Wetboek van Strafvordering BES Laatste controle 29-03-2026, laatste wijziging 22-03-2026.

Inhoud
Titel I Algemene bepalingen
Titel II Legaliteitsbeginsel
Titel III Het openbaar ministerie en de bevoegdheid van de rechter
Titel IV Rechterlijk bevel tot vervolging of verdere vervolging van strafbare feiten
Titel V Schorsing van de vervolging
Titel VI Behandeling door de raadkamer
Titel VII Rechterlijke voorzieningen bij dringende noodzaak
Titel VIII Algemeen voorschrift met betrekking tot rechterlijke beslissingen
Titel IX Geheimhouding
Titel X Beëdiging
Tweede Boek De verdachte en zijn raadsman
Titel I De verdachte
Titel II De raadsman
Eerste Afdeling Algemene bepalingen
Tweede Afdeling Keuze van de raadsman
Derde Afdeling Toevoeging van een raadsman
Par. 1 Algemene bepalingen
Par. 2 Vervanging van de toegevoegde raadsman
Par. 3 Beroep inzake toevoeging
Par. 4 Kennisgeving van de toevoeging
Par. 5 Beloning en vergoeding van kosten
Vierde Afdeling Bevoegdheden van de raadsman betreffende het verkeer met de verdachte en de kennisneming van processtukken
Derde Boek Enige bijzondere dwangmiddelen
Titel I Algemeen
Titel II Staandehouding en aanhouding
Titel III Betreden van plaatsen ter aanhouding
Titel IV Onderzoek aan lichaam en kleding
Titel V Ophouding voor verhoor
Titel VI Mededeling van rechten bij ophouding voor verhoor
Titel VII Inverzekeringstelling
Titel VIII Voorlopige hechtenis
Eerste Afdeling Bewaring
Tweede Afdeling Gevangenhouding en gevangenneming
Derde Afdeling Gevallen waarin voorlopige hechtenis is toegestaan
Vierde Afdeling Gronden voor voorlopige hechtenis
Vijfde Afdeling Tenuitvoerlegging en opheffing van bevelen tot voorlopige hechtenis
Zesde Afdeling Hoger beroep inzake bevelen tot voorlopige hechtenis
Zevende Afdeling Voorlopige hechtenis bij einduitspraken
Achtste Afdeling Het horen van de in voorlopige hechtenis gestelde verdachte
Negende Afdeling Inhoud van de bevelen en hun betekening
Tiende Afdeling Schorsing en opschorting van de voorlopige hechtenis
Titel IX Inbeslagneming
Titel X Binnentreden in woningen
Titel XI Betreden van enkele bijzondere plaatsen
Titel XII Handhaving van de orde ter gelegenheid van ambtsverrichtingen
Titel XIII Maatregelen ter gelegenheid van een schouw of een huiszoeking
Titel XV Opneming ter observatie
Titel XVI Strafrechtelijk financieel onderzoek
Titel XVII Bijzondere bevoegdheden tot opsporing
Titel XVIII Bijzondere bevoegdheden
Eerste Afdeling Planmatige observatie
Tweede Afdeling Infiltratie
Derde Afdeling Pseudo-koop of -dienstverlening
Vierde Afdeling Stelselmatig inwinnen van informatie
Vijfde Afdeling Bevoegdheden in een besloten plaats
Zesde Afdeling Opnemen en onderzoek communicatie
Zevende Afdeling Vorderen van gegevens
Achtste Afdeling Steunbevoegdheden
Titel XIX Bijstand aan opsporing door burgers
Eerste Afdeling Burgerpseudokoop of -dienstverlening en inwinning van informatie
Tweede Afdeling Burgerinfiltratie
Titel XX Doorlaten
Titel XXI Verkennend onderzoek
Titel XXII Schadevergoeding wegens toepassing van dwangmiddelen
Vierde Boek Opsporingsonderzoek, gerechtelijk vooronderzoeken daarna te nemen beslissingen
Titel I Het opsporingsonderzoek
Titel II De rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken
Titel III Gang van het gerechtelijk vooronderzoek
Titel IV Beslissing omtrent al dan niet verdere vervolging
Vijfde Boek De terechtzitting
Titel I Het aanhangig maken van de zaak ter terechtzitting in eerste aanleg
Titel II Bezwaarschrift tegen de dagvaarding
Titel III Het aanhangig maken van de zaak ter terechtzitting in hoger beroep
Titel IV Behandeling ter terechtzitting
Eerste Afdeling Algemene bepaling
Tweede Afdeling Onderzoek van de zaak op de terechtzitting
Derde Afdeling Benadeelde partij
Vierde Afdeling Bewijs
Vijfde Afdeling Beraadslaging en uitspraak
Zesde Afdeling Zaken ad informandum
Zevende Afdeling Gevolgen van normschendingen
Titel V Berechting van overtredingen in eerste aanleg
Zesde Boek Rechtsmiddelen
Zevende Boek Enige rechtsplegingen van bijzondere aard
Titel I Strafvordering ter zake van ambtsmisdrijven
Titel II Strafvordering in zaken betreffende jeugdige personen
Titel III Berechting van verdachten, bij wie tijdens het begaan van het feit gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke storing van de geestvermogens bestond
Titel IIIa Strafvordering ter zake van ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel
Titel IV Verschoning en wraking van rechters
Titel V Vervolging en berechting van rechtspersonen en andere samenwerkingsverbanden
Titel VI Strafvordering buiten het rechtsgebied van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Titel VII Rechterlijke bevelen tot handhaving van de openbare orde
Titel VIII Internationale rechtshulp
Titel IX Overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen
Eerste Afdeling Algemene bepalingen
Tweede Afdeling
Derde Afdeling Procedure
Par. 1 Behandeling van buitenlandse verzoeken tot tenuitvoerlegging
Par. 2 Behandeling van verzoeken van Bonaire, Sint Eustatius en Saba tot tenuitvoerlegging in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba van in een vreemde staat opgelegde sancties
Par. 3 Gerechtelijke procedure
Par. 4 Buitengerechtelijke procedure
Vierde Afdeling Overdracht van de tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Par. 1 Van Bonaire, Sint Eustatius en Saba uitgaande verzoeken
Par. 2 Tot Bonaire, Sint Eustatius en Saba gerichte verzoeken
Par. 3 Overbrenging
Vijfde Afdeling Slotbepalingen
Achtste Boek Tenuitvoerlegging en kosten

Titel IV

Behandeling ter terechtzitting

Artikel 302

De bepalingen in de volgende afdelingen van deze titel zijn toepasselijk op de behandeling ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep, met dien verstande dat, waar gesproken wordt van het Hof en van de voorzitter, daaronder voor de terechtzitting in eerste aanleg de rechter in eerste aanleg wordt verstaan en waar gesproken wordt van de procureur-generaal, daaronder voor de terechtzitting in eerste aanleg de officier van justitie wordt verstaan, een en ander voor zover niet uit enige van de bepalingen anders blijkt en onverminderd het bepaalde in Titel IV van dit Boek en in de Titels I en II van het Zevende Boek.

Artikel 303

Het onderzoek van de zaak op de terechtzitting neemt een aanvang, nadat de voorzitter de zaak door de deurwaarder heeft doen uitroepen.

Artikel 304

De rechter die als rechter-commissaris enig onderzoek in de zaak heeft verricht of enige beslissing heeft genomen, neemt aan het onderzoek op de terechtzitting geen deel.

Artikel 305

  1. Tot bijwoning van een openbare terechtzitting worden, tenzij in bijzondere gevallen ter beoordeling van de voorzitter, als toehoorder niet toegelaten minderjarige personen die de leeftijd van zestien jaren nog niet hebben bereikt.

  2. In geval van twijfel omtrent de leeftijd moet ten genoegen van de voorzitter aannemelijk worden gemaakt dat de persoon die toelating verlangt, de leeftijd van zestien jaren heeft bereikt.

Artikel 306

In zaken betreffende strafbare feiten waarop geen gevangenisstraf is gesteld, kan de verdachte zich doen vertegenwoordigen door een advocaat, bepaaldelijk daartoe door hem gemachtigd of, indien hem uitsluitend als overtreding strafbaar gestelde feiten zijn ten laste gelegd, ook door een daartoe bij bijzondere volmacht schriftelijk gemachtigde, tenzij het Hof vertegenwoordiging niet mocht toelaten; in het laatste geval schorst het Hof het onderzoek voor een bepaalde tijd.

Artikel 307

Tegen de verdachte die niet op de aan hem gedane dagvaarding op de terechtzitting verschijnt of zich, in de gevallen bij wettelijke regeling voorzien, niet door een gemachtigde laat vertegenwoordigen, wordt verstek verleend.

Artikel 308

  1. Indien de verdachte niet op de terechtzitting tegenwoordig is, kan het Hof zowel bij de aanvang als gedurende de loop van het onderzoek bevelen dat, zo er gronden zijn om aan te nemen, dat hij bij een herhaalde dagvaarding wederom niet zal verschijnen, hij op een door het Hof te bepalen tijdstip ter terechtzitting aanwezig zal zijn; het Hof kan daartoe tevens zijn medebrenging gelasten.

  2. Indien de verdachte op het bepaalde tijdstip niet op de terechtzitting is verschenen, verleent het Hof, tenzij het de medebrenging tegen een nader tijdstip gelast, verstek, indien dit nog niet had plaatsgehad; het onderzoek wordt daarna voortgezet.

  3. Indien de verdachte op het bepaalde tijdstip op de terechtzitting is verschenen, wordt het verstek dat tegen hem verleend mocht zijn, vervallen verklaard en het onderzoek op de terechtzitting opnieuw aangevangen.

Artikel 309

  1. De terechtzitting is openbaar, tenzij het Hof ambtshalve, dan wel op de vordering van de procureur-generaal of op het verzoek van de verdachte, in het belang van de openbare orde of de zedelijkheid beveelt, dat de behandeling ter terechtzitting geheel of ten dele met gesloten deuren zal plaatsvinden. Het bevel kan ook worden gegeven op het verzoek van een getuige op grond dat het in het openbaar afleggen van zijn verklaring voor hemzelf, voor een of meer van zijn bloed- of aanverwanten in de rechte lijn of in de zijlijn in de tweede of de derde graad of voor zijn echtgenote of vroegere echtgenote, dan wel de persoon met wie hij duurzaam feitelijk samenwoont of heeft samengewoond, een ernstige krenking van eer of goede naam ten gevolge zou hebben.

  2. De redenen worden in het proces-verbaal van de terechtzitting vermeld.

  3. Het Hof geeft het bevel niet dan na de verzoeker en in ieder geval de procureur-generaal en de verdachte, zo nodig met gesloten deuren, te hebben gehoord.

  4. Indien de in het eerste lid bedoelde beslissing in eerste aanleg is gegeven, staat daartegen geen beroep open.

  5. Tot bijwoning van de niet openbare zitting kan de voorzitter, de procureur-generaal en de verdachte gehoord, bijzondere toegang verlenen.

Artikel 310

  1. De voorzitter heeft de leiding van het onderzoek op de terechtzitting en geeft daartoe de nodige bevelen. Hij kan een door hem aangewezen lid van het college in zijn plaats belasten met de ondervraging. Dit lid oefent alsdan bij de ondervraging de bevoegdheden uit die bij deze titel aan de voorzitter zijn toegekend.

  2. Hij draagt zorg dat geen vragen worden gesteld die de strekking hebben verklaringen te verkrijgen, waarvan niet gezegd kan worden dat zij in vrijheid zijn afgelegd.

Artikel 311

Behalve de rechters en de griffier neemt aan de tafel van het Hof niemand plaats.

Artikel 312

  1. Worden strafbare feiten waarvan de voeging had behoren te geschieden, op dezelfde terechtzitting afzonderlijk aangebracht, dan beveelt het Hof dat de voeging alsnog zal plaatsvinden.

  2. Indien strafbare feiten waartussen verband bestaat of die door dezelfde persoon zijn begaan op verschillende terechtzittingen zijn aangebracht, maar de behandeling op dezelfde terechtzitting wordt hervat of aangevangen, beveelt het Hof eveneens de voeging, indien dit in het belang van het onderzoek is.

  3. Het Hof beveelt de splitsing van gevoegde zaken, indien het geen verband tussen die zaken aanwezig acht of de voeging niet in het belang van het onderzoek oordeelt.

Artikel 313

  1. Het onderzoek wordt onafgebroken voortgezet.

  2. Het Hof kan echter het onderzoek wegens de uitgebreidheid of de duur daarvan, of voor het nemen van rust, onderbreken.

  3. Het Hof is voorts bevoegd, indien dit door het belang van het onderzoek wordt gevorderd, met of zonder tijdsbepaling, de schorsing van het onderzoek te gelasten.

  4. De schorsing met tijdsbepaling kan zo nodig telkens voor een bepaalde tijd worden verlengd.

  5. De reden van de onderbreking of schorsing wordt in het proces-verbaal vermeld.

Artikel 314

Bevindt de verdachte zich in voorlopige hechtenis, dan schorst het Hof het onderzoek op de terechtzitting alleen voor bepaalde tijd. De termijn van de schorsing wordt in de regel op niet meer dan twee maanden gesteld. Om klemmende, in het proces-verbaal te vermelden redenen, kan het Hof een langere termijn stellen, doch in geen geval van meer dan vier maanden.

Artikel 315

  1. Na de aanvang van het onderzoek vraagt de voorzitter de verdachte, of, zo er meer verdachten zijn, ieder van hen in de volgorde waarin zij zijn gedagvaard, naar naam en voornamen, leeftijd, geboorteplaats, beroep en woon- of verblijfplaats.

  2. Hij vermaant hem oplettend te zijn op hetgeen hij zal horen.

  3. Daarna doet hij de verdachte, mededeling van diens recht om zich te onthouden van antwoorden en, indien de verdachte geen raadsman heeft, van diens recht om zich door een raadsman te doen bijstaan.

Artikel 316

  1. In de gevallen waarin van nietigheid van de dagvaarding, niet-ontvankelijkheid van de procureur-generaal of onbevoegdheid van het Hof zonder onderzoek van de zaak zelf kan blijken, is de verdachte bevoegd die verwering reeds dadelijk na de ondervraging in artikel 315 vermeld, voor te dragen en toe te lichten.

  2. De procureur-generaal kan daarop antwoorden.

  3. De verdachte kan andermaal en, zo de procureur-generaal daarna weer het woord voert, nogmaals het woord voeren.

  4. Het Hof gaat tot beraadslaging over en doet uitspraak.

  5. Wordt de verwering ontijdig of ongegrond bevonden, dan wordt het onderzoek van de zaak zelf onmiddellijk voortgezet.

  6. Ook ambtshalve kan het Hof zonder onderzoek van de zaak de nietigheid van de dagvaarding, de niet-ontvankelijkheid van de procureur-generaal of de onbevoegdheid van het Hof, dan wel in het geding in hoger beroep de niet-ontvankelijkheid van het beroep, ingesteld door het openbaar ministerie of de verdachte, uitspreken, na de procureur-generaal en de verdachte te hebben gehoord.

Artikel 317

Indien in het geding in eerste aanleg de officier van justitie, hetzij naar aanleiding van een verwering als bedoeld in het eerste lid van artikel 316, hetzij naar aanleiding van het horen door de rechter, ingevolge het zesde lid van dat artikel, van oordeel is dat de dagvaarding behoort te worden gewijzigd, zijn de artikelen 355 en 356 van toepassing.

Artikel 318

  1. De procureur-generaal draagt de zaak voor en legt een lijst van de inbeslaggenomen, niet teruggegeven voorwerpen over.

  2. Hij legt ook een lijst van de getuigen over, welke de voorzitter doet voorlezen door de griffier.

  3. Onmiddellijk nadat de lijst is overgelegd en voorgelezen kan de verdachte, indien de dagvaarding van een door hem opgegeven getuige door de procureur-generaal is verzuimd of geweigerd, het Hof verzoeken alsnog de dagvaarding van die getuige te bevelen.

  4. Het Hof beveelt dat de overeenkomstig artikel 289, tweede lid, opgegeven getuige, wiens dagvaarding is verzuimd of geweigerd, tegen een door het Hof te bepalen tijdstip ter terechtzitting zal worden gedagvaard, tenzij de dagvaarding als nodeloos moet worden aangemerkt en het achterwege blijven van de dagvaarding redelijkerwijze niet in strijd komt met het recht van de verdachte om de ondervraging van getuigen à décharge te doen geschieden op dezelfde voorwaarden als het geval is met de getuigen à charge.

  5. De getuige, wiens dagvaarding door het Hof is bevolen of wiens plaatsing op de lijst door de procureur-generaal is verzuimd of geweigerd, wordt door de griffier op de lijst gebracht. Hetzelfde geldt ten aanzien van de getuige die gedurende de loop van het onderzoek op de terechtzitting is verschenen en niet bij het voorafgaande onderzoek tegenwoordig is geweest.

  6. Op de vordering van de procureur-generaal of op het verzoek van de verdachte worden getuigen, die niet op de lijst voorkomen doch op de terechtzitting tegenwoordig zijn, op bevel van de voorzitter alsnog door de griffier op de lijst gebracht, tenzij de ondervraging van de getuige als nodeloos moet worden aangemerkt en het achterwege blijven daarvan redelijkerwijze niet in strijd komt met het recht van de verdachte om de ondervraging van getuige à décharge te doen geschieden op dezelfde voorwaarden als het geval is met de getuigen à charge.

  7. Alle op de lijst gebrachte getuigen worden verhoord, tenzij het Hof met toestemming van de procureur-generaal en de verdachte van hun verhoor afziet.

  8. Artikel 260 is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 319

Wanneer de verdachte zich in voorlopige hechtenis bevindt krachtens een bevel tot gevangenneming of gevangenhouding waarvan de geldigheidsduur reeds eenmaal of ingevolge artikel 98, vierde lid, tweemaal is verlengd, kan de officier van justitie, in het geding in eerste aanleg, onmiddellijk nadat hij de zaak heeft voorgedragen, schorsing van het onderzoek op de terechtzitting vorderen, mits hij het voornemen daartoe tijdig aan de verdachte schriftelijk kenbaar heeft gemaakt. In dat geval kan het overleggen van de lijsten, bedoeld in het eerste en tweede lid van artikel 318, worden aangehouden tot de hervatting van het onderzoek op de terechtzitting.

Artikel 320

De voorzitter kan, met toestemming van de procureur-generaal en van de verdachte, de getuige vergunnen zich vóór het afleggen van zijn verklaring tot een bepaald tijdstip te verwijderen.

Artikel 321

Indien een op de lijst voorkomende getuige niet is verschenen, beveelt het Hof, tenzij overeenkomstig het bepaalde in artikel 318, zevende lid, van zijn verhoor wordt afgezien, dat hij tegen een door het Hof te bepalen tijdstip ter terechtzitting zal worden gedagvaard en kan het daarbij tevens zijn medebrenging gelasten.

Artikel 322

  1. De voorzitter bepaalt de volgorde waarin de getuigen worden voorgeroepen, nadat hij de procureur-generaal en de verdachte heeft gehoord.

  2. Hij beveelt dat de getuigen zich zullen begeven naar het voor hen bestemde vertrek, met uitzondering van de eerste die hij voor het Hof doet verschijnen.

  3. Hij neemt, zo nodig, maatregelen om de getuigen te beletten dat zij zich vóór het afleggen van hun getuigenis met elkaar onderhouden.

Artikel 323

  1. De voorzitter vraagt de getuige naar naam en voornamen, leeftijd, beroep en woon- en verblijfplaats; of hij bloed- of aanverwant is van de verdachte, en, zo ja, in welke graad.

  2. De voorzitter beëdigt daarna de getuige. Artikel 250, tweede lid, betreffende de vervanging van de beëdiging door een aanmaning, is van overeenkomstige toepassing.

  3. Met betrekking tot het verhoren van de getuige en diens recht van verschoning vinden de artikelen 251 tot en met 254 toepassing.

Artikel 324

De rechter kan bevelen, hetzij ambtshalve, hetzij op de vordering van de officier van justitie of op het verzoek van de verdachte, dat niet anders dan buiten ede worden gehoord, zij, die wegens meineed tot welke straf ook of uit anderen hoofde tot gevangenisstraf van drie jaren of langer zijn veroordeeld, of tegen wie ter zake van misdrijf, waartegen een gevangenisstraf van vier jaren of meer is bedreigd, een vervolging is ingesteld.

Artikel 325

  1. De getuige wordt het eerst ondervraagd door degene, die hem heeft gedagvaard of op wiens verzoek hij is gedagvaard. Daarna geschiedt de ondervraging door de verdachte of diens raadsman of door de procureur-generaal in de volgorde en op de wijze door de voorzitter te bepalen.

  2. De voorzitter en de andere rechters kunnen te allen tijde, doch bij voorkeur na de ondervraging bedoeld in het eerste lid, vragen stellen. De voorzitter kan, indien het belang van een goede procesorde dat nodig maakt, de ondervraging op de voet van het eerste lid beëindigen en zelf de getuige ondervragen.

  3. In ieder geval geeft de voorzitter aan de verdachte en diens raadsman de gelegenheid om tegen de getuige en diens verklaring in te brengen wat tot verdediging kan dienen en aan de procureur-generaal die tot het maken van opmerkingen.

Artikel 326

Gedurende de verdere loop van het onderzoek kunnen de getuige door de voorzitter, de rechters, de procureur-generaal en de verdachte nog vragen worden gesteld. Artikel 325, derde lid, is van toepassing.

Artikel 327

De getuige moet bij zijn verklaring zoveel mogelijk uitdrukkelijk opgeven zijn redenen van wetenschap.

Artikel 328

De voorzitter bepaalt welke vragen als ontoelaatbaar zijn aan te merken. Hij kan, ambtshalve of op het verzet van de procureur-generaal of van de verdachte beletten dat aan enige vraag, door de verdachte of diens raadsman of door de procureur-generaal gesteld, door de getuige gevolg wordt gegeven. Op het antwoord, dat op zodanige vraag mocht zijn gegeven, wordt geen acht geslagen.

Artikel 329

  1. Indien de getuige bij zijn verhoor zonder wettige grond weigert op de hem gestelde vragen te antwoorden of wel de eed die van hem gevorderd wordt, af te leggen, beveelt het Hof indien dit in het belang van het onderzoek dringend noodzakelijk is, dat hij in gijzeling zal worden gesteld en op een bepaald tijdstip weer voor het Hof zal worden gebracht.

  2. Het bevel wordt niet gegeven dan nadat de getuige in zijn verdediging, door hem of zijn advocaat voorgedragen, is gehoord. Het is voor niet langer dan dertig dagen geldig.Tegen dit bevel is geen rechtsmiddel toegelaten.

  3. Het Hof gelast het ontslag van de getuige uit de gijzeling, zodra hij aan zijn verplichtingen heeft voldaan of het onderzoek op de terechtzitting gesloten is. Het is echter bevoegd dat ontslag in elke stand van het onderzoek te bevelen, ook op verzoek van de getuige.

  4. De artikelen 258 en 259 zijn van toepassing.

  5. Tegen de beslissing, in het geding in eerste aanleg gegeven tot afwijzing van een verzoek van de getuige om ontslag, staat aan deze binnen drie dagen na de betekening hoger beroep open op het Hof. De getuige wordt gehoord, althans daartoe behoorlijk opgeroepen.

Artikel 330

Na het afleggen van zijn verklaring blijft de getuige in de rechtszaal, tenzij het Hof, met toestemming van de procureur-generaal en van de verdachte, hem vergunt zich te verwijderen, zo nodig met bevel om op een te bepalen tijd weer in de rechtszaal aanwezig te zijn.

Artikel 331

  1. De voorzitter kan, hetzij ambtshalve, hetzij op de vordering van de procureur-generaal of op het verzoek van de verdachte, getuigen tegenover elkaar stellen.

  2. Op gelijke wijze kan hij bevelen dat, na afgelegde getuigenis, een of meer getuigen de rechtszaal zullen verlaten en dat een of meer van hun opnieuw zullen worden binnengelaten, ten einde hetzij afzonderlijk, hetzij in elkaars bijzijn, nogmaals te worden verhoord.

Artikel 332

  1. Op gelijke wijze als bij artikel 331 bedoeld, kan de voorzitter bevelen dat een of meer verdachten de rechtszaal zullen verlaten, opdat een getuige buiten hun tegenwoordigheid zal worden ondervraagd.

  2. In dat geval wordt de verdachte onmiddellijk op de hoogte gesteld van hetgeen in zijn afwezigheid is voorgevallen en eerst daarna met het onderzoek voortgegaan.

Artikel 333

  1. Indien een getuige verdacht wordt zich op de terechtzitting aan het misdrijf van meineed te hebben schuldig gemaakt, kan het Hof ambtshalve, op de vordering van de procureur-generaal of op het verzoek van de verdachte dienaangaande onderzoek bevelen, zonodig met schorsing van het onderzoek op de terechtzitting.

  2. In dat geval wordt door de griffier dadelijk een proces-verbaal opgemaakt en dit door de voorzitter, de rechters, en hemzelf ondertekend. Het proces-verbaal bevat de afgelegde verklaring van de getuige.

  3. De verklaring van de getuige wordt hem voorgelezen; daarna wordt hem gevraagd, of hij bij zijn verklaring blijft volharden, in welk geval deze door hem wordt ondertekend. Bij gebreke van ondertekening vermeldt het proces-verbaal de weigering of de reden van verhindering.

  4. Het Hof kan daarop het instellen van een gerechtelijk vooronderzoek bevelen, in te stellen door de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken. Het kan in dat geval tevens, indien daartoe de voorwaarden en de gronden aanwezig zijn, de gevangenneming bevelen.

  5. Het proces-verbaal wordt door het Hof in handen gesteld van de officier van justitie.

Artikel 335

Indien een getuige, tijdens het gerechtelijk vooronderzoek beëdigd of overeenkomstig artikel 250, tweede lid, aangemaand, overleden is of, naar het oordeel van het Hof, niet op de terechtzitting heeft kunnen verschijnen, of van wiens verhoor overeenkomstig het bepaalde in artikel 318, zevende lid, is afgezien, zal zijn vroegere verklaring, mits ter terechtzitting voorgelezen, als aldaar afgelegd worden aangemerkt.

Artikel 336

  1. Alle bepalingen in deze titel ten aanzien van getuigen en hun verklaringen, zijn ook van toepassing ten aanzien van deskundigen en hun verklaringen, behoudens:

    1. dat de deskundige wordt beëdigd op de wijze als in artikel 45 voor deskundigen is voorgeschreven;

    2. dat artikel 327 niet van toepassing is;

    3. dat gijzeling niet is toegelaten.

  2. De verklaringen en verslagen van deskundigen zijn met redenen omkleed.

  3. De deskundigen zijn verplicht de door het Hof gevorderde diensten te bewijzen.

  4. Van degene die, op de vordering van het openbaar ministerie, door het Hof van Justitie als vaste gerechtelijke deskundige is beëdigd, wordt ter zake van het uitbrengen van een verslag geen nadere eed gevorderd.

Artikel 337

  1. Processen-verbaal, verslagen van deskundigen of andere stukken worden door de voorzitter, wanneer deze of een van de rechters of wel de procureur-generaal dit verlangt, voorgelezen, voor zover daarbij naar zijn oordeel redelijke grenzen niet worden overschreden.

  2. Gelijke voorlezing heeft plaats op verzoek van de verdachte, tenzij het Hof ambtshalve of op het verzet van de procureur-generaal anders beveelt.

  3. In alle gevallen waarin de verdachte verzoekt dat een getuigenverklaring op de terechtzitting zal worden voorgelezen, ten einde als aldaar afgelegd te worden aangemerkt, zal die voorlezing moeten geschieden.

  4. De voorlezing van stukken kan, tenzij de procureur-generaal of de verdachte zich daartegen verzet, worden vervangen door een mondelinge mededeling van de korte inhoud door de voorzitter.

  5. Ten bezware van de verdachte wordt, op straffe van nietigheid, op geen stukken acht geslagen, dan voor zover zij zijn voorgelezen, of hun korte inhoud overeenkomstig het vierde lid is meegedeeld.

  6. Stukken, die op de terechtzitting in eerste aanleg zijn voorgelezen, mogen voor de behandeling in hoger beroep als voorgelezen worden aangemerkt. Indien echter de verdachte verzoekt, dat bepaalde stukken opnieuw zullen worden voorgelezen, wordt aan dat verzoek gevolg gegeven, voor zover door die voorlezing naar het oordeel van het Hof redelijke grenzen niet worden overschreden.

Artikel 338

  1. Wanneer de verdachte zich ertegen verzet,dat een getuige op de voet van het bepaalde in het vierde lid van artikel 261 anoniem is verhoord, kan het Hof die getuige horen zonder dat diens identiteit wordt onthuld. Het kan daartoe de nodige maatregelen nemen. Noch de procureur-generaal noch de verdachte of diens raadsman zijn bij het horen aanwezig. De artikelen 38 tot en met 42 zijn van toepassing, doch alleen voor zover de inachtneming van die artikelen geen gevaar oplevert voor onthulling van de identiteit van de getuige. Alvorens de getuige te horen, stelt het Hof de procureur-generaal in de gelegenheid opmerkingen te maken.

  2. Is het Hof van oordeel, dat ernstige bedreiging in de zin van artikel 261, eerste lid, niet kan worden aangenomen, dan beslist het, dat de getuige geen aanspraak maakt op anonimiteit en dat hij alleen dan opnieuw kan worden verhoord, indien het vierde lid van artikel 261 geen toepassing vindt. Een zodanig verhoor vindt niet plaats dan met toestemming van de procureur-generaal. Het Hof kan ook beslissen dat het proces-verbaal, houdende de verklaring die door de getuige ten overstaan van de rechter-commissaris anoniem is afgelegd, niet tot het bewijs van het strafbare feit is toegelaten.

  3. Indien naar het oordeel van het Hof ernstige bedreiging wel kan worden aangenomen, wordt het verweer van de verdachte verworpen en blijft het proces-verbaal van verhoor deel van de processtukken uitmaken. Indien een nader verhoor wenselijk wordt geoordeeld, kan het Hof beslissen dat de getuige door de rechter-commissaris met toepassing van het vierde lid van artikel 261 nader zal worden verhoord, eventueel met vermelding van de vragen die het Hof gesteld wenst te zien.

  4. Nader verhoor door de rechter-commissaris kan ook worden opgedragen, indien bij een eerder verhoor bepaalde vormen zijn verzuimd.

  5. De bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, komt het Hof ook ambtshalve toe.

Artikel 339

  1. Wanneer een getuige in verband met het bepaalde in het zevende lid van artikel 261 niet door de rechter-commissaris is verhoord, kan het Hof op de vordering van de procureur-generaal een onderzoek instellen naar de gegrondheid van de bezwaren tegen onthulling van de identiteit van die getuige. Het Hof kan daartoe de getuige overeenkomstig het eerste lid van artikel 338 horen. Alvorens de getuige te horen, stelt het Hof de verdachte of diens raadsman in de gelegenheid opmerkingen te maken.

  2. Is het Hof van oordeel, dat ernstige bedreiging in de zin van artikel 261, eerste lid, niet kan worden aangenomen, dan beslist het, dat de getuige geen aanspraak maakt op anonimiteit en dat hij alleen dan kan worden verhoord, indien het vierde lid van artikel 261 geen toepassing vindt. Een zodanig verhoor vindt niet plaats dan met toestemming van de procureur-generaal.

  3. Indien naar het oordeel van het Hof ernstige bedreiging wel kan worden aangenomen, beslist het dat de getuige door de rechter-commissaris met toepassing van het vierde lid van artikel 261 kan worden verhoord, eventueel met vermelding van de vragen die het Hof gesteld wenst te zien.

Artikel 340

  1. Wanneer de rechter in eerste aanleg het proces-verbaal, houdende de verklaring die door een getuige op de voet van het bepaalde in het vierde lid van artikel 261 is afgelegd, niet tot het bewijs van het strafbare feit heeft toegelaten, vindt artikel 339 in hoger beroep overeenkomstige toepassing.

  2. Is een niet eerder verhoorde getuige alsnog, na een daartoe strekkende beslissing van de rechter in eerste aanleg, door de rechter-commissaris met toepassing van het vierde lid van artikel 261 verhoord, dan vindt artikel 338 in hoger beroep overeenkomstige toepassing.

Artikel 341

  1. Nadat alle deskundigen en getuigen zijn verhoord, wordt de verdachte ondervraagd. Hij wordt echter, indien dat door de voorzitter nodig wordt geoordeeld, eerder ondervraagd.

  2. Is er meer dan een verdachte, dan geschiedt de ondervraging in de volgorde, door de voorzitter te bepalen, na de procureur-generaal en de raadslieden te hebben gehoord.

  3. De verdachte wordt eerst door de voorzitter ondervraagd. Daarna kunnen de andere rechters en vervolgens de raadsman en de procureur-generaal vragen stellen.

  4. Wanneer de voorzitter daartoe aanleiding ziet, kan hij de procureur-generaal in de gelegenheid stellen de verdachte het eerst te ondervragen. In dat geval krijgt de raadsman daarna de gelegenheid de verdachte vragen te stellen.

  5. In ieder geval geeft de voorzitter aan de raadsman en aan de procureur-generaal de gelegenheid om naar aanleiding van de verklaring van de verdachte opmerkingen te maken.

  6. De voorzitter bepaalt welke vragen als ontoelaatbaar zijn aan te merken. Hij kan, ambtshalve of op het verzet van de raadsman of van de procureur-generaal, beletten dat aan enige vraag, aan de verdachte gesteld, gevolg wordt gegeven. Op het antwoord, dat op zodanige vraag mocht zijn gegeven, wordt geen acht geslagen.

Artikel 342

Gedurende de verdere loop van het onderzoek kunnen de verdachte door de voorzitter, de rechters, de procureur-generaal, de raadsman en de medeverdachte vragen worden gesteld.

Artikel 343

Bij het verhoor van de verdachte wordt zoveel mogelijk onderzocht, of zijn verklaring op eigen wetenschap steunt.

Artikel 344

Noch de voorzitter, noch een van de rechters geeft op de terechtzitting blijk van enige overtuiging omtrent schuld of onschuld van de verdachte.

Artikel 345

Indien de verdachte de stilte of de orde op de terechtzitting verstoort en vruchteloos door de voorzitter is gewaarschuwd, kan deze zijn verwijdering uit de rechtszaal bevelen en, zo nodig, bepalen, dat hij gedurende het geheel of een gedeelte van de zitting elders zal worden opgehouden. De behandeling van de zaak wordt voortgezet en de uitspraak geschiedt als ware de verdachte tegenwoordig. In dat geval blijft de raadsman van de verdachte met de verdediging belast.

Artikel 346

  1. De voorzitter kan, hetzij ambtshalve, hetzij op de vordering van de procureur-generaal of op het verzoek van de verdachte, bepalen dat vragen betreffende de persoonlijke of de levensomstandigheden van de verdachte buiten diens tegenwoordigheid zullen worden gesteld en behandeld, dat de procureur-generaal of de raadsman buiten tegenwoordigheid van de verdachte betreffende diens geestvermogens het woord zal voeren.

  2. De voorzitter kan dienovereenkomstig bepalen, dat de verdachte buiten tegenwoordigheid van een of meer medeverdachten zal worden verhoord.

  3. Het tweede lid van artikel 332 is van toepassing.

Artikel 347

Na de ondervraging van de verdachte kunnen, op de voet van artikel 326, aan de getuigen opnieuw vragen worden gesteld of stukken worden voorgelezen.

Artikel 348

  1. Indien een verdachte of getuige de rechtstaal niet verstaat heeft het onderzoek niet plaats zonder bijstand van een tolk.

  2. Indien een verdachte of getuige niet of slechts zeer gebrekkig horen of spreken kan, geschieden de vragen of de antwoorden schriftelijk.

  3. Kan de in het tweede lid bedoelde verdachte of getuige niet of slechts zeer gebrekkig lezen of schrijven, dan wordt de bijstand van een daartoe geschikt persoon als tolk gevorderd.

  4. De tolk wordt, zo nodig, vanwege de procureur-generaal gedagvaard.

  5. Indien op de terechtzitting de bijstand van een tolk blijkt nodig te zijn, kan het Hof de dagvaarding van een tolk bevelen.

  6. Bij niet-verschijning van een tolk is artikel 321 van overeenkomstige toepassing.

  7. De verdachte kan op bepaald aangegeven gronden de tolk wraken. Het Hof doet daarover terstond uitspraak.

Artikel 349

  1. De tolk wordt, alvorens met zijn werkzaamheden aan te vangen, beëdigd.Artikel 250, tweede lid, betreffende vervanging van de beëdiging door een aanmaning is, van overeenkomstige toepassing.

  2. Van degene, die op de vordering van het openbaar ministerie door het Hof van Justitie als vaste gerechtelijke tolk is beëdigd, wordt geen nadere eed gevorderd.

  3. Geen van de getuigen, medeverdachten, leden van het openbaar ministerie of rechters wordt als tolk toegelaten.

Artikel 350

In de gevallen, waarin de bijstand van een tolk wordt gevorderd, wordt ten bezware van de verdachte geen acht geslagen op hetgeen ter terechtzitting is gesproken of voorgelezen zonder voor hem vertolkt te zijn.

Artikel 351

  1. De voorzitter toont zo nodig de verdachte en de getuigen de voorwerpen, die als stukken van overtuiging dienen en verhoort hen daaromtrent.

  2. De verdachte is bevoegd zodanige voorwerpen ter terechtzitting mee te nemen en over te leggen.

Artikel 352

Het Hof heeft gelijke bevoegdheid als in artikel 197 aan het openbaar ministerie is toegekend. Het oefent die uit hetzij ambtshalve, hetzij op de vordering van de procureur-generaal, of op het verzoek van de verdachte.

Artikel 353

  1. Nadat, behoudens het bepaalde bij artikel 347, de ondervraging van de verdachte heeft plaatsgehad, kan de procureur-generaal het woord voeren en legt hij zijn vordering, na voorlezing, aan het Hof over. De vordering omschrijft de straf of de maatregel, indien oplegging daarvan wordt geëist, en vermeldt in dat geval tevens, welk bepaald strafbaar feit zou zijn begaan. De procureur-generaal maakt, voor zover zulks aan de verdachte niet reeds eerder was gebleken, kenbaar of hij voornemens is een vordering als bedoeld in artikel 38e van het Wetboek van Strafrecht BES aanhangig te maken, alsmede of daartoe een strafrechtelijk financieel onderzoek, als bedoeld in artikel 177a, is ingesteld. Van deze mededeling van de procureur-generaal wordt in het proces-verbaal van de terechtzitting aantekening gedaan.

  2. De verdachte kan hierop antwoorden.

  3. De procureur-generaal kan daarna andermaal het woord voeren.

  4. Daarna kan de verdachte nog eenmaal opmerkingen maken.

  5. Aan de verdachte wordt echter, op straffe van nietigheid, het recht gelaten om het laatst te spreken.

  6. Ook daarna is artikel 347 van toepassing en kan ook de verdachte nader worden ondervraagd. In dat geval kunnen de procureur-generaal en de verdachte nogmaals, op de hiervoor vermelde voet, het woord voeren.

Artikel 354

Indien uit het onderzoek omstandigheden zijn bekend geworden die, niet in de dagvaarding vermeld, volgens wettelijke regeling tot verzwaring van straf grond opleveren, is de procureur-generaal bevoegd deze alsnog mondeling ten laste te leggen.

Artikel 355

  1. Indien in het geding in eerste aanleg en buiten het geval van artikel 354 de officier van justitie oordeelt dat de telastelegging behoort te worden gewijzigd, legt hij de inhoud van de door hem noodzakelijk geachte wijzigingen schriftelijk aan de rechter over, voordat hij voor de eerste maal overeenkomstig artikel 353 het woord voert, met de vordering dat die wijzigingen zullen worden toegelaten.

  2. De verdachte wordt op de vordering tot wijziging gehoord.

  3. Indien de rechter de vordering toewijst, doet hij ter terechtzitting de inhoud van de aangebrachte wijzigingen in het proces-verbaal opnemen. In geen geval worden wijzigingen toegelaten, als gevolg waarvan de telastelegging niet langer hetzelfde feit, in de zin van artikel 70 van het Wetboek van Strafrecht BES, zou inhouden.

Artikel 356

  1. Indien de telastelegging overeenkomstig artikel 355 is gewijzigd, wordt aan de verdachte door de griffier een gewaarmerkt afschrift van de wijziging op de terechtzitting zelf ter hand gesteld. Is de verdachte niet ter terechtzitting aanwezig, dan wordt hem de wijziging zo spoedig mogelijk betekend.

  2. De rechter schorst het onderzoek voor een bepaalde tijd; met toestemming van de verdachte kan echter het onderzoek aanstonds worden voortgezet.

Artikel 357

  1. Indien in de telastelegging voor de opgave van het feit is volstaan met een omschrijving als bedoeld in artikel 285, derde lid, wordt die opgave alsnog in overeenstemming gebracht met de in het eerste en tweede lid van dat artikel gestelde eisen.

  2. De artikelen 355, met uitzondering van de laatste volzin van het derde lid, en 356 vinden overeenkomstig toepassing.

Artikel 358

  1. Indien aan het Hof de noodzakelijkheid blijkt van het verhoor van op de terechtzitting nog niet verhoorde getuigen of deskundigen, of van de overlegging van bescheiden of stukken van overtuiging, die niet op de terechtzitting aanwezig zijn, beveelt het zo nodig onder bijvoeging van een bevel tot medebrenging, tegen een door het Hof te bepalen tijdstip de dagvaarding van die getuigen of deskundigen of de overlegging van die bescheiden of die stukken van overtuiging.

  2. Het in het eerste lid bepaalde is niet van toepassing op de getuige, die overeenkomstig het bepaalde in artikel 261 is verhoord.

Artikel 359

  1. Indien enig onderzoek door de rechter-commissaris noodzakelijk blijkt, stelt het Hof met schorsing van de zaak onder aanduiding van het onderwerp van het onderzoek en, zo nodig, van de wijze waarop dit zal zijn in te stellen, de stukken in handen van de rechter-commissaris.

  2. Het onderzoek geldt als een gerechtelijk vooronderzoek en wordt overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 226 tot en met 271 gevoerd. Alsdan kan de rechter-commissaris de bevoegdheden die hem tijdens het gerechtelijk vooronderzoek en overigens tijdens het voorbereidend onderzoek na tussenkomst van de officier van justitie of op het verzoek van de verdachte zijn toegekend, ambtshalve uitoefenen.

Artikel 360

  1. Indien het noodzakelijk is dat een onderzoek naar de geestvermogens van de verdachte tegen wie voorlopige hechtenis is bevolen, wordt ingesteld en dit niet voldoende op een andere wijze kan plaatsvinden, beveelt het Hof bij een met redenen omklede beslissing dat de verdachte ter waarneming zal worden overgebracht naar een in het bevel aan te duiden psychiatrisch ziekenhuis tot verpleging of genezing bestemd.

  2. Het bevel wordt niet gegeven dan nadat het oordeel van een of meer deskundigen is ingewonnen en de procureur-generaal, de verdachte en zijn raadsman in de gelegenheid zijn gesteld om terzake te worden gehoord.

  3. Artikel 177 is van toepassing met dien verstande dat het bevel, bedoeld bij het tweede lid van dat artikel, slechts door het Hof kan worden gegeven.

Artikel 361

  1. Indien het Hof het houden van een schouw of het horen van getuigen of verdachten elders dan in de rechtszaal noodzakelijk acht, kan zij te dien einde, met schorsing van de zaak, bevelen dat de terechtzitting tijdelijk zal worden verplaatst.

  2. Het Hof is bevoegd daartoe met de personen door haar aangewezen elke plaats te betreden. Van het binnentreden in een woning zonder de uitdrukkelijke toestemming van de bewoner wordt binnen tweemaal vierentwintig uren proces-verbaal opgemaakt. Artikel 163, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.

  3. Het Hof is bevoegd, naar aanleiding van de gesteldheid van de plaats waar de tijdelijke terechtzitting zal worden gehouden, de nodige voorschriften te geven voor de wijze van behandeling van de zaak op die terechtzitting.

Artikel 362

  1. In alle gevallen, waarin het onderzoek wordt onderbroken of voor een bepaalde tijd geschorst, wordt door de voorzitter aan de aanwezige verdachte en aan de aanwezige getuigen, deskundigen en tolken mondeling het tijdstip aangezegd, waarop zij op de terechtzitting aanwezig zullen moeten zijn, tenzij het Hof, de procureur-generaal en de verdachte gehoord, bepaalt dat hun tegenwoordigheid bij de nadere behandeling niet is vereist. De aanzegging geldt als dagvaarding. Bij niet-verschijning van getuigen, deskundigen of tolken op het aangewezen tijdstip is artikel 321 van toepassing.

  2. De verdachte, getuigen, deskundigen en tolken, die bij de in het eerste lid bedoelde aanzegging niet op de terechtzitting aanwezig zijn, worden, in geval van schorsing, voor de nadere behandeling opnieuw opgeroepen of gedagvaard, tenzij het Hof, de procureur-generaal en de verdachte gehoord, bepaalt dat hun tegenwoordigheid bij de nadere behandeling niet is vereist.

Artikel 363

  1. In alle gevallen waarin het onderzoek voor een onbepaalde tijd is geschorst, wordt, zodra de oorzaak van de schorsing is vervallen, de verdachte opgeroepen en worden de getuigen, deskundigen en tolken opnieuw ter terechtzitting voor de nadere behandeling bepaald, gedagvaard, tenzij het Hof, de procureur-generaal en de verdachte gehoord, bepaalt dat hun tegenwoordigheid bij de nadere behandeling niet is vereist.

  2. De verdachte, getuigen, deskundigen en tolken die, ofschoon opgeroepen of gedagvaard, niet op de terechtzitting zijn verschenen, worden opnieuw opgeroepen of gedagvaard, tenzij het Hof, de procureur-generaal en de verdachte gehoord, bepaalt dat hun tegenwoordigheid bij de nadere behandeling niet is vereist.

  3. Hetgeen bij artikel 290 ten opzichte van de dagvaarding van de verdachte is bepaald, geldt hier ten aanzien van de oproeping van de verdachte.

Artikel 364

  1. In alle gevallen, waarin, na schorsing, het onderzoek op een nadere terechtzitting wordt hervat, kunnen nieuw bij te brengen, nog niet verhoorde getuigen en deskundigen overeenkomstig de artikelen 287, eerste lid, en 289 worden gedagvaard.

  2. Artikel 287, tweede en derde lid, vindt overeenkomstig toepassing.

  3. De nieuw bijgebrachte getuigen worden op de getuigenlijst geplaatst.

  4. Artikel 318, derde lid, is van toepassing.

  5. De bepalingen strekkende tot bescherming van de bedreigde getuige zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 365

  1. Onverminderd het bepaalde bij artikel 366, wordt in alle gevallen waarin schorsing van het onderzoek plaatsheeft, de zaak op de nadere terechtzitting hervat in de stand waarin zij zich op het tijdstip van de schorsing bevond. Het Hof is bevoegd te bevelen dat het onderzoek op de terechtzitting opnieuw wordt aangevangen.

  2. In het geval dat het onderzoek opnieuw wordt aangevangen, wordt de verklaring van een getuige die bij het voorgaand onderzoek is verhoord, mits op de nadere terechtzitting voorgelezen, als aldaar afgelegd aangemerkt:

    1. indien die getuige overleden is of naar het oordeel van het Hof niet op de nadere terechtzitting heeft kunnen verschijnen,

    2. indien die getuige op de nadere terechtzitting is verschenen, doch weigert getuigenis te geven, of

    3. indien met toestemming van de procureur-generaal en de verdachte van zijn verhoor wordt afgezien.

Artikel 366

  1. Indien bij de hervatting van het onderzoek de verdachte tegen wie voor de schorsing verstek is verleend, op de terechtzitting voor de nadere behandeling bepaald, verschijnt, of zich in de gevallen, bij wettelijke regeling, toegelaten, door een gemachtigde laat vertegenwoordigen, wordt het verleend verstek vervallen verklaard.

  2. Het Hof kan gelasten dat bepaalde handelingen van onderzoek opnieuw zullen plaatsvinden.

  3. Het tweede lid van artikel 365 is van toepassing.

Artikel 367

  1. Niettegenstaande de schorsing is het Hof bevoegd te allen tijde het onderzoek op de terechtzitting voor bepaalde spoedeisende maatregelen tijdelijk te heropenen.

  2. De artikelen 363, 364 en 365 zijn van toepassing.

Artikel 368

  1. Indien buiten het geval van artikel 308 of van artikel 366 de verdachte tegen wie verstek is verleend, gedurende het onderzoek op de terechtzitting verschijnt of zich in de gevallen, bij wettelijke regeling toegelaten, door een gemachtigde laat vertegenwoordigen, kan het Hof het verstek vervallen verklaren. In dat geval wordt het onderzoek opnieuw aangevangen, hetzij dadelijk, hetzij op een nader te bepalen terechtzitting.

  2. Het tweede lid van artikel 365 is van toepassing.

Artikel 369

  1. De griffier houdt het proces-verbaal van de terechtzitting, waarin achtereenvolgens aantekening geschiedt van de in acht genomen vormen en van al hetgeen met betrekking tot de zaak op de terechtzitting voorvalt.

  2. Het behelst tevens de zakelijke inhoud van de verklaringen van de getuigen, deskundigen en verdachten. Indien de procureur-generaal vordert of de verdachte verzoekt dat enige verklaring woordelijk zal worden opgenomen, wordt daaraan, voor zover de verklaring redelijke grenzen niet overschrijdt, op last van het Hof zoveel mogelijk voldaan en daarvan voorlezing gedaan Acht de procureur-generaal of de verdachte de verklaring niet voldoende weergegeven, dan beslist het Hof.

  3. De voorzitter kan gelasten dat in het proces-verbaal van enige bepaalde omstandigheid, verklaring of opgave aantekening zal worden gedaan.

  4. Gelijke aantekening geschiedt, wanneer een van de rechters het verlangt, of op de vordering van de procureur-generaal of op het verzoek van de verdachte.

Artikel 370

Het proces-verbaal wordt door de voorzitter of door een van de rechters, die over de zaak heeft geoordeeld, en de griffier vastgesteld en zo spoedig mogelijk na elke sluiting van de terechtzitting en in ieder geval binnen de in het eerste lid van artikel 410 vermelde termijn ondertekend. Voor zover de griffier tot een en ander buiten staat is, geschiedt dit zonder zijn medewerking en wordt van zijn verhindering aan het slot van het proces-verbaal melding gemaakt.

Artikel 371

Tot het nemen van elke rechterlijke beslissing op grond van de bepalingen van deze titel kan door de procureur-generaal een vordering en door de verdachte een verzoek tot het Hof worden gedaan, tenzij uit enige bepaling het tegendeel volgt.

Artikel 372

Alvorens te beslissen op enig verzoek of verzet van de verdachte, hoort het Hof de procureur-generaal. Alvorens te beslissen op enige vordering of op enig verzet van de procureur- generaal, hoort het Hof de verdachte, indien deze tegenwoordig is, of diens raadsman.

Artikel 373

  1. Elke bevoegdheid, aan de verdachte bij deze titel toegekend, komt ook toe aan diens raadsman.

  2. In alle gevallen waarin bij deze titel de toestemming of het horen van de verdachte of diens raadsman wordt gevorderd, geldt dit alleen ten aanzien van de op de terechtzitting aanwezige verdachte of raadsman.

Artikel 374

  1. De benadeelde partij kan zich ter zake van haar vordering tot schadevergoeding, indien deze wordt beperkt tot ten hoogste USD 27.933 en zij niet aan het oordeel van de burgerlijke rechter is onderworpen, voegen in het geding over de strafzaak in eerste aanleg. De vordering dient naar het oordeel van de rechter van zodanige aard te zijn, dat zij zich leent voor een beslissing in de strafzaak.

  2. Tot deze voeging kan zij voorts door de rechter worden toegelaten ingeval een niet tenlastegelegd strafbaar feit, als bedoeld in artikel 412, bij het onderzoek ter terechtzitting ter sprake komt en dit feit in beginsel bij de strafbepaling in aanmerking kan worden genomen.

  3. De voeging geschiedt op de terechtzitting door een opgave van de inhoud van de vordering, uiterlijk voordat de officier van justitie zijn vordering ingevolge artikel 353 overlegt.

  4. De benadeelde partij die zich niet in het geding in eerste aanleg heeft gevoegd, is daartoe onbevoegd in het geding in hoger beroep.

  5. Heeft de voeging in eerste aanleg plaatsgehad, dan duurt zij, voor zover de vordering is toegewezen, van rechtswege voort in hoger beroep, ook al is de benadeelde partij in hoger beroep niet verschenen.

  6. Is de vordering niet of slechts ten dele toegewezen, dan kan de benadeelde partij zich binnen de grenzen van haar eerste vordering in het geding in hoger beroep voegen. Het derde lid is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 375

Zij, die om in een burgerlijk geding in rechte te verschijnen, bijstand behoeven of vertegenwoordigd moeten worden, hebben, om zich in het strafgeding te voegen, die bijstand of die vertegenwoordiging nodig. Ten aanzien van de verdachte zijn de bepalingen betreffende de bijstand of de vertegenwoordiging, nodig in burgerlijke zaken, niet van toepassing.

Artikel 376

  1. De benadeelde partij kan zich doen bijstaan door een advocaat. Zij kan zich doen vertegenwoordigen door een advocaat of door een daartoe bij bijzondere volmacht schriftelijk gemachtigde.

  2. Nadat de zaak ter terechtzitting is aanhangig gemaakt, kan zowel de benadeelde partij als haar advocaat ter griffie inzage nemen van de processtukken, zonder de voortzetting van de zaak op te houden.

  3. De benadeelde partij kan van deze stukken met toestemming van de voorzitter, afschriften doen nemen.

  4. Ten aanzien van de bevoegdheid van de benadeelde partij en haar advocaat tot de kennisneming van processtukken en het bekomen van afschrift daarvan vinden de artikelen 51 tot en met 54 overeenkomstige toepassing.

Artikel 377

  1. De benadeelde partij of haar advocaat kan tot bewijs van de geleden schade of van het bedrag daarvan stukken overleggen.

  2. De voorzitter kan aan de benadeelde partij toestemming geven om getuigen of deskundigen aan te brengen.

Artikel 378

  1. De benadeelde partij of haar advocaat kan aan elke getuige en deskundige vragen doen, doch alleen betreffende de geleden schade of het bedrag daarvan.

  2. De ondervraging van getuigen en deskundigen door de benadeelde partij of haar advocaat geschiedt door tussenkomst van de voorzitter, tenzij het Hof toestaat dat zij zonder die tussenkomst zal geschieden. De toestemming kan steeds worden ingetrokken.

  3. Het Hof kan beletten dat aan enige vraag, door of namens de benadeelde partij gesteld, gevolg wordt gegeven.

Artikel 379

De benadeelde partij kan haar eis toelichten of doen toelichten, nadat de officier van justitie zijn vordering ingevolge artikel 353 heeft overgelegd. Zij heeft andermaal het woord, nadat de officier van justitie in de gelegenheid is gesteld ten tweede male het woord te voeren.

Artikel 380

  1. Het Hof doet over de vordering van de benadeelde partij gelijktijdig met de strafzaak uitspraak.

  2. De vordering zal alleen ontvankelijk zijn, indien de verdachte enige straf of maatregel wordt opgelegd, of wordt schuldig verklaard zonder oplegging van enige straf of maatregel.

  3. Bij toewijzing van de vordering veroordeelt het Hof de verdachte geheel of ten dele in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

  4. Hieronder zijn niet begrepen de kosten die het Hof verklaart nodeloos te zijn gemaakt.

  5. Bij gehele of gedeeltelijke ontzegging veroordeelt het Hof de benadeelde partij geheel of ten dele in de kosten door de verdachte te zijner verdediging tegen de vordering gemaakt, met uitzondering van die kosten die het Hof verklaart nodeloos te zijn gemaakt.

Artikel 381

Het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, kan door de rechter slechts worden aangenomen, indien hij daarvan uit het onderzoek op de terechtzitting door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging heeft bekomen.

Artikel 382

  1. Als wettige bewijsmiddelen worden alleen erkend:

    1. eigen waarneming van de rechter;

    2. verklaringen van de verdachte;

    3. verklaringen van een getuige;

    4. verklaringen van een deskundige;

    5. schriftelijke bescheiden.

  2. Feiten of omstandigheden van algemene bekendheid behoeven geen bewijs.

Artikel 383

Onder eigen waarneming van de rechter wordt verstaan die welke bij het onderzoek op de terechtzitting door hem persoonlijk is geschied.

Artikel 384

  1. Onder verklaring van de verdachte wordt verstaan, zijn bij het onderzoek op de terechtzitting gedane opgave van feiten of omstandigheden, hem uit eigen wetenschap bekend.

  2. Zodanige opgave, elders dan ter terechtzitting gedaan, kan tot het bewijs, dat de verdachte het tenlastegelegde feit begaan heeft, meewerken, indien daarvan uit enig wettig bewijsmiddel blijkt.

  3. Zijn opgaven kunnen alleen te zijnen aanzien gelden.

  4. Het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, kan door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op grond van diens eigen verklaringen.

  5. Houden de opgaven van de verdachte een gerechtelijke bekentenis van schuld in, dan worden zij door een herroeping van de bekentenis niet krachteloos gemaakt, tenzij die herroeping op aannemelijke gronden berust.

Artikel 385

  1. Onder verklaring van een getuige wordt verstaan, zijn bij het onderzoek op de terechtzitting gedane mededeling van feiten of omstandigheden, die hij zelf waargenomen of ondervonden heeft.

  2. De verklaring van een getuige wiens identiteit niet blijkt, kan niet meewerken tot het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, behoudens ingeval de getuige met toepassing van het vierde lid van artikel 261 is verhoord.

  3. Het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, kan door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van slechts één getuige.

  4. Verklaringen van getuigen, die overeenkomstig het bepaalde in artikel 261 zijn verhoord, mogen alleen dan als bewijsmateriaal worden gebezigd, indien belangrijke steun aan ander gebezigd bewijsmateriaal kan worden ontleend.

Artikel 386

Onder verklaring van een deskundige wordt verstaan, zijn bij het onderzoek op de terechtzitting meegedeeld gevoelen betreffende hetgeen zijn wetenschap hem leert omtrent datgene wat aan zijn oordeel onderworpen is.

Artikel 387

  1. Onder schriftelijke bescheiden worden verstaan:

    1. beslissingen in de wettelijke vorm opgemaakt door colleges of personen met rechtspraak belast;

    2. processen-verbaal en andere geschriften, in de wettelijke vorm opgemaakt door colleges en personen, die daartoe bevoegd zijn, en behelzende hun mededeling van feiten of omstandigheden, door hen zelf waargenomen of ondervonden;

    3. geschriften opgemaakt door openbare colleges of ambtenaren, betreffende onderwerpen behorende tot de onder hun beheer gestelde dienst, en bestemd om tot bewijs van enig feit of van enige omstandigheid te dienen;

    4. verslagen van deskundigen behelzende hun gevoelen betreffende hetgeen hun wetenschap hen leert omtrent datgene wat aan hun oordeel onderworpen is;

    5. alle andere geschriften, doch deze kunnen alleen gelden in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.

  2. Het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft gepleegd, kan door de rechter worden aangenomen op het proces-verbaal van een opsporingsambtenaar.

  3. Schriftelijke bescheiden, houdende de verklaring van een persoon wiens identiteit niet blijkt, kunnen slechts als bewijsmiddel worden erkend, indien deze persoon met de toestemming van of door de rechter-commissaris op de voet van het bepaalde in artikel 261 is verhoord, mits belangrijke steun aan ander gebezigd bewijsmateriaal kan worden ontleend.

Artikel 388

  1. Na afloop van het onderzoek wordt dit door de voorzitter gesloten verklaard en wordt hetzij aanstonds de uitspraak gedaan, hetzij door de voorzitter mondeling meegedeeld, wanneer zij volgens de bepaling van het Hof zal plaatsvinden.

  2. De uitspraak kan op de bepaalde dag mondeling tot een nadere dag worden uitgesteld. De uitspraak kan, op straffe van nietigheid, niet vervroegd worden, tenzij zij gedaan wordt in tegenwoordigheid van de verdachte.

  3. In geen geval mag de uitspraak later plaatsvinden dan op de eenentwintigste dag na de sluiting van het onderzoek.

  4. Heeft de uitspraak alsdan niet plaatsgehad, dan wordt de zaak op de bestaande tenlastelegging door hetzelfde college opnieuw onderzocht.

Artikel 389

De artikelen 414 tot en met 428 kunnen in eerste aanleg ook bij de berechting van misdrijven toepassing vinden, indien naar het oordeel van de rechter de zaak van eenvoudige aard is, bepaaldelijk ook ten aanzien van het bewijs en de toepassing van de wettelijke regeling en daarin geen zwaardere hoofdstraf dan gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden dient te worden opgelegd.

Artikel 390

  1. Ingeval bij de beraadslaging blijkt dat het onderzoek niet volledig is geweest, kan het Hof op de terechtzitting bevelen dat op een door het Hof te bepalen terechtzitting het onderzoek wordt hervat.

  2. Bij het bevel worden tevens aangewezen de getuigen, deskundigen en tolken, wier verhoor of tegenwoordigheid nodig wordt geacht, of de bescheiden of stukken van overtuiging waarvan het Hof inzage of bezichtiging wenst.

  3. In dit geval wordt gehandeld als ware het onderzoek voor onbepaalde tijd geschorst, met dien verstande dat de verplichte oproeping alleen betreft de verdachte en dat alleen de in het bevel aangewezen getuigen, deskundigen, en tolken, opnieuw worden gedagvaard.

Artikel 391

  1. Ook kan, in het geval bij het eerste lid van artikel 390 bedoeld, het Hof overeenkomstig de bepalingen van artikel 359 een onderzoek door de rechter-commissaris doen plaatsvinden.

  2. In dit geval wordt gehandeld als ware het onderzoek voor onbepaalde tijd geschorst.

Artikel 392

  1. Het Hof onderzoekt op de grondslag van de telastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting de geldigheid van de dagvaarding, de bevoegdheid van het Hof tot kennisneming van het tenlastegelegde feit en de ontvankelijkheid van de procureur-generaal en of er redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

  2. In het geding in hoger beroep geschiedt dat onderzoek mede naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg, zoals dit volgens het daarvan opgemaakte proces-verbaal heeft plaatsgehad, en onderzoekt het Hof de ontvankelijkheid van het hoger beroep alvorens tot het onderzoek van de geldigheid van de dagvaarding over te gaan.

Artikel 393

Indien het onderzoek in artikel 392 bedoeld, daartoe aanleiding geeft, spreekt het Hof uit de niet-ontvankelijkheid van het ingestelde hoger beroep, de nietigheid van de dagvaarding, de onbevoegdheid van het Hof, de niet-ontvankelijkheid van de procureur-generaal of de schorsing van de vervolging.

Artikel 394

  1. Indien het onderzoek in artikel 392 bedoeld niet leidt tot toepassing van artikel 393, beraadslaagt het Hof op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting over de vraag of bewezen is dat het feit door de verdachte is begaan, en, zo ja, welk strafbaar feit het bewezenverklaarde volgens wettelijke regeling oplevert; indien wordt aangenomen dat het feit bewezen en strafbaar is, dan beraadslaagt het Hof over de strafbaarheid van de verdachte en over de oplegging van straf of maatregel, bij wettelijke regeling bepaald.

  2. In het geding in hoger beroep geschiedt de beraadslaging mede naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg, zoals dit volgens het daarvan opgemaakte proces-verbaal heeft plaatsgehad.

Artikel 395

  1. Acht het Hof het tenlastegelegde feit bewezen en het feit en de verdachte strafbaar, dan legt het op de straf of de maatregel, op het feit gesteld.

  2. In het geding in hoger beroep kan slechts met eenparigheid van stemmen worden bewezenverklaard datgene waarvan de verdachte in eerste aanleg is vrijgesproken. Die eenparigheid is echter niet vereist, indien bij een alternatieve telastelegging in eerste aanleg is beslist, dat door de verdachte een van de hem tenlastegelegde feiten is begaan.

  3. Indien alleen de verdachte in hoger beroep is gekomen, kan hij ter zake van hetgeen in eerste aanleg te zijnen laste bewezen is verklaard, slechts met eenparigheid van stemmen tot een zwaardere straf worden veroordeeld, dan hem bij het vonnis is opgelegd.

Artikel 396

  1. Acht het Hof niet bewezen dat de verdachte het hem tenlastegelegde feit heeft begaan, dan spreekt het hem vrij. Indien de vrijspraak voortvloeit uit de toepassing van artikel 413, dan wordt daarvan in het bijzonder reden gegeven.

  2. Acht het Hof het feit bewezen, en het feit of de verdachte niet strafbaar, dan ontslaat het hem van alle rechtsvervolging te dier zake. In het geval bedoeld bij artikel 39, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht BES, wordt zonodig de last, bedoeld in het tweede lid van dat artikel, gegeven. In het geval bedoeld in artikel 41 van het Wetboek van Strafrecht BES, wordt zo nodig de maatregel van ter beschikkingstelling van de regering, zonder toepassing van enige straf opgelegd.

Artikel 397

  1. In het geval van oplegging van straf of maatregel, van vrijspraak of ontslag van alle rechtsvervolging gelast het Hof, tenzij het verklaart tot het geven van zodanige last niet in staat te zijn, dat inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerpen zullen worden teruggegeven aan een met name genoemde persoon, voor zover zij niet worden verbeurdverklaard of onttrokken aan het verkeer. De beslissing van het Hof laat ieders rechten op het voorwerp onverlet. Artikel 144 vindt zoveel mogelijk toepassing.

  2. Het Hof kan gelasten dat een voorwerp, waarover een geding bij de burgerlijke rechter aanhangig is, hangende dit geding op een bepaalde wijze zal worden bewaard, op kosten van ongelijk.

  3. Op een last, ingevolge het eerste en tweede lid gegeven, is artikel 145 van overeenkomstige toepassing.

  4. Het Hof kan de teruggave van inbeslaggenomen voorwerpen onder zekerheidstelling gelasten. Artikel 145a is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 398

  1. Indien een uitspraak bij verstek is gedaan, kan, nadat deze uitvoerbaar is geworden, de beslissing van het Hof ten aanzien van de stukken van overtuiging worden uitgevoerd, nadat van die stukken, indien de uitspraak nog niet in kracht van gewijsde is gegaan, een nauwkeurige beschrijving door de griffier is opgemaakt en op de griffie neergelegd.

  2. Het Hof kan van de teruggave of vernietiging overeenkomstig het eerste lid uitzonderen zodanige voorwerpen, als het nodig vindt.

Artikel 399

  1. Indien het Hof valsheid in authentiek geschrift aanneemt, verklaart het bij de uitspraak het gehele stuk vals, of wijst het aan waarin de valsheid bestaat.

  2. Zodra het vonnis in kracht van gewijsde is gegaan, stelt de griffier een door hem ondertekende aantekening op het stuk, houdende dat dit geheel of gedeeltelijk is vals verklaard en vermeldende het vonnis waarbij dit is geschied.

  3. Het in het tweede lid bepaalde is niet van toepassing op akten, voorkomende in een register van de burgerlijke stand.

  4. Grossen, afschriften of uittreksels van het stuk worden niet uitgegeven, dan met bijvoeging van de daarop gestelde aantekening.

Artikel 400

  1. Het vonnis behelst voor zover mogelijk naam en voornamen, leeftijd, geboorteplaats, beroep en woon- of verblijfplaats van de verdachte.

  2. Het bevat voorts, op straffe van nietigheid, de namen van de rechters door wie het is gewezen en de dag van de uitspraak.

Artikel 401

  1. In het geding in eerste aanleg bevat het vonnis, in de gevallen van artikel 393, de daarbij vermelde beslissingen.

  2. In de andere gevallen bevat het vonnis de beslissing over de punten, bij artikel 394, eerste lid, vermeld.

  3. Wordt, in strijd met het te dien aanzien door de verdachte uitdrukkelijk voorgedragen verweer, artikel 393 niet toegepast of aangenomen dat het bewezenverklaarde een bepaald strafbaar feit oplevert of dat een bepaalde strafverminderings- of strafuitsluitingsgrond niet aanwezig is, dan geeft het vonnis daaromtrent bepaaldelijk een beslissing.

  4. Het vonnis vermeldt verder, in geval van oplegging van straf of maatregel, de wettelijke voorschriften waarop deze is gegrond.

  5. Alles op straffe van nietigheid.

Artikel 402

  1. Het vonnis bevat het tenlastegelegde alsmede de vordering van de procureur-generaal.

  2. De beslissingen vermeld in de artikelen 393 en 401, tweede en derde lid, zijn met redenen omkleed. Het vonnis geeft, indien de beslissing afwijkt van door de verdachte dan wel door de procureur-generaal uitdrukkelijk onderbouwde standpunten, in het bijzonder de redenen op die daartoe hebben geleid.

  3. De beslissing dat het feit door de verdachte is begaan, moet steunen op de inhoud van in het vonnis opgenomen bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten of omstandigheden.

  4. Het vonnis geeft in het bijzonder de redenen op, die de straf hebben bepaald of tot de maatregel hebben geleid.

  5. Bij de oplegging van een straf of maatregel die vrijheidsontneming meebrengt, geeft het vonnis in het bijzonder de redenen op die tot de keuze van deze strafsoort, dan wel tot deze soort maatregel hebben geleid. Het vonnis geeft voorts zoveel mogelijk de omstandigheden aan, waarop bij de vaststelling van de duur van de straf is gelet.

  6. Indien een zwaardere straf wordt opgelegd dan de procureur-generaal heeft gevorderd, dan wel een straf onvoorwaardelijk wordt opgelegd die vrijheidsontneming van langere duur meebrengt dan de procureur-generaal heeft gevorderd, geeft het vonnis steeds in het bijzonder de redenen op die daartoe hebben geleid. Hetzelfde geldt ingeval het Hof een zwaardere straf of maatregel oplegt dan de rechter in eerste aanleg heeft opgelegd.

  7. Het vonnis wordt binnen vier maanden na de einduitspraak aangevuld met de in het derde lid bedoelde bewijsmiddelen indien de verdachte een rechtsmiddel heeft ingesteld dan wel indien de verdachte of diens raadsman daarom verzoekt of de procureur-generaal dit vordert.

  8. Behoudens het gestelde in het derde lid geschiedt alles op straffe van nietigheid.

Artikel 403

  1. Indien het bewijs mede wordt aangenomen op de verklaring van één getuige als bedoeld bij artikel 250, tweede lid, of van een getuige, die is verhoord op de voet van het bepaalde in artikel 261, geeft het vonnis daarvan in het bijzonder reden.

  2. Indien na schorsing van de vervolging wegens een geschilpunt van burgerlijk recht van de uitspraak van de burgerlijke rechter wordt afgeweken, geeft het vonnis ook daarvan in het bijzonder reden.

  3. Alles op straffe van nietigheid.

Artikel 404

  1. Heeft de benadeelde partij zich in het geding gevoegd, dan beraadslaagt het Hof mede over zijn bevoegdheid om over de vordering te oordelen, over de ontvankelijkheid van die partij, over de gegrondheid van haar vordering, en over de verwijzing in de kosten door die partij en de verdachte gemaakt.

  2. Het vonnis houdt alsdan, tenzij onbevoegdheid van het Hof over de vordering te oordelen of niet-ontvankelijkheid van de benadeelde partij wordt uitgesproken, ook in de beslissing van het Hof over de vordering en over de verwijzing in de kosten door die partij en de verdachte gemaakt.

Artikel 405

Heeft de procureur-generaal tevens een vordering ingediend tot het gelasten van gehele of gedeeltelijke tenuitvoerlegging van een met toepassing van artikel 17a van het Wetboek van Strafrecht BES opgelegde straf, dan beraadslaagt het Hof mede over zijn bevoegdheid om over de vordering te oordelen, over de ontvankelijkheid van de procureur-generaal en over de gegrondheid van de vordering. Het vonnis houdt alsdan, tenzij onbevoegdheid van het Hof om over de vordering te oordelen of niet-ontvankelijkheid van de procureur-generaal wordt uitgesproken, ook de beslissing van het Hof over de vordering in.

Artikel 406

  1. In het geding in hoger beroep bevat het vonnis van het Hof, in de gevallen van artikel 393, de daarbij vermelde beslissingen.

  2. In de andere gevallen bevestigt het Hof het vonnis van de rechter in eerste aanleg met gehele of gedeeltelijke overneming, dan wel met verbetering van de gronden, of doet, met gehele of gedeeltelijke vernietiging van dat vonnis, wat de rechter in eerste aanleg had behoren te doen.

  3. Indien echter de hoofdzaak niet door de rechter in eerste aanleg is beslist en het onderzoek daarvan gevolg moet zijn van de vernietiging van het vonnis, verwijst het Hof daartoe de zaak naar de rechter in eerste aanleg van hetzelfde rechtsgebied, tenzij door de procureur-generaal en de verdachte de beslissing van de hoofdzaak door het Hof is verlangd. In geval van verwijzing doet de rechter in eerste aanleg recht met inachtneming van ’s Hofs vonnis.

  4. In geval van vernietiging van het vonnis van de rechter in eerste aanleg is het Hof niettemin bevoegd gedeelten daarvan, door daarnaar te verwijzen, in zijn vonnis over te nemen, voor zover zij niet aan nietigheid lijden. Indien het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg aan nietigheid lijdt, kan niettemin het vonnis, voor zover dit niet aan nietigheid lijdt, worden bevestigd.

  5. Indien de wettelijke voorschriften, waarop de oplegging van straf of maatregel is gegrond, niet in het vonnis zijn vermeld, kan het Hof er mee volstaan het vonnis alleen te dien aanzien te vernietigen en te doen wat de rechter in eerste aanleg had behoren te doen.

  6. Indien bij samenloop van meerdere feiten een hoofdstraf is uitgesproken en het hoger beroep slechts is ingesteld ten aanzien van een of meer van de feiten, wordt in geval van vernietiging ten aanzien van de straf, bij het vonnis de straf voor het andere feit of de andere feiten bepaald.

Artikel 407

  1. Het vonnis wordt in eerste aanleg op straffe van nietigheid door de rechter in een openbare zitting uitgesproken in tegenwoordigheid van de officier van justitie en de griffier.

  2. In hoger beroep geschiedt de uitspraak op straffe van nietigheid in een openbare zitting van het Hof, zoveel mogelijk samengesteld uit drie leden, in tegenwoordigheid van de procureur-generaal en van de griffier.

    De uitspraak geschiedt zo mogelijk door de voorzitter of door een van de rechters die over de zaak heeft geoordeeld.

Artikel 408

  1. De verdachte die zich ter zake van het ter terechtzitting onderzochte feit in voorlopige hechtenis bevindt, is bij de uitspraak tegenwoordig, tenzij hij daartoe buiten staat is of hij mondeling of schriftelijk te kennen heeft gegeven weg te willen blijven.

  2. Is zodanige verdachte tot het bijwonen van de uitspraak buiten staat, dan wordt ten spoedigste het vonnis hem ter plaatse waar hij wordt gevangengehouden, door de griffier voorgelezen, met de kennisgeving in artikel 409 voor de voorzitter voorgeschreven. Van een en ander wordt door de griffier op het vonnis melding gemaakt.

  3. Indien de verdachte gevangen wordt gehouden in een ander eilandgebied dan dat waar het rechtsgeding heeft plaatsgevonden, kan de voorlezing bedoeld in het tweede lid geschieden door de griffier in het eilandgebied waar de verdachte wordt gevangengehouden.

Artikel 409

  1. Indien de verdachte in het geding in eerste aanleg bij het uitspreken van het vonnis tegenwoordig is, geeft de rechter hem daarbij mondeling kennis van het rechtsmiddel, dat tegen het vonnis openstaat, en van de termijn waarbinnen dat rechtsmiddel kan worden aangewend.

  2. In hoger beroep geeft de voorzitter de verdachte op gelijke wijze kennis van diens bevoegdheid cassatie in te stellen bij de Hoge Raad der Nederlanden.

Artikel 410

  1. Het vonnis wordt binnen tweemaal vierentwintig uren na de uitspraak ondertekend door de rechter of rechters die over de zaak hebben geoordeeld, en door de griffier die bij de uitspraak tegenwoordig is geweest.

  2. Zo een of meer van hun daartoe buiten staat zijn, wordt hiervan aan het slot van het vonnis melding gemaakt.

  3. Zodra het vonnis is getekend en in ieder geval na afloop van de termijn waarbinnen enig rechtsmiddel openstaat, kan de verdachte of zijn raadsman daarvan en van het proces-verbaal van de terechtzitting kennisnemen.

Artikel 411

  1. Indien de verdachte bij het vonnis bij verstek gewezen, niet van de gehele tenlastelegging is vrijgesproken, wordt een mededeling van de beslissing door het Hof overeenkomstig de artikelen 393, 395, eerste lid, of 396, tweede lid, gegeven, vanwege de procureur-generaal zo spoedig mogelijk aan de verdachte betekend. Deze bepaling geldt niet ten aanzien van de verdachte aan wie voor zover betreft het rechtsgeding bij verstek, de dagvaarding om ter terechtzitting te verschijnen in persoon is betekend. De mededeling vermeldt de rechters die het vonnis hebben gewezen, de dagtekening van het vonnis, de in het vonnis voorkomende rechtskundige benaming van het strafbare feit met vermelding omstreeks welke tijd en waar ter plaatse dat feit begaan zou zijn, en, voor zover in het vonnis vermeld, naam en voornamen, leeftijd, geboorteplaats, beroep en woon- of verblijfplaats van de verdachte.

  2. De mededeling wordt in alle gevallen waarin de procureur-generaal dit bepaalt, en overigens zoveel mogelijk, aan de verdachte in persoon betekend.

  3. Is ten aanzien van de verdachte artikel 17a van het Wetboek van Strafrecht BES toegepast, dan vermeldt de mededeling bovendien alle beslissingen die betrekking hebben op het in dat artikel bedoelde bevel, alsmede het tijdstip waarop ingevolge artikel 17b, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht BES de proeftijd zal ingaan, terwijl de betekening niet anders geschiedt dan aan de verdachte in persoon.

  4. De mededeling vindt eveneens plaats, indien de dagvaarding om ter terechtzitting te verschijnen de verdachte in persoon is betekend of de verdachte ter terechtzitting is verschenen, maar nadien het onderzoek op de terechtzitting voor onbepaalde tijd is geschorst en de oproeping om op de nadere terechtzitting te verschijnen niet aan de verdachte in persoon is betekend en hij evenmin op de nadere zitting is verschenen. Het derde lid is van toepassing.

Artikel 412

  1. Ingeval een straf of maatregel wordt opgelegd kan de rechter ter bepaling daarvan als bijzondere reden een in de processtukken aangeduid, doch niet tenlastegelegd strafbaar feit in aanmerking nemen, indien:

    1. ervan mag worden uitgegaan, dat tegen de verdachte ter zake van dat feit geen vervolging meer zal worden ingesteld, en

    2. op grond van de, in enig wettig bewijsmiddel vastgelegde dan wel ter terechtzitting gedane, erkenning van de verdachte te dier zake aannemelijk is geworden, dat hij dat feit heeft begaan.

  2. Het is de rechter niet toegestaan om de in het eerste lid bedoelde feiten in aanmerking te nemen, indien:

    1. die feiten wat betreft hun aard zodanig verschillen van het tenlastegelegde feit, dat daarin voor de bestraffing wezenlijk nieuwe gezichtspunten naar voren komen, dan wel door de ernst daarvan of door hun aantal de straf of maatregel in verregaande mate zouden beïnvloeden;

    2. bij het onderzoek ter terechtzitting blijkt, dat de verdachte zijn aanvankelijke erkenning niet langer handhaaft, dan wel daarop terug wenst te komen;

    3. de zaak bij verstek wordt behandeld en door het openbaar ministerie is verzuimd tijdig voor de aanvang van de terechtzitting aan de verdachte mee te delen, dat hij het voornemen heeft bedoelde feiten aan de rechter voor te leggen, opdat deze daarmee bij de strafbepaling rekening kan houden.

  3. Indien ter zake van een niet tenlastegelegd feit, als bedoeld in het eerste lid, inverzekeringstelling of voorlopige hechtenis is toegepast en dit feit op de voet van de voorgaande artikelen door de rechter bij de strafbepaling in aanmerking is genomen,

    1. vindt het bepaalde in artikel 31 van het Wetboek van Strafrecht BES overeenkomstige toepassing;

    2. dient de rechter op de voet van artikel 35 van het Wetboek van Strafrecht BES een beslissing te geven met betrekking tot de terzake inbeslaggenomen voorwerpen.

Artikel 413

  1. Indien normen, daaronder begrepen zowel wettelijk omschreven voorschriften als regels van ongeschreven recht, tijdens het voorbereidend onderzoek of het onderzoek ter terechtzitting, ook ingeval de behandeling van de zaak door de raadkamer plaatsvindt, zijn geschonden, kan de rechter, hetzij ambtshalve, hetzij op de vordering van het openbaar ministerie of het verzoek van de verdachte of diens raadsman, de normschending herstellen, overeenkomstig de aard en de strekking van de geschonden norm, dan wel bevelen, dat dit zal geschieden. Hij kan daartoe de nodige aanwijzingen geven.

  2. Herstel blijft achterwege, indien de normschending niet meer kan worden hersteld en de rechtsgevolgen daarvan reeds uit enige wettelijke regeling voortvloeien.

  3. Indien een termijn die de duur van de vrijheidsbeneming betreft, wordt overschreden, kan zij niet worden verlengd, tenzij de rechtsorde door de invrijheidstelling van de verdachte zodanig ernstig zou worden geschokt, dat het algemene belang voortzetting van de vrijheidsbeneming bepaaldelijk vordert. Alsdan kan de rechter, uiterlijk binnen vierentwintig uren nadat de termijnoverschrijding is vastgesteld, doch niet later dan zeven dagen na het verstrijken van de termijn, op de vordering van het openbaar ministerie een nieuwe termijn stellen, doch alleen voor zover dit wetboek in een nieuwe termijn voorziet en ook overigens aan de wettelijke vereisten is voldaan. Gedurende deze vierentwintig uren blijft het bevel tot vrijheidsbeneming waarvan de termijn is verstreken, van kracht.

  4. Kan herstel als bedoeld in het eerste en tweede lid niet plaatsvinden, dan blijft de normschending, behoudens in geval van het vijfde lid, zonder gevolgen.

  5. De rechter kan in zijn eindvonnis, hetzij ambtshalve, hetzij op de vordering van het openbaar ministerie of op het verzoek van de verdachte of diens raadsman, bij schending van voor de procesvoering wezenlijke normen, na een redelijke afweging van alle in het geding zijnde belangen, beslissen, voor zover een bijzondere wettelijke bepaling niet reeds in de gevolgen van de normschending voorziet:

    1. dat de hoogte van de straf, in verhouding tot de ernst van de normschending, zal worden verlaagd, indien het door de schending veroorzaakte nadeel langs die weg redelijkerwijze kan worden gecompenseerd;

    2. dat de resultaten van het onderzoek, voor zover zij rechtstreeks door middel van de normschending zijn verkregen, niet tot het bewijs van het strafbare feit worden toegelaten, indien redelijkerwijze aannemelijk is, dat de verdachte door het gebruik van de onderzoeksresultaten ernstig in zijn verdediging is geschaad;

    3. dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk wordt verklaard, indien door toedoen van de normschending er geen sprake kan zijn van een behandeling van de zaak, die aan de eisen van een eerlijk proces voldoet.

  6. Indien de rechter van oordeel is, dat er gronden van redelijkheid en billijkheid zijn voor toekenning van schadevergoeding, kan hij daartoe, hetzij ambtshalve, hetzij op de vordering van het openbaar ministerie of op het verzoek van de verdachte of diens raadsman, bij afzonderlijke beschikking besluiten. Deze bevoegdheid komt toe aan de rechter die de zaak ter terechtzitting behandelt, of, als de zaak is geëindigd, voor wie deze het laatst heeft gediend. Schadevergoeding kan zowel naast als in de plaats van de in het vijfde lid genoemde beslissingen worden toegekend. De artikelen 181 en 182 zijn van overeenkomstige toepassing.

  7. Bij de beoordeling van de normschending en de daaraan te verbinden gevolgen, alsmede bij de afweging van de in het geding zijnde belangen houdt de rechter in het bijzonder rekening met het karakter, het gewicht en de strekking van de norm, de ernst van de normschending, het nadeel dat daardoor werd veroorzaakt, en de mate van verwijtbaarheid van degene die de norm schond.

← terug naar Wetboek van Strafvordering BES