-
De officier van justitie houdt toezicht op de opsporing van strafbare feiten en kan daartoe aan de personen, die met de opsporing van strafbare feiten zijn belast of daartoe bevoegd zijn, de nodige bevelen geven.
-
Hij heeft de leiding van het gehele voorbereidend onderzoek, onverminderd het in dit wetboek bepaalde omtrent de tussenkomst van de rechter-commissaris.
-
In hoger beroep kan de procureur-generaal rechtstreeks opdracht tot nader onderzoek geven.
Wetboek van Strafvordering BES Laatste controle 29-03-2026, laatste wijziging 22-03-2026.
Inhoud
Titel I Algemene bepalingen
Titel III Het openbaar ministerie en de bevoegdheid van de rechter
Titel IV Rechterlijk bevel tot vervolging of verdere vervolging van strafbare feiten
Titel V Schorsing van de vervolging
Titel VI Behandeling door de raadkamer
Titel VII Rechterlijke voorzieningen bij dringende noodzaak
Titel VIII Algemeen voorschrift met betrekking tot rechterlijke beslissingen
Titel IX Geheimhouding
Titel X Beëdiging
Tweede Boek De verdachte en zijn raadsman
Titel I De verdachte
Eerste Afdeling Begripsomschrijving
Tweede Afdeling Rechtskundige bijstand
Derde Afdeling Zwijgrecht
Vierde Afdeling Processtukken
Vijfde Afdeling Behandeling binnen een redelijke termijn
Titel II De raadsman
Eerste Afdeling Algemene bepalingen
Tweede Afdeling Keuze van de raadsman
Derde Afdeling Toevoeging van een raadsman
Vierde Afdeling Bevoegdheden van de raadsman betreffende het verkeer met de verdachte en de kennisneming van processtukken
Derde Boek Enige bijzondere dwangmiddelen
Titel I Algemeen
Titel II Staandehouding en aanhouding
Titel III Betreden van plaatsen ter aanhouding
Titel IV Onderzoek aan lichaam en kleding
Titel V Ophouding voor verhoor
Titel VI Mededeling van rechten bij ophouding voor verhoor
Titel VII Inverzekeringstelling
Titel VIII Voorlopige hechtenis
Eerste Afdeling Bewaring
Tweede Afdeling Gevangenhouding en gevangenneming
Derde Afdeling Gevallen waarin voorlopige hechtenis is toegestaan
Vierde Afdeling Gronden voor voorlopige hechtenis
Vijfde Afdeling Tenuitvoerlegging en opheffing van bevelen tot voorlopige hechtenis
Zesde Afdeling Hoger beroep inzake bevelen tot voorlopige hechtenis
Zevende Afdeling Voorlopige hechtenis bij einduitspraken
Achtste Afdeling Het horen van de in voorlopige hechtenis gestelde verdachte
Negende Afdeling Inhoud van de bevelen en hun betekening
Tiende Afdeling Schorsing en opschorting van de voorlopige hechtenis
Titel IX Inbeslagneming
Eerste Afdeling Algemene bepalingen
Tweede Afdeling Inbeslagneming door opsporingsambtenaren of bijzondere personen
Tweede afdeling A De inbeslagneming op grond van artikel 119a
Derde Afdeling Inbeslagneming door de rechter-commissaris
Vierde Afdeling Bewaring van inbeslaggenomen voorwerpen
Vijfde Afdeling Teruggave van inbeslaggenomen voorwerpen
Zevende Afdeling Beklag over inbeslagneming
Titel X Binnentreden in woningen
Titel XI Betreden van enkele bijzondere plaatsen
Titel XII Handhaving van de orde ter gelegenheid van ambtsverrichtingen
Titel XIII Maatregelen ter gelegenheid van een schouw of een huiszoeking
Titel XV Opneming ter observatie
Titel XVI Strafrechtelijk financieel onderzoek
Titel XVII Bijzondere bevoegdheden tot opsporing
Titel XVIII Bijzondere bevoegdheden
Eerste Afdeling Planmatige observatie
Tweede Afdeling Infiltratie
Derde Afdeling Pseudo-koop of -dienstverlening
Vierde Afdeling Stelselmatig inwinnen van informatie
Vijfde Afdeling Bevoegdheden in een besloten plaats
Zesde Afdeling Opnemen en onderzoek communicatie
Zevende Afdeling Vorderen van gegevens
Achtste Afdeling Steunbevoegdheden
Titel XIX Bijstand aan opsporing door burgers
Eerste Afdeling Burgerpseudokoop of -dienstverlening en inwinning van informatie
Tweede Afdeling Burgerinfiltratie
Titel XX Doorlaten
Titel XXI Verkennend onderzoek
Titel XXII Schadevergoeding wegens toepassing van dwangmiddelen
Vierde Boek Opsporingsonderzoek, gerechtelijk vooronderzoeken daarna te nemen beslissingen
Titel I Het opsporingsonderzoek
Eerste Afdeling De ambtenaren
Tweede Afdeling Aangiften en klachten
Derde Afdeling Opgave als benadeelde partij
Vierde Afdeling Beslissing omtrent al dan niet vervolgen
Titel II De rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken
Eerste Afdeling Benoeming en ontslag
Tweede Afdeling Verrichtingen van de rechter-commissaris in het algemeen
Titel III Gang van het gerechtelijk vooronderzoek
Eerste Afdeling De vordering van de officier van justitie
Tweede Afdeling Instellen van het gerechtelijk vooronderzoek
Derde Afdeling Het verhoor van de verdachte
Vierde Afdeling Het verhoor van de getuige
Vijfde Afdeling Bedreigde getuigen
Zesde Afdeling Deskundigen
Zevende Afdeling Sluiting van het gerechtelijk vooronderzoek
Titel IV Beslissing omtrent al dan niet verdere vervolging
Vijfde Boek De terechtzitting
Titel I Het aanhangig maken van de zaak ter terechtzitting in eerste aanleg
Titel II Bezwaarschrift tegen de dagvaarding
Titel III Het aanhangig maken van de zaak ter terechtzitting in hoger beroep
Titel IV Behandeling ter terechtzitting
Eerste Afdeling Algemene bepaling
Tweede Afdeling Onderzoek van de zaak op de terechtzitting
- Artikel 303
- Artikel 304
- Artikel 305
- Artikel 306
- Artikel 307
- Artikel 308
- Artikel 309
- Artikel 310
- Artikel 311
- Artikel 312
- Artikel 313
- Artikel 314
- Artikel 315
- Artikel 316
- Artikel 317
- Artikel 318
- Artikel 319
- Artikel 320
- Artikel 321
- Artikel 322
- Artikel 323
- Artikel 324
- Artikel 325
- Artikel 326
- Artikel 327
- Artikel 328
- Artikel 329
- Artikel 330
- Artikel 331
- Artikel 332
- Artikel 333
- Artikel 334
- Artikel 335
- Artikel 336
- Artikel 337
- Artikel 338
- Artikel 339
- Artikel 340
- Artikel 341
- Artikel 342
- Artikel 343
- Artikel 344
- Artikel 345
- Artikel 346
- Artikel 347
- Artikel 348
- Artikel 349
- Artikel 350
- Artikel 351
- Artikel 352
- Artikel 353
- Artikel 354
- Artikel 355
- Artikel 356
- Artikel 357
- Artikel 358
- Artikel 359
- Artikel 360
- Artikel 361
- Artikel 362
- Artikel 363
- Artikel 364
- Artikel 365
- Artikel 366
- Artikel 367
- Artikel 368
- Artikel 369
- Artikel 370
- Artikel 371
- Artikel 372
- Artikel 373
Derde Afdeling Benadeelde partij
Vierde Afdeling Bewijs
Vijfde Afdeling Beraadslaging en uitspraak
Zesde Afdeling Zaken ad informandum
Zevende Afdeling Gevolgen van normschendingen
Titel V Berechting van overtredingen in eerste aanleg
Zesde Boek Rechtsmiddelen
A Gewone Rechtsmiddelen
Zevende Boek Enige rechtsplegingen van bijzondere aard
Titel I Strafvordering ter zake van ambtsmisdrijven
Titel II Strafvordering in zaken betreffende jeugdige personen
Eerste Afdeling Algemene bepalingen
Tweede Afdeling Strafvordering in zaken betreffende personen, die op het tijdstip waarop de vervolging tegen hen is aangevangen, de leeftijd van achttien jaren nog niet hebben bereikt
Titel III Berechting van verdachten, bij wie tijdens het begaan van het feit gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke storing van de geestvermogens bestond
Titel IIIa Strafvordering ter zake van ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel
Titel IV Verschoning en wraking van rechters
Titel V Vervolging en berechting van rechtspersonen en andere samenwerkingsverbanden
Titel VI Strafvordering buiten het rechtsgebied van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Tweede Afdeling Toepassing van enige bijzondere dwangmiddelen
Derde Afdeling Verplichting van de schipper
Titel VII Rechterlijke bevelen tot handhaving van de openbare orde
Titel VIII Internationale rechtshulp
Eerste Afdeling Algemene bepalingen
Tweede Afdeling Feiten begaan aan boord van luchtvaartuigen
Titel IX Overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen
Eerste Afdeling Algemene bepalingen
Tweede Afdeling
Derde Afdeling Procedure
Par. 1 Behandeling van buitenlandse verzoeken tot tenuitvoerlegging
Par. 2 Behandeling van verzoeken van Bonaire, Sint Eustatius en Saba tot tenuitvoerlegging in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba van in een vreemde staat opgelegde sancties
Par. 3 Gerechtelijke procedure
Par. 4 Buitengerechtelijke procedure
Vierde Afdeling Overdracht van de tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Vijfde Afdeling Slotbepalingen
Achtste Boek Tenuitvoerlegging en kosten
Titel I Tenuitvoerlegging
Eerste Afdeling Algemene bepalingen
Tweede Afdeling Uitvoerbaarheid van beslissingen
Derde Afdeling Tenuitvoerlegging van bevelen tot vrijheidsontneming en veroordelende vonnissen
Vierde Afdeling Rechtsgeding tot herkenning van veroordeelden of van andere gevonniste personen
Vijfde Afdeling Wijze van kennisgeving van gerechtelijke mededelingen aan natuurlijke personen
Eerste Afdeling
Artikel 184
-
Tenzij bij of krachtens de wet anders is bepaald, zijn met de opsporing van strafbare feiten belast:
de ambtenaren van politie, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder a en c, van de Rijkswet politie van Curaçao, van Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba;
de ambtenaren van de recherche, zoals daarin bij wettelijke regeling is voorzien;
de buitengewone agenten van politie aan wie door Onze Minister van Justitie een akte van opsporingsbevoegdheid is verleend dan wel die behoren tot een door deze aangewezen categorieën of eenheden;
de door Onze Minister van Justitie in overeenstemming met Onze Minister van Defensie aangewezen militairen van de Koninklijke marechaussee.
-
Tot de opsporing van strafbare feiten zijn de procureur-generaal en de officieren van justitie bevoegd.
-
De in het tweede lid genoemde ambtenaren hebben het recht om, in de uitoefening van hun ambtsverrichtingen, de openbare burgerlijke macht onmiddellijk in te roepen.
-
De burgerlijke macht is verplicht aan de vordering onmiddellijk te voldoen.
-
De opsporingsbevoegdheid strekt zich uit tot de in de akte of aanwijzing aangeduide strafbare feiten: de akte of aanwijzing kan bepalen dat de opsporingsbevoegdheid alle strafbare feiten omvat.
-
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gegeven omtrent de verlening van de akte van opsporingsbevoegdheid en het doen van de aanwijzing, de reikwijdte van de opsporingsbevoegdheid, het grondgebied waarvoor de opsporingsbevoegdheid geldt, de beëdiging en de instructie van de buitengewone agenten van politie, het toezicht waaraan zij zijn onderworpen en de wijze waarop Onze Minister van Justitie de opsporingsbevoegdheid van afzonderlijke personen kan beëindigen. Voorts kunnen regels worden gegeven over de eisen van bekwaamheid en betrouwbaarheid waaraan zij moeten voldoen.
Artikel 185
Met de opsporing van strafbare feiten zijn ook belast zij, aan wier waakzaamheid bij of krachtens bijzondere wettelijke regelingen de handhaving of de zorg voor de naleving daarvan of de opsporing van de daarin bedoelde strafbare feiten is toevertrouwd, een en ander voor zover het die feiten betreft en, voor zover dat in die regeling is bepaald.
Artikel 186
-
De opsporingsambtenaren, bedoeld in de artikelen 184, eerste lid, en 185, maken ten spoedigste proces-verbaal op van het door hen opgespoorde strafbare feit of van hetgeen door hen tot opsporing is verricht of bevonden. Het proces-verbaal wordt door hen opgemaakt op hun ambtseed of -belofte. Voor zover zij die niet hebben afgelegd, worden zij binnen tweemaal vier en twintig uren beëdigd dan wel wordt hun binnen die termijn de belofte afgenomen voor een hulpofficier van justitie, die daarvan een verklaring op het proces-verbaal stelt.
-
De processen-verbaal worden door de opsporingsambtenaren persoonlijk opgemaakt, gedagtekend en ondertekend. Daarbij moeten tevens zoveel mogelijk uitdrukkelijk worden opgegeven de redenen van wetenschap.
-
Wanneer de opsporing door een officier van justitie persoonlijk geschiedt, doet hij van zijn bevindingen blijken bij proces-verbaal opgemaakt op zijn ambtseed of -belofte. Daarbij moeten tevens zoveel mogelijk uitdrukkelijk worden opgegeven de redenen van wetenschap.
-
Indien de procureur-generaal zijn bevoegdheid tot opsporing uitoefent, vindt hetgeen ten aanzien van de officier van justitie is bepaald zo veel mogelijk overeenkomstig toepassing.
Artikel 187
Wanneer de officier van justitie kennis heeft gekregen van een strafbaar feit, doet hij het nodige opsporingsonderzoek instellen en vordert, zo daartoe termen zijn, dat tot het instellen van een gerechtelijk vooronderzoek wordt overgegaan.
Artikel 188
De officier van justitie is te allen tijde bevoegd ten einde enige plaatselijke toestand of enig voorwerp te schouwen, met de personen door hem aangewezen, elke plaats te betreden met uitzondering van een woning, tot het binnentreden waarvan de bewoner niet uitdrukkelijk toestemming heeft gegeven.
Artikel 189
In geval van ontdekking op heterdaad of van een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten, kan de officier van justitie, bij dringende noodzakelijkheid ten einde een plaatselijke toestand of een voorwerp te schouwen, elke plaats betreden waar de daad begaan is of sporen heeft achtergelaten, onverminderd het bepaalde in de artikelen 155 tot en met 164.
Artikel 190
De officier van justitie kan ambtshalve of op het verzoek van de verdachte een of meer deskundigen benoemen ten einde hem voor te lichten of bij te staan en, zo nodig, met opdracht het door hem gevorderde onderzoek in te stellen en hem een met redenen omkleed verslag uit te brengen. De bepalingen van de zesde afdeling van de Derde Titel vinden overeenkomstige toepassing.
Artikel 191
-
Ter plaatse waar en binnen de grenzen binnen welke zij bevoegd zijn tot opsporing, zijn hulpofficieren van justitie:
[vervallen]
alle ambtenaren van politie in de rang van inspekteur en de daarboven gelegen rangen;
de ambtenaren van de recherche;
de door Onze Minister van Justitie aan te wijzen hoofdagenten van politie, met uitzondering van het personeel van de politie, dat is aangesteld om uitsluitend werkzaamheden te verrichten ten behoeve van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten; hun bevoegdheden als hulpofficier kunnen door de officier van justitie, hoofd van het parket, tot bepaalde taken worden beperkt;
de officieren van de Koninklijke marechaussee;
andere door Onze Minister van Justitie aangewezen personen.
-
De hulpofficieren van justitie zijn gehouden alle inlichtingen te verstrekken en onderzoek te bewerkstelligen als door de officier van justitie wordt gevorderd.
Artikel 192
Kan het optreden van de officier van justitie niet worden afgewacht, dan hebben ook de hulpofficieren de bevoegdheden bij de artikelen 188 en 189 beschreven.
Artikel 193
De hulpofficieren van justitie doen de processen-verbaal, bij hen ingekomen of door hen opgemaakt, alsmede de opgave als benadeelde partij en de inbeslaggenomen voorwerpen onverwijld toekomen aan de officier van justitie.
Artikel 194
-
De opsporingsambtenaren, die geen hulpofficier van justitie zijn, doen hun processen-verbaal, de aangiften of berichten ter zake van strafbare feiten, als ook de opgave als benadeelde partij, met de inbeslaggenomen voorwerpen, onverwijld toekomen aan de hulpofficier van justitie, onder wiens rechtstreeks bevel of toezicht zij staan.
-
De officier van justitie kan in bijzondere gevallen gelasten, dat een en ander hem, in afwijking van het eerste lid, rechtstreeks zal worden toegezonden.
Artikel 195
Onverminderd het bepaalde in bijzondere wettelijke regelingen doen de personen, bedoeld in artikel 185, hun processen-verbaal, de aangiften of berichten ter zake van strafbare feiten, alsmede de opgave als benadeelde partij, met de inbeslaggenomen voorwerpen, onverwijld toekomen aan de officier van justitie.
Artikel 196
Na overeenkomstig de artikelen 192 tot en met 195 te hebben gehandeld, wachten de hulpofficieren van justitie en de overige opsporingsambtenaren de nadere bevelen van de officier van justitie af; gedoogt het belang van het onderzoek zodanig afwachten niet, dan zetten zij het onderzoek inmiddels voort en winnen zij nadere inlichtingen in, die de zaak tot meer klaarheid kunnen brengen. Van dit onderzoek en de ingewonnen inlichtingen doen zij blijken bij proces-verbaal, waarmee zij handelen overeenkomstig de artikelen 193, 194 of 195.
Artikel 197
-
Het openbaar ministerie kan in het belang van het onderzoek in strafzaken de medewerking inroepen van personen en lichamen, die op het gebied van de reclassering werkzaam zijn en aan deze, ingeval zij zich daartoe bereid hebben verklaard, opdrachten geven tot het verzamelen van gegevens betreffende de persoonlijkheid, de levensomstandigheden of de reclassering van een verdachte. Het verslag betreffende de uitvoering van de opdracht wordt schriftelijk of mondeling gegeven naar gelang het openbaar ministerie dat verzoekt.
-
Indien het openbaar ministerie aan personen of lichamen, als bedoeld in het eerste lid, verzoekt om tot het bekomen van opdrachten of het uitbrengen van verslag betreffende de uitvoering van opdrachten ter terechtzitting of bij enig ander onderzoek in een strafzaak tegenwoordig te zijn of zich te laten vertegenwoordigen, geven zij daaraan zoveel mogelijk gevolg.