voor zijn echtgenote of vroegere echtgenote, dan wel de persoon met wie hij duurzaam feitelijk samenwoont of heeft samengewoond, een ernstige krenking van eer of goede naam ten gevolge zou hebben.

  2. De redenen worden in het proces-verbaal van de terechtzitting vermeld.

  3. Het Hof geeft het bevel niet dan na de verzoeker en in ieder geval de procureur-generaal en de verdachte, zo nodig met gesloten deuren, te hebben gehoord.

  4. Indien de in het eerste lid bedoelde beslissing in eerste aanleg is gegeven, staat daartegen geen beroep open.

  5. Tot bijwoning van de niet openbare zitting kan de voorzitter, de procureur-generaal en de verdachte gehoord, bijzondere toegang verlenen.

Artikel 310

  1. De voorzitter heeft de leiding van het onderzoek op de terechtzitting en geeft daartoe de nodige bevelen. Hij kan een door hem aangewezen lid van het college in zijn plaats belasten met de ondervraging. Dit lid oefent alsdan bij de ondervraging de bevoegdheden uit die bij deze titel aan de voorzitter zijn toegekend.

  2. Hij draagt zorg dat geen vragen worden gesteld die de strekking hebben verklaringen te verkrijgen, waarvan niet gezegd kan worden dat zij in vrijheid zijn afgelegd.

Artikel 311

Behalve de rechters en de griffier neemt aan de tafel van het Hof niemand plaats.

Artikel 312

  1. Worden strafbare feiten waarvan de voeging had behoren te geschieden, op dezelfde terechtzitting afzonderlijk aangebracht, dan beveelt het Hof dat de voeging alsnog zal plaatsvinden.

  2. Indien strafbare feiten waartussen verband bestaat of die door dezelfde persoon zijn begaan op verschillende terechtzittingen zijn aangebracht, maar de behandeling op dezelfde terechtzitting wordt hervat of aangevangen, beveelt het Hof eveneens de voeging, indien dit in het belang van het onderzoek is.

  3. Het Hof beveelt de splitsing van gevoegde zaken, indien het geen verband tussen die zaken aanwezig acht of de voeging niet in het belang van het onderzoek oordeelt.

Artikel 313

  1. Het onderzoek wordt onafgebroken voortgezet.

  2. Het Hof kan echter het onderzoek wegens de uitgebreidheid of de duur daarvan, of voor het nemen van rust, onderbreken.

  3. Het Hof is voorts bevoegd, indien dit door het belang van het onderzoek wordt gevorderd, met of zonder tijdsbepaling, de schorsing van het onderzoek te gelasten.

  4. De schorsing met tijdsbepaling kan zo nodig telkens voor een bepaalde tijd worden verlengd.

  5. De reden van de onderbreking of schorsing wordt in het proces-verbaal vermeld.

Artikel 314

Bevindt de verdachte zich in voorlopige hechtenis, dan schorst het Hof het onderzoek op de terechtzitting alleen voor bepaalde tijd. De termijn van de schorsing wordt in de regel op niet meer dan twee maanden gesteld. Om klemmende, in het proces-verbaal te vermelden redenen, kan het Hof een langere termijn stellen, doch in geen geval van meer dan vier maanden.

Artikel 315

  1. Na de aanvang van het onderzoek vraagt de voorzitter de verdachte, of, zo er meer verdachten zijn, ieder van hen in de volgorde waarin zij zijn gedagvaard, naar naam en voornamen, leeftijd, geboorteplaats, beroep en woon- of verblijfplaats.

  2. Hij vermaant hem oplettend te zijn op hetgeen hij zal horen.

  3. Daarna doet hij de verdachte, mededeling van diens recht om zich te onthouden van antwoorden en, indien de verdachte geen raadsman heeft, van diens recht om zich door een raadsman te doen bijstaan.

Artikel 316

  1. In de gevallen waarin van nietigheid van de dagvaarding, niet-ontvankelijkheid van de procureur-generaal of onbevoegdheid van het Hof zonder onderzoek van de zaak zelf kan blijken, is de verdachte bevoegd die verwering reeds dadelijk na de ondervraging in artikel 315 vermeld, voor te dragen en toe te lichten.

  2. De procureur-generaal kan daarop antwoorden.

  3. De verdachte kan andermaal en, zo de procureur-generaal daarna weer het woord voert, nogmaals het woord voeren.

  4. Het Hof gaat tot beraadslaging over en doet uitspraak.

  5. Wordt de verwering ontijdig of ongegrond bevonden, dan wordt het onderzoek van de zaak zelf onmiddellijk voortgezet.

  6. Ook ambtshalve kan het Hof zonder onderzoek van de zaak de nietigheid van de dagvaarding, de niet-ontvankelijkheid van de procureur-generaal of de onbevoegdheid van het Hof, dan wel in het geding in hoger beroep de niet-ontvankelijkheid van het beroep, ingesteld door het openbaar ministerie of de verdachte, uitspreken, na de procureur-generaal en de verdachte te hebben gehoord.

Artikel 317

Indien in het geding in eerste aanleg de officier van justitie, hetzij naar aanleiding van een verwering als bedoeld in het eerste lid van artikel 316, hetzij naar aanleiding van het horen door de rechter, ingevolge het zesde lid van dat artikel, van oordeel is dat de dagvaarding behoort te worden gewijzigd, zijn de artikelen 355 en 356 van toepassing.

Artikel 318

  1. De procureur-generaal draagt de zaak voor en legt een lijst van de inbeslaggenomen, niet teruggegeven voorwerpen over.

  2. Hij legt ook een lijst van de getuigen over, welke de voorzitter doet voorlezen door de griffier.

  3. Onmiddellijk nadat de lijst is overgelegd en voorgelezen kan de verdachte, indien de dagvaarding van een door hem opgegeven getuige door de procureur-generaal is verzuimd of geweigerd, het Hof verzoeken alsnog de dagvaarding van die getuige te bevelen.

  4. Het Hof beveelt dat de overeenkomstig artikel 289, tweede lid, opgegeven getuige, wiens dagvaarding is verzuimd of geweigerd, tegen een door het Hof te bepalen tijdstip ter terechtzitting zal worden gedagvaard, tenzij de dagvaarding als nodeloos moet worden aangemerkt en het achterwege blijven van de dagvaarding redelijkerwijze niet in strijd komt met het recht van de verdachte om de ondervraging van getuigen à décharge te doen geschieden op dezelfde voorwaarden als het geval is met de getuigen à charge.

  5. De getuige, wiens dagvaarding door het Hof is bevolen of wiens plaatsing op de lijst door de procureur-generaal is verzuimd of geweigerd, wordt door de griffier op de lijst gebracht. Hetzelfde geldt ten aanzien van de getuige die gedurende de loop van het onderzoek op de terechtzitting is verschenen en niet bij het voorafgaande onderzoek tegenwoordig is geweest.

  6. Op de vordering van de procureur-generaal of op het verzoek van de verdachte worden getuigen, die niet op de lijst voorkomen doch op de terechtzitting tegenwoordig zijn, op bevel van de voorzitter alsnog door de griffier op de lijst gebracht, tenzij de ondervraging van de getuige als nodeloos moet worden aangemerkt en het achterwege blijven daarvan redelijkerwijze niet in strijd komt met het recht van de verdachte om de ondervraging van getuige à décharge te doen geschieden op dezelfde voorwaarden als het geval is met de getuigen à charge.

  7. Alle op de lijst gebrachte getuigen worden verhoord, tenzij het Hof met toestemming van de procureur-generaal en de verdachte van hun verhoor afziet.

  8. Artikel 260 is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 319

Wanneer de verdachte zich in voorlopige hechtenis bevindt krachtens een bevel tot gevangenneming of gevangenhouding waarvan de geldigheidsduur reeds eenmaal of ingevolge artikel 98, vierde lid, tweemaal is verlengd, kan de officier van justitie, in het geding in eerste aanleg, onmiddellijk nadat hij de zaak heeft voorgedragen, schorsing van het onderzoek op de terechtzitting vorderen, mits hij het voornemen daartoe tijdig aan de verdachte schriftelijk kenbaar heeft gemaakt. In dat geval kan het overleggen van de lijsten, bedoeld in het eerste en tweede lid van artikel 318, worden aangehouden tot de hervatting van het onderzoek op de terechtzitting.

Artikel 320

De voorzitter kan, met toestemming van de procureur-generaal en van de verdachte, de getuige vergunnen zich vóór het afleggen van zijn verklaring tot een bepaald tijdstip te verwijderen.

Artikel 321

Indien een op de lijst voorkomende getuige niet is verschenen, beveelt het Hof, tenzij overeenkomstig het bepaalde in artikel 318, zevende lid, van zijn verhoor wordt afgezien, dat hij tegen een door het Hof te bepalen tijdstip ter terechtzitting zal worden gedagvaard en kan het daarbij tevens zijn medebrenging gelasten.

Artikel 322

  1. De voorzitter bepaalt de volgorde waarin de getuigen worden voorgeroepen, nadat hij de procureur-generaal en de verdachte heeft gehoord.

  2. Hij beveelt dat de getuigen zich zullen begeven naar het voor hen bestemde vertrek, met uitzondering van de eerste die hij voor het Hof doet verschijnen.

  3. Hij neemt, zo nodig, maatregelen om de getuigen te beletten dat zij zich vóór het afleggen van hun getuigenis met elkaar onderhouden.

Artikel 323

  1. De voorzitter vraagt de getuige naar naam en voornamen, leeftijd, beroep en woon- en verblijfplaats; of hij bloed- of aanverwant is van de verdachte, en, zo ja, in welke graad.

  2. De voorzitter beëdigt daarna de getuige. Artikel 250, tweede lid, betreffende de vervanging van de beëdiging door een aanmaning, is van overeenkomstige toepassing.

  3. Met betrekking tot het verhoren van de getuige en diens recht van verschoning vinden de artikelen 251 tot en met 254 toepassing.

Artikel 324

De rechter kan bevelen, hetzij ambtshalve, hetzij op de vordering van de officier van justitie of op het verzoek van de verdachte, dat niet anders dan buiten ede worden gehoord, zij, die wegens meineed tot welke straf ook of uit anderen hoofde tot gevangenisstraf van drie jaren of langer zijn veroordeeld, of tegen wie ter zake van misdrijf, waartegen een gevangenisstraf van vier jaren of meer is bedreigd, een vervolging is ingesteld.

Artikel 325

  1. De getuige wordt het eerst ondervraagd door degene, die hem heeft gedagvaard of op wiens verzoek hij is gedagvaard. Daarna geschiedt de ondervraging door de verdachte of diens raadsman of door de procureur-generaal in de volgorde en op de wijze door de voorzitter te bepalen.

  2. De voorzitter en de andere rechters kunnen te allen tijde, doch bij voorkeur na de ondervraging bedoeld in het eerste lid, vragen stellen. De voorzitter kan, indien het belang van een goede procesorde dat nodig maakt, de ondervraging op de voet van het eerste lid beëindigen en zelf de getuige ondervragen.

  3. In ieder geval geeft de voorzitter aan de verdachte en diens raadsman de gelegenheid om tegen de getuige en diens verklaring in te brengen wat tot verdediging kan dienen en aan de procureur-generaal die tot het maken van opmerkingen.

Artikel 326

Gedurende de verdere loop van het onderzoek kunnen de getuige door de voorzitter, de rechters, de procureur-generaal en de verdachte nog vragen worden gesteld. Artikel 325, derde lid, is van toepassing.

Artikel 327

De getuige moet bij zijn verklaring zoveel mogelijk uitdrukkelijk opgeven zijn redenen van wetenschap.

Artikel 328

De voorzitter bepaalt welke vragen als ontoelaatbaar zijn aan te merken. Hij kan, ambtshalve of op het verzet van de procureur-generaal of van de verdachte beletten dat aan enige vraag, door de verdachte of diens raadsman of door de procureur-generaal gesteld, door de getuige gevolg wordt gegeven. Op het antwoord, dat op zodanige vraag mocht zijn gegeven, wordt geen acht geslagen.

Artikel 329

  1. Indien de getuige bij zijn verhoor zonder wettige grond weigert op de hem gestelde vragen te antwoorden of wel de eed die van hem gevorderd wordt, af te leggen, beveelt het Hof indien dit in het belang van het onderzoek dringend noodzakelijk is, dat hij in gijzeling zal worden gesteld en op een bepaald tijdstip weer voor het Hof zal worden gebracht.

  2. Het bevel wordt niet gegeven dan nadat de getuige in zijn verdediging, door hem of zijn advocaat voorgedragen, is gehoord. Het is voor niet langer dan dertig dagen geldig.Tegen dit bevel is geen rechtsmiddel toegelaten.

  3. Het Hof gelast het ontslag van de getuige uit de gijzeling, zodra hij aan zijn verplichtingen heeft voldaan of het onderzoek op de terechtzitting gesloten is. Het is echter bevoegd dat ontslag in elke stand van het onderzoek te bevelen, ook op verzoek van de getuige.

  4. De artikelen 258 en 259 zijn van toepassing.

  5. Tegen de beslissing, in het geding in eerste aanleg gegeven tot afwijzing van een verzoek van de getuige om ontslag, staat aan deze binnen drie dagen na de betekening hoger beroep open op het Hof. De getuige wordt gehoord, althans daartoe behoorlijk opgeroepen.

Artikel 330

Na het afleggen van zijn verklaring blijft de getuige in de rechtszaal, tenzij het Hof, met toestemming van de procureur-generaal en van de verdachte, hem vergunt zich te verwijderen, zo nodig met bevel om op een te bepalen tijd weer in de rechtszaal aanwezig te zijn.

Artikel 331

  1. De voorzitter kan, hetzij ambtshalve, hetzij op de vordering van de procureur-generaal of op het verzoek van de verdachte, getuigen tegenover elkaar stellen.

  2. Op gelijke wijze kan hij bevelen dat, na afgelegde getuigenis, een of meer getuigen de rechtszaal zullen verlaten en dat een of meer van hun opnieuw zullen worden binnengelaten, ten einde hetzij afzonderlijk, hetzij in elkaars bijzijn, nogmaals te worden verhoord.

Artikel 332

  1. Op gelijke wijze als bij artikel 331 bedoeld, kan de voorzitter bevelen dat een of meer verdachten de rechtszaal zullen verlaten, opdat een getuige buiten hun tegenwoordigheid zal worden ondervraagd.

  2. In dat geval wordt de verdachte onmiddellijk op de hoogte gesteld van hetgeen in zijn afwezigheid is voorgevallen en eerst daarna met het onderzoek voortgegaan.

Artikel 333

  1. Indien een getuige verdacht wordt zich op de terechtzitting aan het misdrijf van meineed te hebben schuldig gemaakt, kan het Hof ambtshalve, op de vordering van de procureur-generaal of op het verzoek van de verdachte dienaangaande onderzoek bevelen, zonodig met schorsing van het onderzoek op de terechtzitting.

  2. In dat geval wordt door de griffier dadelijk een proces-verbaal opgemaakt en dit door de voorzitter, de rechters, en hemzelf ondertekend. Het proces-verbaal bevat de afgelegde verklaring van de getuige.

  3. De verklaring van de getuige wordt hem voorgelezen; daarna wordt hem gevraagd, of hij bij zijn verklaring blijft volharden, in welk geval deze door hem wordt ondertekend. Bij gebreke van ondertekening vermeldt het proces-verbaal de weigering of de reden van verhindering.

  4. Het Hof kan daarop het instellen van een gerechtelijk vooronderzoek bevelen, in te stellen door de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken. Het kan in dat geval tevens, indien daartoe de voorwaarden en de gronden aanwezig zijn, de gevangenneming bevelen.

  5. Het proces-verbaal wordt door het Hof in handen gesteld van de officier van justitie.

Artikel 335

Indien een getuige, tijdens het gerechtelijk vooronderzoek beëdigd of overeenkomstig artikel 250, tweede lid, aangemaand, overleden is of, naar het oordeel van het Hof, niet op de terechtzitting heeft kunnen verschijnen, of van wiens verhoor overeenkomstig het bepaalde in artikel 318, zevende lid, is afgezien, zal zijn vroegere verklaring, mits ter terechtzitting voorgelezen, als aldaar afgelegd worden aangemerkt.

Artikel 336

  1. Alle bepalingen in deze titel ten aanzien van getuigen en hun verklaringen, zijn ook van toepassing ten aanzien van deskundigen en hun verklaringen, behoudens:

    1. dat de deskundige wordt beëdigd op de wijze als in artikel 45 voor deskundigen is voorgeschreven;

    2. dat artikel 327 niet van toepassing is;

    3. dat gijzeling niet is toegelaten.

  2. De verklaringen en verslagen van deskundigen zijn met redenen omkleed.

  3. De deskundigen zijn verplicht de door het Hof gevorderde diensten te bewijzen.

  4. Van degene die, op de vordering van het openbaar ministerie, door het Hof van Justitie als vaste gerechtelijke deskundige is beëdigd, wordt ter zake van het uitbrengen van een verslag geen nadere eed gevorderd.

Artikel 337

  1. Processen-verbaal, verslagen van deskundigen of andere stukken worden door de voorzitter, wanneer deze of een van de rechters of wel de procureur-generaal dit verlangt, voorgelezen, voor zover daarbij naar zijn oordeel redelijke grenzen niet worden overschreden.

  2. Gelijke voorlezing heeft plaats op verzoek van de verdachte, tenzij het Hof ambtshalve of op het verzet van de procureur-generaal anders beveelt.

  3. In alle gevallen waarin de verdachte verzoekt dat een getuigenverklaring op de terechtzitting zal worden voorgelezen, ten einde als aldaar afgelegd te worden aangemerkt, zal die voorlezing moeten geschieden.

  4. De voorlezing van stukken kan, tenzij de procureur-generaal of de verdachte zich daartegen verzet, worden vervangen door een mondelinge mededeling van de korte inhoud door de voorzitter.

  5. Ten bezware van de verdachte wordt, op straffe van nietigheid, op geen stukken acht geslagen, dan voor zover zij zijn voorgelezen, of hun korte inhoud overeenkomstig het vierde lid is meegedeeld.

  6. Stukken, die op de terechtzitting in eerste aanleg zijn voorgelezen, mogen voor de behandeling in hoger beroep als voorgelezen worden aangemerkt. Indien echter de verdachte verzoekt, dat bepaalde stukken opnieuw zullen worden voorgelezen, wordt aan dat verzoek gevolg gegeven, voor zover door die voorlezing naar het oordeel van het Hof redelijke grenzen niet worden overschreden.

Artikel 338

  1. Wanneer de verdachte zich ertegen verzet,dat een getuige op de voet van het bepaalde in het vierde lid van artikel 261 anoniem is verhoord, kan het Hof die getuige horen zonder dat diens identiteit wordt onthuld. Het kan daartoe de nodige maatregelen nemen. Noch de procureur-generaal noch de verdachte of diens raadsman zijn bij het horen aanwezig. De artikelen 38 tot en met 42 zijn van toepassing, doch alleen voor zover de inachtneming van die artikelen geen gevaar oplevert voor onthulling van de identiteit van de getuige. Alvorens de getuige te horen, stelt het Hof de procureur-generaal in de gelegenheid opmerkingen te maken.

  2. Is het Hof van oordeel, dat ernstige bedreiging in de zin van artikel 261, eerste lid, niet kan worden aangenomen, dan beslist het, dat de getuige geen aanspraak maakt op anonimiteit en dat hij alleen dan opnieuw kan worden verhoord, indien het vierde lid van artikel 261 geen toepassing vindt. Een zodanig verhoor vindt niet plaats dan met toestemming van de procureur-generaal. Het Hof kan ook beslissen dat het proces-verbaal, houdende de verklaring die door de getuige ten overstaan van de rechter-commissaris anoniem is afgelegd, niet tot het bewijs van het strafbare feit is toegelaten.

  3. Indien naar het oordeel van het Hof ernstige bedreiging wel kan worden aangenomen, wordt het verweer van de verdachte verworpen en blijft het proces-verbaal van verhoor deel van de processtukken uitmaken. Indien een nader verhoor wenselijk wordt geoordeeld, kan het Hof beslissen dat de getuige door de rechter-commissaris met toepassing van het vierde lid van artikel 261 nader zal worden verhoord, eventueel met vermelding van de vragen die het Hof gesteld wenst te zien.

  4. Nader verhoor door de rechter-commissaris kan ook worden opgedragen, indien bij een eerder verhoor bepaalde vormen zijn verzuimd.

  5. De bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, komt het Hof ook ambtshalve toe.

Artikel 339

  1. Wanneer een getuige in verband met het bepaalde in het zevende lid van artikel 261 niet door de rechter-commissaris is verhoord, kan het Hof op de vordering van de procureur-generaal een onderzoek instellen naar de gegrondheid van de bezwaren tegen onthulling van de identiteit van die getuige. Het Hof kan daartoe de getuige overeenkomstig het eerste lid van artikel 338 horen. Alvorens de getuige te horen, stelt het Hof de verdachte of diens raadsman in de gelegenheid opmerkingen te maken.

  2. Is het Hof van oordeel, dat ernstige bedreiging in de zin van artikel 261, eerste lid, niet kan worden aangenomen, dan beslist het, dat de getuige geen aanspraak maakt op anonimiteit en dat hij alleen dan kan worden verhoord, indien het vierde lid van artikel 261 geen toepassing vindt. Een zodanig verhoor vindt niet plaats dan met toestemming van de procureur-generaal.

  3. Indien naar het oordeel van het Hof ernstige bedreiging wel kan worden aangenomen, beslist het dat de getuige door de rechter-commissaris met toepassing van het vierde lid van artikel 261 kan worden verhoord, eventueel met vermelding van de vragen die het Hof gesteld wenst te zien.

Artikel 340

  1. Wanneer de rechter in eerste aanleg het proces-verbaal, houdende de verklaring die door een getuige op de voet van het bepaalde in het vierde lid van artikel 261 is afgelegd, niet tot het bewijs van het strafbare feit heeft toegelaten, vindt artikel 339 in hoger beroep overeenkomstige toepassing.

  2. Is een niet eerder verhoorde getuige alsnog, na een daartoe strekkende beslissing van de rechter in eerste aanleg, door de rechter-commissaris met toepassing van het vierde lid van artikel 261 verhoord, dan vindt artikel 338 in hoger beroep overeenkomstige toepassing.

Artikel 341

  1. Nadat alle deskundigen en getuigen zijn verhoord, wordt de verdachte ondervraagd. Hij wordt echter, indien dat door de voorzitter nodig wordt geoordeeld, eerder ondervraagd.

  2. Is er meer dan een verdachte, dan geschiedt de ondervraging in de volgorde, door de voorzitter te bepalen, na de procureur-generaal en de raadslieden te hebben gehoord.

  3. De verdachte wordt eerst door de voorzitter ondervraagd. Daarna kunnen de andere rechters en vervolgens de raadsman en de procureur-generaal vragen stellen.

  4. Wanneer de voorzitter daartoe aanleiding ziet, kan hij de procureur-generaal in de gelegenheid stellen de verdachte het eerst te ondervragen. In dat geval krijgt de raadsman daarna de gelegenheid de verdachte vragen te stellen.

  5. In ieder geval geeft de voorzitter aan de raadsman en aan de procureur-generaal de gelegenheid om naar aanleiding van de verklaring van de verdachte opmerkingen te maken.

  6. De voorzitter bepaalt welke vragen als ontoelaatbaar zijn aan te merken. Hij kan, ambtshalve of op het verzet van de raadsman of van de procureur-generaal, beletten dat aan enige vraag, aan de verdachte gesteld, gevolg wordt gegeven. Op het antwoord, dat op zodanige vraag mocht zijn gegeven, wordt geen acht geslagen.

Artikel 342

Gedurende de verdere loop van het onderzoek kunnen de verdachte door de voorzitter, de rechters, de procureur-generaal, de raadsman en de medeverdachte vragen worden gesteld.

Artikel 343

Bij het verhoor van de verdachte wordt zoveel mogelijk onderzocht, of zijn verklaring op eigen wetenschap steunt.

Artikel 344

Noch de voorzitter, noch een van de rechters geeft op de terechtzitting blijk van enige overtuiging omtrent schuld of onschuld van de verdachte.

Artikel 345

Indien de verdachte de stilte of de orde op de terechtzitting verstoort en vruchteloos door de voorzitter is gewaarschuwd, kan deze zijn verwijdering uit de rechtszaal bevelen en, zo nodig, bepalen, dat hij gedurende het geheel of een gedeelte van de zitting elders zal worden opgehouden. De behandeling van de zaak wordt voortgezet en de uitspraak geschiedt als ware de verdachte tegenwoordig. In dat geval blijft de raadsman van de verdachte met de verdediging belast.

Artikel 346

  1. De voorzitter kan, hetzij ambtshalve, hetzij op de vordering van de procureur-generaal of op het verzoek van de verdachte, bepalen dat vragen betreffende de persoonlijke of de levensomstandigheden van de verdachte buiten diens tegenwoordigheid zullen worden gesteld en behandeld, dat de procureur-generaal of de raadsman buiten tegenwoordigheid van de verdachte betreffende diens geestvermogens het woord zal voeren.

  2. De voorzitter kan dienovereenkomstig bepalen, dat de verdachte buiten tegenwoordigheid van een of meer medeverdachten zal worden verhoord.

  3. Het tweede lid van artikel 332 is van toepassing.

Artikel 347

Na de ondervraging van de verdachte kunnen, op de voet van artikel 326, aan de getuigen opnieuw vragen worden gesteld of stukken worden voorgelezen.

Artikel 348

  1. Indien een verdachte of getuige de rechtstaal niet verstaat heeft het onderzoek niet plaats zonder bijstand van een tolk.

  2. Indien een verdachte of getuige niet of slechts zeer gebrekkig horen of spreken kan, geschieden de vragen of de antwoorden schriftelijk.

  3. Kan de in het tweede lid bedoelde verdachte of getuige niet of slechts zeer gebrekkig lezen of schrijven, dan wordt de bijstand van een daartoe geschikt persoon als tolk gevorderd.

  4. De tolk wordt, zo nodig, vanwege de procureur-generaal gedagvaard.

  5. Indien op de terechtzitting de bijstand van een tolk blijkt nodig te zijn, kan het Hof de dagvaarding van een tolk bevelen.

  6. Bij niet-verschijning van een tolk is artikel 321 van overeenkomstige toepassing.

  7. De verdachte kan op bepaald aangegeven gronden de tolk wraken. Het Hof doet daarover terstond uitspraak.

Artikel 349

  1. De tolk wordt, alvorens met zijn werkzaamheden aan te vangen, beëdigd.Artikel 250, tweede lid, betreffende vervanging van de beëdiging door een aanmaning is, van overeenkomstige toepassing.

  2. Van degene, die op de vordering van het openbaar ministerie door het Hof van Justitie als vaste gerechtelijke tolk is beëdigd, wordt geen nadere eed gevorderd.

  3. Geen van de getuigen, medeverdachten, leden van het openbaar ministerie of rechters wordt als tolk toegelaten.

Artikel 350

In de gevallen, waarin de bijstand van een tolk wordt gevorderd, wordt ten bezware van de verdachte geen acht geslagen op hetgeen ter terechtzitting is gesproken of voorgelezen zonder voor hem vertolkt te zijn.

Artikel 351

  1. De voorzitter toont zo nodig de verdachte en de getuigen de voorwerpen, die als stukken van overtuiging dienen en verhoort hen daaromtrent.

  2. De verdachte is bevoegd zodanige voorwerpen ter terechtzitting mee te nemen en over te leggen.

Artikel 352

Het Hof heeft gelijke bevoegdheid als in artikel 197 aan het openbaar ministerie is toegekend. Het oefent die uit hetzij ambtshalve, hetzij op de vordering van de procureur-generaal, of op het verzoek van de verdachte.

Artikel 353

  1. Nadat, behoudens het bepaalde bij artikel 347, de ondervraging van de verdachte heeft plaatsgehad, kan de procureur-generaal het woord voeren en legt hij zijn vordering, na voorlezing, aan het Hof over. De vordering omschrijft de straf of de maatregel, indien oplegging daarvan wordt geëist, en vermeldt in dat geval tevens, welk bepaald strafbaar feit zou zijn begaan. De procureur-generaal maakt, voor zover zulks aan de verdachte niet reeds eerder was gebleken, kenbaar of hij voornemens is een vordering als bedoeld in artikel 38e van het Wetboek van Strafrecht BES aanhangig te maken, alsmede of daartoe een strafrechtelijk financieel onderzoek, als bedoeld in artikel 177a, is ingesteld. Van deze mededeling van de procureur-generaal wordt in het proces-verbaal van de terechtzitting aantekening gedaan.

  2. De verdachte kan hierop antwoorden.

  3. De procureur-generaal kan daarna andermaal het woord voeren.

  4. Daarna kan de verdachte nog eenmaal opmerkingen maken.

  5. Aan de verdachte wordt echter, op straffe van nietigheid, het recht gelaten om het laatst te spreken.

  6. Ook daarna is artikel 347 van toepassing en kan ook de verdachte nader worden ondervraagd. In dat geval kunnen de procureur-generaal en de verdachte nogmaals, op de hiervoor vermelde voet, het woord voeren.

Artikel 354

Indien uit het onderzoek omstandigheden zijn bekend geworden die, niet in de dagvaarding vermeld, volgens wettelijke regeling tot verzwaring van straf grond opleveren, is de procureur-generaal bevoegd deze alsnog mondeling ten laste te leggen.

Artikel 355

  1. Indien in het geding in eerste aanleg en buiten het geval van artikel 354 de officier van justitie oordeelt dat de telastelegging behoort te worden gewijzigd, legt hij de inhoud van de door hem noodzakelijk geachte wijzigingen schriftelijk aan de rechter over, voordat hij voor de eerste maal overeenkomstig artikel 353 het woord voert, met de vordering dat die wijzigingen zullen worden toegelaten.

  2. De verdachte wordt op de vordering tot wijziging gehoord.

  3. Indien de rechter de vordering toewijst, doet hij ter terechtzitting de inhoud van de aangebrachte wijzigingen in het proces-verbaal opnemen. In geen geval worden wijzigingen toegelaten, als gevolg waarvan de telastelegging niet langer hetzelfde feit, in de zin van artikel 70 van het Wetboek van Strafrecht BES, zou inhouden.

Artikel 356

  1. Indien de telastelegging overeenkomstig artikel 355 is gewijzigd, wordt aan de verdachte door de griffier een gewaarmerkt afschrift van de wijziging op de terechtzitting zelf ter hand gesteld. Is de verdachte niet ter terechtzitting aanwezig, dan wordt hem de wijziging zo spoedig mogelijk betekend.

  2. De rechter schorst het onderzoek voor een bepaalde tijd; met toestemming van de verdachte kan echter het onderzoek aanstonds worden voortgezet.

Artikel 357

  1. Indien in de telastelegging voor de opgave van het feit is volstaan met een omschrijving als bedoeld in artikel 285, derde lid, wordt die opgave alsnog in overeenstemming gebracht met de in het eerste en tweede lid van dat artikel gestelde eisen.

  2. De artikelen 355, met uitzondering van de laatste volzin van het derde lid, en 356 vinden overeenkomstig toepassing.

Artikel 358

  1. Indien aan het Hof de noodzakelijkheid blijkt van het verhoor van op de terechtzitting nog niet verhoorde getuigen of deskundigen, of van de overlegging van bescheiden of stukken van overtuiging, die niet op de terechtzitting aanwezig zijn, beveelt het zo nodig onder bijvoeging van een bevel tot medebrenging, tegen een door het Hof te bepalen tijdstip de dagvaarding van die getuigen of deskundigen of de overlegging van die bescheiden of die stukken van overtuiging.

  2. Het in het eerste lid bepaalde is niet van toepassing op de getuige, die overeenkomstig het bepaalde in artikel 261 is verhoord.

Artikel 359

  1. Indien enig onderzoek door de rechter-commissaris noodzakelijk blijkt, stelt het Hof met schorsing van de zaak onder aanduiding van het onderwerp van het onderzoek en, zo nodig, van de wijze waarop dit zal zijn in te stellen, de stukken in handen van de rechter-commissaris.

  2. Het onderzoek geldt als een gerechtelijk vooronderzoek en wordt overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 226 tot en met 271 gevoerd. Alsdan kan de rechter-commissaris de bevoegdheden die hem tijdens het gerechtelijk vooronderzoek en overigens tijdens het voorbereidend onderzoek na tussenkomst van de officier van justitie of op het verzoek van de verdachte zijn toegekend, ambtshalve uitoefenen.

Artikel 360

  1. Indien het noodzakelijk is dat een onderzoek naar de geestvermogens van de verdachte tegen wie voorlopige hechtenis is bevolen, wordt ingesteld en dit niet voldoende op een andere wijze kan plaatsvinden, beveelt het Hof bij een met redenen omklede beslissing dat de verdachte ter waarneming zal worden overgebracht naar een in het bevel aan te duiden psychiatrisch ziekenhuis tot verpleging of genezing bestemd.

  2. Het bevel wordt niet gegeven dan nadat het oordeel van een of meer deskundigen is ingewonnen en de procureur-generaal, de verdachte en zijn raadsman in de gelegenheid zijn gesteld om terzake te worden gehoord.

  3. Artikel 177 is van toepassing met dien verstande dat het bevel, bedoeld bij het tweede lid van dat artikel, slechts door het Hof kan worden gegeven.

Artikel 361

  1. Indien het Hof het houden van een schouw of het horen van getuigen of verdachten elders dan in de rechtszaal noodzakelijk acht, kan zij te dien einde, met schorsing van de zaak, bevelen dat de terechtzitting tijdelijk zal worden verplaatst.

  2. Het Hof is bevoegd daartoe met de personen door haar aangewezen elke plaats te betreden. Van het binnentreden in een woning zonder de uitdrukkelijke toestemming van de bewoner wordt binnen tweemaal vierentwintig uren proces-verbaal opgemaakt. Artikel 163, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.

  3. Het Hof is bevoegd, naar aanleiding van de gesteldheid van de plaats waar de tijdelijke terechtzitting zal worden gehouden, de nodige voorschriften te geven voor de wijze van behandeling van de zaak op die terechtzitting.

Artikel 362

  1. In alle gevallen, waarin het onderzoek wordt onderbroken of voor een bepaalde tijd geschorst, wordt door de voorzitter aan de aanwezige verdachte en aan de aanwezige getuigen, deskundigen en tolken mondeling het tijdstip aangezegd, waarop zij op de terechtzitting aanwezig zullen moeten zijn, tenzij het Hof, de procureur-generaal en de verdachte gehoord, bepaalt dat hun tegenwoordigheid bij de nadere behandeling niet is vereist. De aanzegging geldt als dagvaarding. Bij niet-verschijning van getuigen, deskundigen of tolken op het aangewezen tijdstip is artikel 321 van toepassing.

  2. De verdachte, getuigen, deskundigen en tolken, die bij de in het eerste lid bedoelde aanzegging niet op de terechtzitting aanwezig zijn, worden, in geval van schorsing, voor de nadere behandeling opnieuw opgeroepen of gedagvaard, tenzij het Hof, de procureur-generaal en de verdachte gehoord, bepaalt dat hun tegenwoordigheid bij de nadere behandeling niet is vereist.

Artikel 363

  1. In alle gevallen waarin het onderzoek voor een onbepaalde tijd is geschorst, wordt, zodra de oorzaak van de schorsing is vervallen, de verdachte opgeroepen en worden de getuigen, deskundigen en tolken opnieuw ter terechtzitting voor de nadere behandeling bepaald, gedagvaard, tenzij het Hof, de procureur-generaal en de verdachte gehoord, bepaalt dat hun tegenwoordigheid bij de nadere behandeling niet is vereist.

  2. De verdachte, getuigen, deskundigen en tolken die, ofschoon opgeroepen of gedagvaard, niet op de terechtzitting zijn verschenen, worden opnieuw opgeroepen of gedagvaard, tenzij het Hof, de procureur-generaal en de verdachte gehoord, bepaalt dat hun tegenwoordigheid bij de nadere behandeling niet is vereist.

  3. Hetgeen bij artikel 290 ten opzichte van de dagvaarding van de verdachte is bepaald, geldt hier ten aanzien van de oproeping van de verdachte.

Artikel 364

  1. In alle gevallen, waarin, na schorsing, het onderzoek op een nadere terechtzitting wordt hervat, kunnen nieuw bij te brengen, nog niet verhoorde getuigen en deskundigen overeenkomstig de artikelen 287, eerste lid, en 289 worden gedagvaard.

  2. Artikel 287, tweede en derde lid, vindt overeenkomstig toepassing.

  3. De nieuw bijgebrachte getuigen worden op de getuigenlijst geplaatst.

  4. Artikel 318, derde lid, is van toepassing.

  5. De bepalingen strekkende tot bescherming van de bedreigde getuige zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 365

  1. Onverminderd het bepaalde bij artikel 366, wordt in alle gevallen waarin schorsing van het onderzoek plaatsheeft, de zaak op de nadere terechtzitting hervat in de stand waarin zij zich op het tijdstip van de schorsing bevond. Het Hof is bevoegd te bevelen dat het onderzoek op de terechtzitting opnieuw wordt aangevangen.

  2. In het geval dat het onderzoek opnieuw wordt aangevangen, wordt de verklaring van een getuige die bij het voorgaand onderzoek is verhoord, mits op de nadere terechtzitting voorgelezen, als aldaar afgelegd aangemerkt:

    1. indien die getuige overleden is of naar het oordeel van het Hof niet op de nadere terechtzitting heeft kunnen verschijnen,

    2. indien die getuige op de nadere terechtzitting is verschenen, doch weigert getuigenis te geven, of

    3. indien met toestemming van de procureur-generaal en de verdachte van zijn verhoor wordt afgezien.

Artikel 366

  1. Indien bij de hervatting van het onderzoek de verdachte tegen wie voor de schorsing verstek is verleend, op de terechtzitting voor de nadere behandeling bepaald, verschijnt, of zich in de gevallen, bij wettelijke regeling, toegelaten, door een gemachtigde laat vertegenwoordigen, wordt het verleend verstek vervallen verklaard.

  2. Het Hof kan gelasten dat bepaalde handelingen van onderzoek opnieuw zullen plaatsvinden.

  3. Het tweede lid van artikel 365 is van toepassing.

Artikel 367

  1. Niettegenstaande de schorsing is het Hof bevoegd te allen tijde het onderzoek op de terechtzitting voor bepaalde spoedeisende maatregelen tijdelijk te heropenen.

  2. De artikelen 363, 364 en 365 zijn van toepassing.

Artikel 368

  1. Indien buiten het geval van artikel 308 of van artikel 366 de verdachte tegen wie verstek is verleend, gedurende het onderzoek op de terechtzitting verschijnt of zich in de gevallen, bij wettelijke regeling toegelaten, door een gemachtigde laat vertegenwoordigen, kan het Hof het verstek vervallen verklaren. In dat geval wordt het onderzoek opnieuw aangevangen, hetzij dadelijk, hetzij op een nader te bepalen terechtzitting.

  2. Het tweede lid van artikel 365 is van toepassing.

Artikel 369

  1. De griffier houdt het proces-verbaal van de terechtzitting, waarin achtereenvolgens aantekening geschiedt van de in acht genomen vormen en van al hetgeen met betrekking tot de zaak op de terechtzitting voorvalt.

  2. Het behelst tevens de zakelijke inhoud van de verklaringen van de getuigen, deskundigen en verdachten. Indien de procureur-generaal vordert of de verdachte verzoekt dat enige verklaring woordelijk zal worden opgenomen, wordt daaraan, voor zover de verklaring redelijke grenzen niet overschrijdt, op last van het Hof zoveel mogelijk voldaan en daarvan voorlezing gedaan Acht de procureur-generaal of de verdachte de verklaring niet voldoende weergegeven, dan beslist het Hof.

  3. De voorzitter kan gelasten dat in het proces-verbaal van enige bepaalde omstandigheid, verklaring of opgave aantekening zal worden gedaan.

  4. Gelijke aantekening geschiedt, wanneer een van de rechters het verlangt, of op de vordering van de procureur-generaal of op het verzoek van de verdachte.

Artikel 370

Het proces-verbaal wordt door de voorzitter of door een van de rechters, die over de zaak heeft geoordeeld, en de griffier vastgesteld en zo spoedig mogelijk na elke sluiting van de terechtzitting en in ieder geval binnen de in het eerste lid van artikel 410 vermelde termijn ondertekend. Voor zover de griffier tot een en ander buiten staat is, geschiedt dit zonder zijn medewerking en wordt van zijn verhindering aan het slot van het proces-verbaal melding gemaakt.

Artikel 371

Tot het nemen van elke rechterlijke beslissing op grond van de bepalingen van deze titel kan door de procureur-generaal een vordering en door de verdachte een verzoek tot het Hof worden gedaan, tenzij uit enige bepaling het tegendeel volgt.

Artikel 372

Alvorens te beslissen op enig verzoek of verzet van de verdachte, hoort het Hof de procureur-generaal. Alvorens te beslissen op enige vordering of op enig verzet van de procureur- generaal, hoort het Hof de verdachte, indien deze tegenwoordig is, of diens raadsman.

Artikel 373

  1. Elke bevoegdheid, aan de verdachte bij deze titel toegekend, komt ook toe aan diens raadsman.

  2. In alle gevallen waarin bij deze titel de toestemming of het horen van de verdachte of diens raadsman wordt gevorderd, geldt dit alleen ten aanzien van de op de terechtzitting aanwezige verdachte of raadsman.

← terug naar Wetboek van Strafvordering BES