-
De officier van justitie houdt toezicht op de opsporing van strafbare feiten en kan daartoe aan de personen, die met de opsporing van strafbare feiten zijn belast of daartoe bevoegd zijn, de nodige bevelen geven.
-
Hij heeft de leiding van het gehele voorbereidend onderzoek, onverminderd het in dit wetboek bepaalde omtrent de tussenkomst van de rechter-commissaris.
-
In hoger beroep kan de procureur-generaal rechtstreeks opdracht tot nader onderzoek geven.
Wetboek van Strafvordering BES Laatste controle 29-03-2026, laatste wijziging 22-03-2026.
Inhoud
Titel I Algemene bepalingen
Titel III Het openbaar ministerie en de bevoegdheid van de rechter
Titel IV Rechterlijk bevel tot vervolging of verdere vervolging van strafbare feiten
Titel V Schorsing van de vervolging
Titel VI Behandeling door de raadkamer
Titel VII Rechterlijke voorzieningen bij dringende noodzaak
Titel VIII Algemeen voorschrift met betrekking tot rechterlijke beslissingen
Titel IX Geheimhouding
Titel X Beëdiging
Tweede Boek De verdachte en zijn raadsman
Titel I De verdachte
Eerste Afdeling Begripsomschrijving
Tweede Afdeling Rechtskundige bijstand
Derde Afdeling Zwijgrecht
Vierde Afdeling Processtukken
Vijfde Afdeling Behandeling binnen een redelijke termijn
Titel II De raadsman
Eerste Afdeling Algemene bepalingen
Tweede Afdeling Keuze van de raadsman
Derde Afdeling Toevoeging van een raadsman
Vierde Afdeling Bevoegdheden van de raadsman betreffende het verkeer met de verdachte en de kennisneming van processtukken
Derde Boek Enige bijzondere dwangmiddelen
Titel I Algemeen
Titel II Staandehouding en aanhouding
Titel III Betreden van plaatsen ter aanhouding
Titel IV Onderzoek aan lichaam en kleding
Titel V Ophouding voor verhoor
Titel VI Mededeling van rechten bij ophouding voor verhoor
Titel VII Inverzekeringstelling
Titel VIII Voorlopige hechtenis
Eerste Afdeling Bewaring
Tweede Afdeling Gevangenhouding en gevangenneming
Derde Afdeling Gevallen waarin voorlopige hechtenis is toegestaan
Vierde Afdeling Gronden voor voorlopige hechtenis
Vijfde Afdeling Tenuitvoerlegging en opheffing van bevelen tot voorlopige hechtenis
Zesde Afdeling Hoger beroep inzake bevelen tot voorlopige hechtenis
Zevende Afdeling Voorlopige hechtenis bij einduitspraken
Achtste Afdeling Het horen van de in voorlopige hechtenis gestelde verdachte
Negende Afdeling Inhoud van de bevelen en hun betekening
Tiende Afdeling Schorsing en opschorting van de voorlopige hechtenis
Titel IX Inbeslagneming
Eerste Afdeling Algemene bepalingen
Tweede Afdeling Inbeslagneming door opsporingsambtenaren of bijzondere personen
Tweede afdeling A De inbeslagneming op grond van artikel 119a
Derde Afdeling Inbeslagneming door de rechter-commissaris
Vierde Afdeling Bewaring van inbeslaggenomen voorwerpen
Vijfde Afdeling Teruggave van inbeslaggenomen voorwerpen
Zevende Afdeling Beklag over inbeslagneming
Titel X Binnentreden in woningen
Titel XI Betreden van enkele bijzondere plaatsen
Titel XII Handhaving van de orde ter gelegenheid van ambtsverrichtingen
Titel XIII Maatregelen ter gelegenheid van een schouw of een huiszoeking
Titel XV Opneming ter observatie
Titel XVI Strafrechtelijk financieel onderzoek
Titel XVII Bijzondere bevoegdheden tot opsporing
Titel XVIII Bijzondere bevoegdheden
Eerste Afdeling Planmatige observatie
Tweede Afdeling Infiltratie
Derde Afdeling Pseudo-koop of -dienstverlening
Vierde Afdeling Stelselmatig inwinnen van informatie
Vijfde Afdeling Bevoegdheden in een besloten plaats
Zesde Afdeling Opnemen en onderzoek communicatie
Zevende Afdeling Vorderen van gegevens
Achtste Afdeling Steunbevoegdheden
Titel XIX Bijstand aan opsporing door burgers
Eerste Afdeling Burgerpseudokoop of -dienstverlening en inwinning van informatie
Tweede Afdeling Burgerinfiltratie
Titel XX Doorlaten
Titel XXI Verkennend onderzoek
Titel XXII Schadevergoeding wegens toepassing van dwangmiddelen
Vierde Boek Opsporingsonderzoek, gerechtelijk vooronderzoeken daarna te nemen beslissingen
Titel I Het opsporingsonderzoek
Eerste Afdeling De ambtenaren
Tweede Afdeling Aangiften en klachten
Derde Afdeling Opgave als benadeelde partij
Vierde Afdeling Beslissing omtrent al dan niet vervolgen
Titel II De rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken
Eerste Afdeling Benoeming en ontslag
Tweede Afdeling Verrichtingen van de rechter-commissaris in het algemeen
Titel III Gang van het gerechtelijk vooronderzoek
Eerste Afdeling De vordering van de officier van justitie
Tweede Afdeling Instellen van het gerechtelijk vooronderzoek
Derde Afdeling Het verhoor van de verdachte
Vierde Afdeling Het verhoor van de getuige
Vijfde Afdeling Bedreigde getuigen
Zesde Afdeling Deskundigen
Zevende Afdeling Sluiting van het gerechtelijk vooronderzoek
Titel IV Beslissing omtrent al dan niet verdere vervolging
Vijfde Boek De terechtzitting
Titel I Het aanhangig maken van de zaak ter terechtzitting in eerste aanleg
Titel II Bezwaarschrift tegen de dagvaarding
Titel III Het aanhangig maken van de zaak ter terechtzitting in hoger beroep
Titel IV Behandeling ter terechtzitting
Eerste Afdeling Algemene bepaling
Tweede Afdeling Onderzoek van de zaak op de terechtzitting
- Artikel 303
- Artikel 304
- Artikel 305
- Artikel 306
- Artikel 307
- Artikel 308
- Artikel 309
- Artikel 310
- Artikel 311
- Artikel 312
- Artikel 313
- Artikel 314
- Artikel 315
- Artikel 316
- Artikel 317
- Artikel 318
- Artikel 319
- Artikel 320
- Artikel 321
- Artikel 322
- Artikel 323
- Artikel 324
- Artikel 325
- Artikel 326
- Artikel 327
- Artikel 328
- Artikel 329
- Artikel 330
- Artikel 331
- Artikel 332
- Artikel 333
- Artikel 334
- Artikel 335
- Artikel 336
- Artikel 337
- Artikel 338
- Artikel 339
- Artikel 340
- Artikel 341
- Artikel 342
- Artikel 343
- Artikel 344
- Artikel 345
- Artikel 346
- Artikel 347
- Artikel 348
- Artikel 349
- Artikel 350
- Artikel 351
- Artikel 352
- Artikel 353
- Artikel 354
- Artikel 355
- Artikel 356
- Artikel 357
- Artikel 358
- Artikel 359
- Artikel 360
- Artikel 361
- Artikel 362
- Artikel 363
- Artikel 364
- Artikel 365
- Artikel 366
- Artikel 367
- Artikel 368
- Artikel 369
- Artikel 370
- Artikel 371
- Artikel 372
- Artikel 373
Derde Afdeling Benadeelde partij
Vierde Afdeling Bewijs
Vijfde Afdeling Beraadslaging en uitspraak
Zesde Afdeling Zaken ad informandum
Zevende Afdeling Gevolgen van normschendingen
Titel V Berechting van overtredingen in eerste aanleg
Zesde Boek Rechtsmiddelen
A Gewone Rechtsmiddelen
Zevende Boek Enige rechtsplegingen van bijzondere aard
Titel I Strafvordering ter zake van ambtsmisdrijven
Titel II Strafvordering in zaken betreffende jeugdige personen
Eerste Afdeling Algemene bepalingen
Tweede Afdeling Strafvordering in zaken betreffende personen, die op het tijdstip waarop de vervolging tegen hen is aangevangen, de leeftijd van achttien jaren nog niet hebben bereikt
Titel III Berechting van verdachten, bij wie tijdens het begaan van het feit gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke storing van de geestvermogens bestond
Titel IIIa Strafvordering ter zake van ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel
Titel IV Verschoning en wraking van rechters
Titel V Vervolging en berechting van rechtspersonen en andere samenwerkingsverbanden
Titel VI Strafvordering buiten het rechtsgebied van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Tweede Afdeling Toepassing van enige bijzondere dwangmiddelen
Derde Afdeling Verplichting van de schipper
Titel VII Rechterlijke bevelen tot handhaving van de openbare orde
Titel VIII Internationale rechtshulp
Eerste Afdeling Algemene bepalingen
Tweede Afdeling Feiten begaan aan boord van luchtvaartuigen
Titel IX Overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen
Eerste Afdeling Algemene bepalingen
Tweede Afdeling
Derde Afdeling Procedure
Par. 1 Behandeling van buitenlandse verzoeken tot tenuitvoerlegging
Par. 2 Behandeling van verzoeken van Bonaire, Sint Eustatius en Saba tot tenuitvoerlegging in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba van in een vreemde staat opgelegde sancties
Par. 3 Gerechtelijke procedure
Par. 4 Buitengerechtelijke procedure
Vierde Afdeling Overdracht van de tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Vijfde Afdeling Slotbepalingen
Achtste Boek Tenuitvoerlegging en kosten
Titel I Tenuitvoerlegging
Eerste Afdeling Algemene bepalingen
Tweede Afdeling Uitvoerbaarheid van beslissingen
Derde Afdeling Tenuitvoerlegging van bevelen tot vrijheidsontneming en veroordelende vonnissen
Vierde Afdeling Rechtsgeding tot herkenning van veroordeelden of van andere gevonniste personen
Vijfde Afdeling Wijze van kennisgeving van gerechtelijke mededelingen aan natuurlijke personen
Vierde Boek
Artikel 184
-
Tenzij bij of krachtens de wet anders is bepaald, zijn met de opsporing van strafbare feiten belast:
de ambtenaren van politie, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder a en c, van de Rijkswet politie van Curaçao, van Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba;
de ambtenaren van de recherche, zoals daarin bij wettelijke regeling is voorzien;
de buitengewone agenten van politie aan wie door Onze Minister van Justitie een akte van opsporingsbevoegdheid is verleend dan wel die behoren tot een door deze aangewezen categorieën of eenheden;
de door Onze Minister van Justitie in overeenstemming met Onze Minister van Defensie aangewezen militairen van de Koninklijke marechaussee.
-
Tot de opsporing van strafbare feiten zijn de procureur-generaal en de officieren van justitie bevoegd.
-
De in het tweede lid genoemde ambtenaren hebben het recht om, in de uitoefening van hun ambtsverrichtingen, de openbare burgerlijke macht onmiddellijk in te roepen.
-
De burgerlijke macht is verplicht aan de vordering onmiddellijk te voldoen.
-
De opsporingsbevoegdheid strekt zich uit tot de in de akte of aanwijzing aangeduide strafbare feiten: de akte of aanwijzing kan bepalen dat de opsporingsbevoegdheid alle strafbare feiten omvat.
-
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gegeven omtrent de verlening van de akte van opsporingsbevoegdheid en het doen van de aanwijzing, de reikwijdte van de opsporingsbevoegdheid, het grondgebied waarvoor de opsporingsbevoegdheid geldt, de beëdiging en de instructie van de buitengewone agenten van politie, het toezicht waaraan zij zijn onderworpen en de wijze waarop Onze Minister van Justitie de opsporingsbevoegdheid van afzonderlijke personen kan beëindigen. Voorts kunnen regels worden gegeven over de eisen van bekwaamheid en betrouwbaarheid waaraan zij moeten voldoen.
Artikel 185
Met de opsporing van strafbare feiten zijn ook belast zij, aan wier waakzaamheid bij of krachtens bijzondere wettelijke regelingen de handhaving of de zorg voor de naleving daarvan of de opsporing van de daarin bedoelde strafbare feiten is toevertrouwd, een en ander voor zover het die feiten betreft en, voor zover dat in die regeling is bepaald.
Artikel 186
-
De opsporingsambtenaren, bedoeld in de artikelen 184, eerste lid, en 185, maken ten spoedigste proces-verbaal op van het door hen opgespoorde strafbare feit of van hetgeen door hen tot opsporing is verricht of bevonden. Het proces-verbaal wordt door hen opgemaakt op hun ambtseed of -belofte. Voor zover zij die niet hebben afgelegd, worden zij binnen tweemaal vier en twintig uren beëdigd dan wel wordt hun binnen die termijn de belofte afgenomen voor een hulpofficier van justitie, die daarvan een verklaring op het proces-verbaal stelt.
-
De processen-verbaal worden door de opsporingsambtenaren persoonlijk opgemaakt, gedagtekend en ondertekend. Daarbij moeten tevens zoveel mogelijk uitdrukkelijk worden opgegeven de redenen van wetenschap.
-
Wanneer de opsporing door een officier van justitie persoonlijk geschiedt, doet hij van zijn bevindingen blijken bij proces-verbaal opgemaakt op zijn ambtseed of -belofte. Daarbij moeten tevens zoveel mogelijk uitdrukkelijk worden opgegeven de redenen van wetenschap.
-
Indien de procureur-generaal zijn bevoegdheid tot opsporing uitoefent, vindt hetgeen ten aanzien van de officier van justitie is bepaald zo veel mogelijk overeenkomstig toepassing.
Artikel 187
Wanneer de officier van justitie kennis heeft gekregen van een strafbaar feit, doet hij het nodige opsporingsonderzoek instellen en vordert, zo daartoe termen zijn, dat tot het instellen van een gerechtelijk vooronderzoek wordt overgegaan.
Artikel 188
De officier van justitie is te allen tijde bevoegd ten einde enige plaatselijke toestand of enig voorwerp te schouwen, met de personen door hem aangewezen, elke plaats te betreden met uitzondering van een woning, tot het binnentreden waarvan de bewoner niet uitdrukkelijk toestemming heeft gegeven.
Artikel 189
In geval van ontdekking op heterdaad of van een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten, kan de officier van justitie, bij dringende noodzakelijkheid ten einde een plaatselijke toestand of een voorwerp te schouwen, elke plaats betreden waar de daad begaan is of sporen heeft achtergelaten, onverminderd het bepaalde in de artikelen 155 tot en met 164.
Artikel 190
De officier van justitie kan ambtshalve of op het verzoek van de verdachte een of meer deskundigen benoemen ten einde hem voor te lichten of bij te staan en, zo nodig, met opdracht het door hem gevorderde onderzoek in te stellen en hem een met redenen omkleed verslag uit te brengen. De bepalingen van de zesde afdeling van de Derde Titel vinden overeenkomstige toepassing.
Artikel 191
-
Ter plaatse waar en binnen de grenzen binnen welke zij bevoegd zijn tot opsporing, zijn hulpofficieren van justitie:
[vervallen]
alle ambtenaren van politie in de rang van inspekteur en de daarboven gelegen rangen;
de ambtenaren van de recherche;
de door Onze Minister van Justitie aan te wijzen hoofdagenten van politie, met uitzondering van het personeel van de politie, dat is aangesteld om uitsluitend werkzaamheden te verrichten ten behoeve van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten; hun bevoegdheden als hulpofficier kunnen door de officier van justitie, hoofd van het parket, tot bepaalde taken worden beperkt;
de officieren van de Koninklijke marechaussee;
andere door Onze Minister van Justitie aangewezen personen.
-
De hulpofficieren van justitie zijn gehouden alle inlichtingen te verstrekken en onderzoek te bewerkstelligen als door de officier van justitie wordt gevorderd.
Artikel 192
Kan het optreden van de officier van justitie niet worden afgewacht, dan hebben ook de hulpofficieren de bevoegdheden bij de artikelen 188 en 189 beschreven.
Artikel 193
De hulpofficieren van justitie doen de processen-verbaal, bij hen ingekomen of door hen opgemaakt, alsmede de opgave als benadeelde partij en de inbeslaggenomen voorwerpen onverwijld toekomen aan de officier van justitie.
Artikel 194
-
De opsporingsambtenaren, die geen hulpofficier van justitie zijn, doen hun processen-verbaal, de aangiften of berichten ter zake van strafbare feiten, als ook de opgave als benadeelde partij, met de inbeslaggenomen voorwerpen, onverwijld toekomen aan de hulpofficier van justitie, onder wiens rechtstreeks bevel of toezicht zij staan.
-
De officier van justitie kan in bijzondere gevallen gelasten, dat een en ander hem, in afwijking van het eerste lid, rechtstreeks zal worden toegezonden.
Artikel 195
Onverminderd het bepaalde in bijzondere wettelijke regelingen doen de personen, bedoeld in artikel 185, hun processen-verbaal, de aangiften of berichten ter zake van strafbare feiten, alsmede de opgave als benadeelde partij, met de inbeslaggenomen voorwerpen, onverwijld toekomen aan de officier van justitie.
Artikel 196
Na overeenkomstig de artikelen 192 tot en met 195 te hebben gehandeld, wachten de hulpofficieren van justitie en de overige opsporingsambtenaren de nadere bevelen van de officier van justitie af; gedoogt het belang van het onderzoek zodanig afwachten niet, dan zetten zij het onderzoek inmiddels voort en winnen zij nadere inlichtingen in, die de zaak tot meer klaarheid kunnen brengen. Van dit onderzoek en de ingewonnen inlichtingen doen zij blijken bij proces-verbaal, waarmee zij handelen overeenkomstig de artikelen 193, 194 of 195.
Artikel 197
-
Het openbaar ministerie kan in het belang van het onderzoek in strafzaken de medewerking inroepen van personen en lichamen, die op het gebied van de reclassering werkzaam zijn en aan deze, ingeval zij zich daartoe bereid hebben verklaard, opdrachten geven tot het verzamelen van gegevens betreffende de persoonlijkheid, de levensomstandigheden of de reclassering van een verdachte. Het verslag betreffende de uitvoering van de opdracht wordt schriftelijk of mondeling gegeven naar gelang het openbaar ministerie dat verzoekt.
-
Indien het openbaar ministerie aan personen of lichamen, als bedoeld in het eerste lid, verzoekt om tot het bekomen van opdrachten of het uitbrengen van verslag betreffende de uitvoering van opdrachten ter terechtzitting of bij enig ander onderzoek in een strafzaak tegenwoordig te zijn of zich te laten vertegenwoordigen, geven zij daaraan zoveel mogelijk gevolg.
Artikel 198
-
Ieder, die kennis draagt van een van de misdrijven omschreven in de artikelen 97 tot en met 117 van het Wetboek van Strafrecht BES, in Titel VII van het Tweede Boek van dat wetboek, voor zover daardoor levensgevaar is veroorzaakt, of in de artikelen 300 tot en met 312 van dat wetboek, van mensenroof of van verkrachting, dan wel van het voornemen tot een van deze misdrijven, is verplicht daarvan onverwijld aangifte te doen bij een opsporingsambtenaar.
-
De bepaling van het eerste lid is niet van toepassing op hem, die door de aangifte gevaar zou doen ontstaan voor een vervolging van zichzelf of van iemand bij wiens vervolging hij zich van het afleggen van getuigenis zou kunnen verschonen.
-
Evenzo is ieder, die kennis draagt dat iemand gevangen gehouden wordt op een plaats die niet wettig daarvoor bestemd is, verplicht daarvan onverwijld aangifte te doen bij een opsporingsambtenaar.
Artikel 199
Ieder, die kennis draagt van een begaan strafbaar feit, is bevoegd daarvan aangifte te doen. Tot het doen van klacht is de belanghebbende bevoegd.
Artikel 200
-
Openbare colleges of ambtenaren, die in de uitoefening van hun bediening kennis krijgen van een misdrijf met de opsporing waarvan zij niet zijn belast, zijn verplicht daarvan onverwijld aangifte te doen, met afgifte van de tot de zaak betrekkelijke stukken, aan de officier van justitie of een hulpofficier van justitie,
indien het misdrijf is een ambtsmisdrijf, als bedoeld in Titel XXVIII van het Tweede Boek van het Wetboek van Strafrecht BES, dan wel
indien het misdrijf is begaan door een ambtenaar, die daarbij een bijzondere ambtsplicht heeft geschonden of daarbij gebruik heeft gemaakt van macht, gelegenheid of middel hem door zijn ambt geschonken, dan wel
indien door het misdrijf inbreuk op of onrechtmatig gebruik wordt gemaakt van een regeling waarvan de uitvoering of de zorg voor de naleving aan hen is opgedragen.
-
Zij verschaffen de officier van justitie of de hulpofficier desgevraagd alle inlichtingen omtrent strafbare feiten met de opsporing waarvan zij niet zijn belast en die in de uitoefening van hun bediening te hunner kennis zijn gekomen.
-
De bepalingen van het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op de ambtenaar, die door het doen van aangifte of het verschaffen van inlichtingen gevaar zou doen ontstaan voor een vervolging van zichzelf of van iemand bij wiens vervolging hij zich van het afleggen van getuigenis zou kunnen verschonen.
-
Gelijke verplichtingen rusten op rechtspersonen of organen van rechtspersonen wier taken en bevoegdheden zijn omschreven bij of krachtens de wet, voor zover daartoe bij algemene maatregel van bestuur aangewezen.
-
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld in het belang van een goede uitvoering van dit artikel.
-
De aangifteplicht met betrekking tot misdrijven als bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, kan in overleg met de officier van justitie en met inachtneming van de regels gesteld krachtens het vijfde lid, nader worden beperkt.
Artikel 201
-
De aangifte van een strafbaar feit geschiedt mondeling of schriftelijk bij de bevoegde ambtenaar, hetzij door de aangever in persoon, hetzij door een ander, daartoe door hem van een bijzondere schriftelijke volmacht voorzien.
-
De mondelinge aangifte wordt door de ambtenaar die haar ontvangt, op schrift gesteld en na voorlezing door hem met de aangever of diens gemachtigde ondertekend. Indien deze niet kan tekenen, wordt de reden van het beletsel vermeld.
-
De schriftelijke aangifte wordt door de aangever of diens gemachtigde ondertekend. De schriftelijke volmacht, of, zo zij voor een notaris in minuut is verleden, een authentiek afschrift daarvan, wordt aan de akte gehecht.
-
Tot het ontvangen van de aangiften, bedoeld in de artikelen 198 en 199, zijn de opsporingsambtenaren, en tot het ontvangen van de aangiften, bedoeld in artikel 200, de daarbij genoemde ambtenaren, verplicht. Artikel 194 is van toepassing.
Artikel 202
-
Bij strafbare feiten alleen op klacht vervolgbaar, geschiedt deze klacht mondeling of schriftelijk bij de bevoegde ambtenaar, hetzij door de tot de klacht gerechtigde in persoon, hetzij door een ander, daartoe door hem van een bijzondere schriftelijke volmacht voorzien. De klacht bestaat in een aangifte met verzoek tot vervolging.
-
Het tweede en derde lid van artikel 201 zijn van toepassing.
Artikel 203
-
Tot het ontvangen van de klacht is elke officier van justitie en elke hulpofficier van justitie verplicht.
-
Artikel 193 is van toepassing.
Artikel 204
Indien de klacht krachtens artikel 66, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht BES door de wettige vertegenwoordiger van een minderjarige, die twaalf jaren of ouder is of van een onder curatele gestelde is geschied, gaat de officier van justitie niet tot vervolging over dan na de vertegenwoordigde persoon, zo deze in het land verblijft, in de gelegenheid te hebben gesteld zijn mening omtrent de wenselijkheid van vervolging kenbaar te maken, althans na deze daartoe behoorlijk te hebben opgeroepen, tenzij dit in verband met de lichamelijke of geestelijke toestand van de minderjarige of de onder curatele gestelde niet mogelijk of niet wenselijk is.
Artikel 205
De intrekking van de klacht geschiedt bij de ambtenaren, op de wijze en in de vorm voor het doen van de klacht bij de artikelen 201, 202 en 203 bepaald. Artikel 193 is van toepassing.
Artikel 206
-
Ieder, die door het strafbare feit van een ander schade heeft geleden, kan zich opgeven als benadeelde partij. Ten aanzien van die opgave is artikel 201, eerste tot en met derde lid, van overeenkomstige toepassing. De opsporingsambtenaren zijn tot het ontvangen van de opgave verplicht.
-
De benadeelde partij ontvangt een afschrift van het proces-verbaal betreffende haar opgave.
-
Wanneer de benadeelde partij de wens kenbaar heeft gemaakt schadevergoeding te vorderen of omtrent het verloop van de zaak te worden ingelicht, wordt daarvan in het proces-verbaal melding gemaakt.
-
Wanneer de benadeelde partij als gevolg van het strafbare feit hulp en steun behoeft, wordt daartoe de nodige bemiddeling verleend. De bemiddeling kan ook betrekking hebben op de totstandkoming van een regeling tot schadevergoeding tussen de verdachte, indien deze heeft bekend en vrijwillig aan die regeling meewerkt, en de benadeelde partij.
Artikel 207
-
Indien de officier van justitie naar aanleiding van het ingestelde opsporingsonderzoek van oordeel is, dat vervolging moet plaatshebben, gaat hij daartoe zo spoedig mogelijk over.
-
Van vervolging kan worden afgezien op gronden aan het algemeen belang ontleend. Aan die beslissing kunnen door de officier van justitie voorwaarden worden verbonden. Daarbij wordt in het bijzonder acht geslagen op de belangen van de benadeelde partij.
-
Artikel 278, tweede tot en met vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing. De kennisgeving behelst alsdan de beslissing niet te vervolgen.
Artikel 208
-
Indien gronden voor vervolging aanwezig worden geacht, beziet de officier van justitie, alle omstandigheden in aanmerking genomen, of de zaak langs andere dan gerechtelijke weg kan worden afgedaan. Bij die beslissing kunnen door hem voorwaarden worden gesteld aan de verdachte, indien deze heeft bekend en zich bereid heeft verklaard de voorwaarden na te leven, met het oog op het zonder vergoeding verrichten van werkzaamheden ten algemene nutte.
-
In verband met een goede uitvoering van het in het eerste lid bepaalde, worden door het openbaar ministerie richtlijnen vastgesteld.
Artikel 209
-
De benadeelde partij, die de in artikel 206, derde lid, bedoelde wens kenbaar heeft gemaakt, wordt door de officier van justitie ingelicht omtrent de door hem genomen beslissing omtrent al dan niet vervolgen. Indien de zaak wordt vervolgd, houdt hij de benadeelde partij op de hoogte van voor haar van belang zijnde momenten in de verdere procedure. Indien de zaak niet wordt vervolgd, wijst hij haar op de mogelijkheid om op de voet van de artikelen 15 tot en met 28 bij het Hof van Justitie beklag te doen.
-
Desgevraagd wordt degene, die door een misdrijf ernstig is benadeeld, in de gelegenheid gesteld om, in verband met door de officier van justitie te nemen beslissingen, zijn zienswijze kenbaar te maken.
Artikel 210
-
De president van het Hof van Justitie wijst, na de procureur-generaal te hebben gehoord, een of meer leden of plaatsvervangende leden van het Hof of rechtersplaatsvervanger in eerste aanleg aan als rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken bij het gerecht in eerste aanleg, of als diens plaatsvervanger.
-
De aanwijzing geschiedt voor een door de president te bepalen termijn.
-
De rechter-commissaris kan op zijn verzoek om gewichtige redenen voor de afloop van de termijn waarvoor hij is aangewezen, nadat de procureur-generaal is gehoord, door de president van het Hof uit zijn functie worden ontheven.
Artikel 211
De rechter-commissaris zet na afloop van zijn functie de door hem aangevangen behandeling van een zaak voort en brengt die ten einde.
Artikel 212
Bij verhindering van de rechter-commissaris of diens plaatsvervanger wordt zijn functie waargenomen door een van de leden of plaatsvervangende leden van het Hof van Justitie of rechters-plaatsvervanger in eerste aanleg.
Artikel 213
-
De rechter-commissaris wordt bij zijn verrichtingen bijgestaan door een griffier.
-
Bij verhindering of ontstentenis van deze kan de rechter-commissaris in dringende gevallen een persoon aanwijzen, ten einde voor bepaald aan te wijzen verrichtingen als griffier op te treden. Deze plaatsvervangende griffier wordt voor de aanvang van zijn werkzaamheden door de rechter-commissaris beëdigd, dat hij zijn taak naar behoren zal vervullen.
Artikel 214
-
De rechter-commissaris doet door de griffier een proces-verbaal opmaken van hetgeen bij het onderzoek is verklaard, verricht en voorgevallen of door hem is waargenomen; daarbij moeten tevens zoveel mogelijk uitdrukkelijk worden opgegeven de redenen van wetenschap.
-
Indien dit tot juist begrip van een verklaring of om andere redenen gewenst is, of indien de verdachte, getuige of deskundige of de raadsman dit verlangt, doet hij ook de vraag naar aanleiding waarvan de verklaring is afgelegd, in het proces-verbaal opnemen.
-
Indien de verdachte, getuige of deskundige of de raadsman verlangt dat enige opgave in de eigen woorden zal worden opgenomen, geschiedt dat, voor zover de opgave redelijke grenzen niet overschrijdt, zoveel mogelijk.
Artikel 215
Geen vragen worden gedaan die de strekking hebben verklaringen te verkrijgen, waarvan niet gezegd kan worden dat zij in vrijheid zijn afgelegd.
Artikel 216
-
Iedere getuige, deskundige of verdachte ondertekent zijn verklaring, nadat die hem is voorgelezen of door hem is gelezen, en hij verklaard heeft daarbij te volharden.
-
Bij gebreke van ondertekening wordt de weigering of de oorzaak van het beletsel vermeld.
Artikel 217
-
Tussen de regels van het proces-verbaal wordt niet geschreven.
-
Doorhalingen en verwijzingen worden ondertekend of gewaarmerkt door de rechter-commissaris en de griffier, en door hem op wiens verklaring de doorhaling of verwijzing betrekking heeft. Bij gebreke van ondertekening of waarmerking wordt de weigering of de oorzaak van het beletsel vermeld.
Artikel 218
Het proces-verbaal wordt door de rechter-commissaris en de griffier ondertekend.
Artikel 219
-
De rechter-commissaris kan, ambtshalve, op de vordering van de officier van justitie of op het verzoek van de verdachte of diens raadsman, in het belang van het onderzoek het doen van nasporingen opdragen en bevelen geven aan de ambtenaren genoemd in artikel 184, eerste lid, en aan de personen genoemd in artikel 185.
-
De rechter-commissaris heeft gelijke bevoegdheid als in artikel 197 aan het openbaar ministerie is toegekend.
Artikel 220
Indien bij afwezigheid van de officier van justitie gedurende het onderzoek enig strafbaar feit wordt begaan, doet de rechter-commissaris daarvan een proces-verbaal opmaken en dat toekomen aan de officier van justitie.
Artikel 221
-
Indien de officier van justitie overeenkomstig de bepaling van artikel 187 ten aanzien van een strafbaar feit een gerechtelijk vooronderzoek nodig acht, vordert hij dat door de rechter-commissaris onverwijld daartoe zal worden overgegaan.
-
In de vordering wordt het feit zo nauwkeurig mogelijk omschreven als in deze stand van de zaak mogelijk is.
-
Die vordering of, zo de verdachte eerst later bekend wordt, een onverwijld in te dienen nadere vordering wijst de verdachte aan.
Artikel 222
-
De officier van justitie dient ook een nadere vordering in, zodra het gerechtelijk vooronderzoek tot andere strafbare feiten moet worden uitgebreid, en, zodra het belang van het onderzoek de indiening toelaat, wanneer een meer nauwkeurige omschrijving van het feit mogelijk is geworden.
-
Zodra de rechter-commissaris, al of niet na verzoek van de verdachte, oordeelt dat een nadere vordering nodig is, geeft hij daarvan schriftelijk kennis aan de officier van justitie.
Artikel 223
-
De rechter-commissaris deelt de officier van justitie de inhoud van de stukken van het gerechtelijk vooronderzoek mee, zo dikwijls deze dit verlangt.
-
Indien de inhoud van die stukken de officier van justitie daartoe aanleiding geeft, doet hij de vereiste vorderingen tot nader onderzoek.
Artikel 224
-
Indien de rechter-commissaris oordeelt, dat tot het gerechtelijk vooronderzoek geen grond bestaat, verklaart hij dit bij een met redenen omklede beschikking.
-
Onverminderd het bepaalde in artikel 221 kan de rechter-commissaris, zo de verdachte zich in voorlopige hechtenis bevindt en aan hem nog niet een dagvaarding ter terechtzitting is betekend, op het verzoek van de verdachte een gerechtelijk vooronderzoek instellen ten aanzien van het feit waarvoor de voorlopige hechtenis is bevolen. Indien de rechter-commissaris oordeelt, dat grond tot gebruik van deze bevoegdheid bestaat, verklaart hij dit bij een met redenen omklede beschikking. Een afschrift daarvan zendt hij aan de officier van justitie.
-
Zodra een overeenkomstig het tweede lid ingesteld gerechtelijk vooronderzoek moet worden uitgebreid tot andere strafbare feiten, dient de officier van justitie een daartoe strekkende vordering in.
-
Wanneer een meer nauwkeurige omschrijving van het feit mogelijk is geworden, dient de officier van justitie een dienovereenkomstige vordering in, zodra het belang van het onderzoek de indiening toelaat.
-
Artikel 222, tweede lid, en artikel 223 zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 225
-
Telkens ter gelegenheid van het eerste verhoor van de verdachte, nadat een vordering als vermeld in de artikelen 221, 222 en 224, derde en vierde lid, is ingekomen, dan wel een beschikking als bedoeld in artikel 222, tweede lid, is gegeven, wordt hem door de rechter-commissaris een afschrift van die vordering of beschikking ter hand gesteld.
-
De rechter-commissaris kan echter bevelen, dat de vordering of de beschikking reeds voor het verhoor aan de verdachte zal worden betekend.
Artikel 226
-
Indien tot het instellen van het onderzoek wordt overgegaan, worden zo spoedig en zo dikwijls het belang van de zaak dit vordert, verdachten, getuigen en deskundigen verhoord.
-
De officier van justitie en de raadsman zijn bevoegd de verhoren van de rechter-commissaris bij te wonen. De rechter-commissaris bevordert, dat zij bij de verhoren tegenwoordig kunnen zijn, zonder dat het onderzoek daardoor mag worden opgehouden.
-
De officier van justitie en de raadsman kunnen, ook wanneer zij de verhoren niet bijwonen, de vragen opgeven die zij wensen te zien gesteld. Ten aanzien van de raadsman is artikel 48, derde en vijfde lid, van toepassing.
Artikel 227
Onverminderd het bepaalde in artikel 261, nodigt de rechter-commissaris, indien naar zijn oordeel het gegrond vermoeden bestaat dat de getuige of de deskundige niet ter terechtzitting zal kunnen verschijnen, de officier van justitie, de verdachte en de raadsman tot bijwoning van het verhoor uit, tenzij het belang van het onderzoek geen uitstel van het verhoor gedoogt.
Artikel 228
De rechter-commissaris neemt de nodige maatregelen om te beletten dat de voor verhoor verschenen verdachten, getuigen en deskundigen zich voor of tijdens hun verhoor met elkaar onderhouden.
Artikel 229
-
De verdachten, getuigen en deskundigen worden ieder afzonderlijk verhoord.
-
De rechter-commissaris kan hen echter, hetzij op de vordering van de officier van justitie, hetzij op het verzoek van de verdachte of diens raadsman, tegenover elkaar stellen of in elkaars tegenwoordigheid verhoren.
-
De verdachte of diens raadsman wordt zoveel mogelijk in de gelegenheid gesteld getuigen te ondervragen. Wanneer naar het oordeel van de rechter-commissaris het gegronde vermoeden bestaat dat een getuige niet op de terechtzitting zal kunnen verschijnen, komt de verdachte of diens raadsman het recht toe hem te ondervragen. De ondervraging geschiedt op de wijze door de rechter-commissaris te bepalen.
Artikel 230
De rechter-commissaris vraagt de verdachte, getuigen en deskundigen naar hun naam en voornamen, leeftijd, beroep en woon- of verblijfplaats, voorts de verdachte tevens naar zijn geboorteplaats. Indien de verdachte bekend is, vraagt de rechter-commissaris de getuigen en de deskundigen, of zij diens bloedverwanten of aangehuwden zijn, en zo ja, in welke graad.
Artikel 231
-
Indien een verdachte, getuige of deskundige de taal die de rechter-commissaris bezigt, niet verstaat, benoemt deze een tolk, die de leeftijd van achttien jaren moet hebben bereikt. Artikel 349, tweede lid, is van toepassing.
-
Indien een verdachte of getuige niet of slechts zeer gebrekkig horen of spreken kan, bepaalt de rechter-commissaris dat de vragen of de antwoorden schriftelijk zullen geschieden.
-
Kan de in het tweede lid bedoelde verdachte of getuige niet of slechts zeer gebrekkig lezen of schrijven, dan kan de rechter-commissaris een daartoe geschikte persoon tot tolk benoemen.
-
De tolk wordt, zo nodig, op bevel van de rechter-commissaris gedagvaard en wordt beëdigd. Artikel 250, tweede lid, betreffende de vervanging van de beëdiging door een aanmaning, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 232
-
De rechter-commissaris kan, hetzij op de vordering van de officier van justitie, hetzij op het verzoek van de verdachte of diens raadsman, ten einde de plaatselijke toestand of enig voorwerp te schouwen, met de personen door hem aangewezen, elke plaats betreden met uitzondering van een woning, tot het binnentreden waarvan de bewoner niet uitdrukkelijk toestemming heeft gegeven.
-
De rechter-commissaris kan in overleg met de officier van justitie bepalen, dat de verdachte, de getuigen en deskundigen ter plaatse zullen worden verhoord.
Artikel 233
-
De rechter-commissaris geeft tijdig schriftelijk kennis van de voorgenomen schouw aan de officier van justitie en aan de verdachte en diens raadsman.
-
De officier van justitie en de raadsman kunnen bij iedere schouw tegenwoordig zijn. De verdachte wordt, voor zover het belang van het onderzoek dit niet verbiedt, door de rechtercommissaris toegelaten de schouw geheel of gedeeltelijk bij te wonen. Zij kunnen verzoeken dat zij aanwijzingen mogen doen of inlichtingen mogen geven of dat bepaalde opmerkingen in het proces-verbaal zullen worden vermeld.
Artikel 234
Ingeval de schouw moet geschieden in een ander eilandgebied, draagt de rechter-commissaris haar over aan zijn ambtgenoot in dat andere eilandgebied.
Artikel 235
-
De rechter-commissaris kan, op de vordering van de officier van justitie, bevelen dat de verdachte tegen wie ernstige bezwaren bestaan, en, in geval van dringende noodzakelijkheid, bovendien degenen ten aanzien van wie vermoed wordt dat zij sporen van het strafbare feit aan het lichaam of aan de kleding dragen, aan hun lichaam of kleding zullen worden onderzocht.
-
Artikel 78, derde lid, is van toepassing.
Artikel 236
-
De rechter-commissaris kan in overleg met de officier van justitie de verdachte, die zich in voorlopige hechtenis bevindt, voor zich doen verschijnen. Hij kan op de vordering van de officier van justitie de dagvaarding van de verdachte, die in vrijheid is, bevelen.
-
In geen geval wordt het gerechtelijk vooronderzoek gesloten voordat de verdachte is gehoord.
Artikel 237
-
Indien de verdachte zich in een ander eilandgebied bevindt, kan de rechter-commissaris het verhoor overdragen aan zijn ambtgenoot in dat andere eilandgebied.
-
De overige artikelen van deze afdeling zijn van toepassing op de rechter met het verhoorbelast.
Artikel 238
Het proces-verbaal van een verhoor van de verdachte, dat op verzoek van de rechter-commissaris heeft plaatsgevonden, wordt hem gesloten en verzegeld toegezonden.
Artikel 239
-
Indien de verdachte verhinderd is te verschijnen, kan zijn verhoor geschieden op de plaats waar hij zich ophoudt.
-
De rechter-commissaris kan daartoe met de personen door hem aangewezen, en met inachtneming van de bepalingen van artikel 232 elke plaats betreden, met uitzondering van een woning, tot het betreden waarvan de bewoner niet uitdrukkelijk toestemming heeft gegeven.
Artikel 240
Indien de verdachte in vrijheid is en niet op de dagvaarding verschijnt, kan de rechter-commissaris hem op de vordering van de officier van justitie andermaal doen dagvaarden. Daarbij kan worden gevoegd een bevel tot medebrenging, doch slechts indien de aanwezigheid van de verdachte noodzakelijk is in verband met een onderzoek naar zijn persoonlijkheid of zijn persoonlijke omstandigheden.
Artikel 241
-
Indien dit in het belang van het onderzoek dringend noodzakelijk is, kan de rechter-commissaris bevelen, dat de overeenkomstig artikel 240 meegebrachte verdachte gedurende ten hoogste vierentwintig uren in een door hem aan te wijzen plaats zal worden opgehouden.
-
De redenen daarvan worden in het bevel vermeld.
Artikel 242
De verdachte wordt bij zijn verhoor mondeling mededeling gedaan van de verklaringen van getuigen en deskundigen, die buiten zijn tegenwoordigheid zijn verhoord, voor zover naar het oordeel van de rechter-commissaris het belang van het onderzoek dit niet verbiedt. Wordt de verdachte de wetenschap van bepaalde opgaven onthouden, dan geeft de rechter-commissaris hem dit mondeling te kennen.
Artikel 243
-
De verdachte kan bij zijn verhoor mondeling getuigen en feiten ten onderzoek opgeven. Bij het proces-verbaal wordt, voor zover de opgave redelijke grenzen niet overschrijdt, van een en ander melding gemaakt, met korte aanduiding van hetgeen de getuigen volgens de opgave van de verdachte zouden kunnen verklaren.
-
Indien de rechter-commissaris bezwaar heeft, hetzij tegen het vermelden van een en ander in het proces-verbaal, hetzij tegen het verhoren van de opgegeven getuigen, hetzij tegen het onderzoek naar de opgegeven feiten, deelt hij zijn weigering om tot een of ander over te gaan, bij het verhoor of het eerstvolgend verhoor aan de verdachte mee, en vermeldt deze onder opgave van redenen in het proces-verbaal. Wanneer de verdachte de dagvaarding van getuigen verzoekt, ten aanzien van wie naar het oordeel van de rechter-commissaris het gegronde vermoeden bestaat dat zij niet op de terechtzitting zullen kunnen verschijnen en die naar het oordeel van de verdachte voor hem ontlastende verklaringen zouden kunnen afleggen, mag dagvaarding niet worden geweigerd.
-
De verdachte kan binnen drie dagen na de in het tweede lid bedoelde mededeling tegen die weigering een bezwaarschrift indienen bij het Hof van Justitie.
Artikel 244
De rechter-commissaris verhoort de getuige, wiens verhoor door de rechter wordt bevolen, door de officier van justitie wordt gevorderd of door de verdachte of diens raadsman wordt verzocht. Hij kan op de vordering van de officier van justitie de dagvaarding van de getuige bevelen.
Artikel 245
-
Het eerste lid van artikel 237 alsmede artikel 238 vinden ten aanzien van het verhoor van getuigen, die zich in een ander eilandgebied ophouden, overeenkomstige toepassing.
-
Houdt de getuige zich op in een ander eilandgebied, dan beveelt de rechter-commissaris diens dagvaarding alleen, indien hij overkomst noodzakelijk of in het belang van de getuige oordeelt. Het bevel wordt gegeven, op de vordering van de officier van justitie of op het verzoek van de verdachte of diens raadsman. In de dagvaarding wordt van de noodzakelijkheid van de overkomst of van het belang van de getuige melding gemaakt. Artikel 243, tweede lid, laatste volzin, blijft van toepassing.
Artikel 246
-
Indien de getuige verhinderd is te verschijnen, kan zijn verhoor geschieden op de plaats waar hij zich ophoudt.
-
De rechter-commissaris kan daartoe met de personen door hem aangewezen, en met inachtneming van de bepalingen van artikel 232 elke plaats betreden, met uitzondering van een woning, tot het binnentreden waarvan de bewoner niet uitdrukkelijk toestemming heeft gegeven.
Artikel 247
-
Ieder die als getuige is gedagvaard, is verplicht voor de rechter-commissaris te verschijnen.
-
Indien de getuige niet op de dagvaarding verschijnt, kan de rechter-commissaris hem op de vordering van de officier van justitie of op het verzoek van de verdachte of diens raadsman andermaal doen dagvaarden en daarbij voegen een bevel tot medebrenging of zodanig bevel later uitvaardigen.
Artikel 248
Indien dit in het belang van het onderzoek dringend noodzakelijk is, kan de rechter-commissaris op de vordering van de officier van justitie of op het verzoek van de verdachte of diens raadsman bevelen, dat de overeenkomstig artikel 247 meegebrachte getuige gedurende ten hoogste vierentwintig uren in een door hem aan te wijzen plaats zal worden opgehouden. De redenen daarvan worden in het bevel vermeld.
Artikel 249
De getuige verklaart de gehele waarheid en niets dan de waarheid te zullen zeggen.
Artikel 250
-
De rechter-commissaris beëdigt de getuige, indien er naar zijn oordeel gegrond vermoeden bestaat dat deze niet op de terechtzitting zal kunnen verschijnen, of ingeval de overlegging van beëdigde getuigenissen nodig is om de uitlevering van de verdachte te verkrijgen.
-
Indien een getuige met gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke storing van zijn geestvermogens, naar het oordeel van de rechter-commissaris, de betekenis van de eed niet voldoende beseft, of indien een getuige de volle ouderdom van vijftien jaren nog niet heeft bereikt, wordt hij niet beëdigd doch aangemaand de gehele waarheid en niets anders dan de waarheid te zeggen.
-
Van de reden van de beëdiging of aanmaning wordt in het proces-verbaal melding gemaakt.
Artikel 251
Van het geven van getuigenis of van het beantwoorden van bepaalde vragen kunnen zich verschonen:
de bloed- of aanverwanten in de rechte lijn van de verdachte of de medeverdachte;
de bloed- of aanverwanten in de zijlijn tot de derde graad ingesloten, van de verdachte of de medeverdachte;
de echtgenoot of vroegere echtgenoot van de verdachte of de medeverdachte, dan wel de persoon, met wie de verdachte of medeverdachte duurzaam feitelijk samenwoont of heeft samengewoond. Die samenwoning zal op genoegzame wijze aannemelijk moeten worden gemaakt.
Artikel 252
-
Van het geven van getuigenis of van het beantwoorden van bepaalde vragen kunnen zich ook verschonen zij, die uit hoofde van hun stand, hun beroep of hun ambt tot geheimhouding verplicht zijn, doch alleen omtrent hetgeen waarvan de wetenschap aan hen als zodanig is toevertrouwd.
-
Het in het eerste lid bepaalde is op overeenkomstige wijze van toepassing op de rechters, de leden van het openbaar ministerie en andere personen, die bekend zijn met de identiteit van de getuige die op de voet van het bepaalde in artikel 261 is verhoord. De bevoegdheid zich te verschonen is beperkt tot de vragen die gericht zijn op de onthulling van de identiteit van de getuige.
Artikel 253
De getuige kan zich verschonen van het beantwoorden van een hem gestelde vraag, indien hij daardoor of zichzelf of een van zijn bloed- of aanverwanten in de rechte lijn of in de zijlijn in de tweede of derde graad of zijn echtgenoot of vroegere echtgenoot dan wel de persoon, met wie hij duurzaam feitelijk samenwoont of samengewoond heeft, aan het gevaar van een strafrechtelijke veroordeling zou blootstellen. Die samenwoning zal op genoegzame wijze aannemelijk moeten worden gemaakt.
Artikel 254
-
De getuige legt zijn verklaring af, zonder zich van een schriftelijk opstel te mogen bedienen.
-
De rechter-commissaris kan echter om bijzondere redenen de getuige toestaan, bij zijn verklaring zodanig gebruik te maken van geschriften of schriftelijke aantekeningen als hij veroorloven zal.
Artikel 255
-
Indien de getuige bij zijn verhoor zonder wettige grond weigert op de gestelde vragen te antwoorden of de van hem gevorderde verklaring of eed af te leggen, beveelt de rechter-commissaris, zo dit in het belang van het onderzoek dringend noodzakelijk is, op de vordering van de officier van justitie of op het verzoek van de verdachte of diens raadsman, dat de getuige in gijzeling zal worden gesteld.
-
De rechter-commissaris doet op het verzoek van de gegijzelde verslag aan het Hof van Justitie. Het Hof beveelt binnen tweemaal vierentwintig uren daarna, na de getuige te hebben gehoord, dat deze in gijzeling zal worden gehouden of daaruit zal worden ontslagen.
Artikel 256
-
Het bevel van de rechter-commissaris dat de getuige in gijzeling zal worden gesteld, is voor niet langer dan twaalf dagen geldig.
-
De rechter-commissaris kan echter gedurende het gerechtelijk vooronderzoek, op de vordering van de officier van justitie of op het verzoek van de verdachte of diens raadsman, telkens, nadat de getuige opnieuw is gehoord, dat bevel van twaalf tot twaalf dagen verlengen. Ten aanzien van deze verlengingen komt de gegijzelde eenmaal de bevoegdheid toe, bedoeld in artikel 255, tweede lid.
Artikel 257
-
De rechter-commissaris beveelt het ontslag van de getuige uit de gijzeling, zodra deze aan zijn verplichting heeft voldaan of zijn getuigenis niet meer nodig is.
-
Hij kan te allen tijde, hetzij ambtshalve, hetzij op de vordering van de officier van justitie of op het verzoek van de getuige, diens ontslag uit de gijzeling bevelen. De getuige wordt gehoord, althans behoorlijk daartoe opgeroepen.
-
In ieder geval gelast de officier van justitie het ontslag uit de gijzeling, zodra het gerechtelijk vooronderzoek is beëindigd.
Artikel 258
Alle beschikkingen waarbij gijzeling wordt bevolen of verlengd, of waarbij een verzoek van de getuige tot ontslag uit de gijzeling wordt afgewezen, zijn met redenen omkleed en worden binnen vierentwintig uren aan de getuige betekend.
Artikel 259
-
Gedurende de gijzeling kan de getuige zich beraden met een advocaat.
-
Deze heeft vrije toegang tot de getuige, kan hem alleen spreken en met hem brieven wisselen zonder dat van de inhoud door anderen wordt kennisgenomen, een en ander onder het vereiste toezicht, met inachtneming van de huishoudelijke reglementen, en zonder dat het onderzoek daardoor mag worden opgehouden.
-
De officier van justitie staat de advocaat op diens verzoek toe van de processen-verbaal betreffende de verhoren van de getuige kennis te nemen.
-
Hij kan, voor zover het belang van het onderzoek dit niet verbiedt, de advocaat op diens verzoek toestaan ook van de overige processtukken kennis te nemen.
-
Weigert de officier van justitie de inzage, dan staat tegen diens beslissing binnen drie dagen na de mededeling beroep open bij de rechter-commissaris.
Artikel 260
-
Tenzij zij bij Koninklijk Besluit tot het afleggen van getuigenis zijn gemachtigd, worden niet als getuigen gehoord de Koning, de vermoedelijke opvolger van de Koning, hun echtgenoten, en de Regent.
-
Een regeling van vormen welke bij het verhoor in acht te nemen, wordt bij het besluit gegeven.
Artikel 261
-
Wanneer een getuige met het oog op een door hem af te leggen verklaring ernstig wordt bedreigd, kan de rechter-commissaris, op de vordering van de officier van justitie of op het verzoek van de getuige, bepalen dat de getuige op zodanige wijze wordt verhoord, dat zijn identiteit geheel verborgen blijft.
-
Ernstige bedreiging in de zin van het eerste lid kan slechts worden aangenomen, indien:
de getuige met het oog op de door hem af te leggen verklaring zich zodanig bedreigd kan achten dat, naar redelijkerwijze moet worden aangenomen, ernstig voor het leven, de gezondheid of het maatschappelijk functioneren van de getuige of van een andere persoon moet worden gevreesd,
de getuige te kennen heeft gegeven vanwege die bedreiging anders geen verklaring te willen afleggen, en
er een gegrond vermoeden bestaat dat de getuige deswege niet ter terechtzitting zal kunnen verschijnen.
-
Het eerste lid blijft buiten toepassing, indien het verhoor een misdrijf betreft, waarvoor geen voorlopige hechtenis is toegelaten.
-
Bij toepassing van het eerste lid ziet de rechter-commissaris erop toe, dat de getuige bij gelegenheid van het verhoor tegen herkenning wordt beschermd. In uitzonderlijke gevallen kan hij bepalen dat de verdachte en diens raadsman het verhoor van de getuige niet zullen bijwonen. In dat geval zal de officier van justitie daarbij ook niet tegenwoordig zijn. De rechter-commissaris stelt hun zodra mogelijk in kennis van de inhoud van de door de getuige afgelegde verklaringen. Zij worden in de gelegenheid gesteld zoveel mogelijk de vragen op te geven, die zij gesteld wensen te zien. Tenzij het belang van het onderzoek geen uitstel van het verhoor gedoogt, kunnen vragen reeds voor de aanvang van het verhoor worden opgegeven. Het proces-verbaal van verhoor wordt naar de vorm van vraag en antwoord ingericht. De persoonsgegevens van de getuige, bedoeld in artikel 230, worden niet in het proces-verbaal van verhoor opgenomen.
-
Voorafgaand aan het verhoor, bedoeld in het vierde lid, toetst de rechter-commissaris de bezwaren van de getuige tegen onthulling van diens identiteit. Deze bezwaren worden in het proces-verbaal vermeld. De rechter-commissaris verantwoordt daarin of hij de bezwaren gegrond acht.
-
De getuige die op de voet van het vierde lid zal worden verhoord, wordt door de rechter-commissaris in verband met artikel 250, eerste lid, beëdigd. Daarvan wordt in het proces-verbaal melding gemaakt. Artikel 250, tweede en derde lid, is van toepassing.
-
Wanneer de rechter-commissaris van oordeel is dat ernstige bedreiging in de zin van het eerste lid niet kan worden aangenomen, en de getuige volhardt in zijn wens anoniem te blijven, beslist de rechter-commissaris dat de getuige zal worden verhoord zonder toepassing van het vierde lid, tenzij de officier van justitie zich daartegen verzet, in welk geval wordt afgezien van verhoor van de getuige.
-
In bijzonder spoedeisende gevallen, waarin het verhoor door de rechter-commissaris niet kan worden afgewacht, kan de getuige ook door een opsporingsambtenaar worden verhoord, doch alleen op grond van verkregen toestemming door de rechter-commissaris. Het in het eerste tot en met zevende lid bepaalde vindt zoveel mogelijk overeenkomstige toepassing.
-
Toepassing van dit artikel vindt, voor zoveel nodig, plaats in afwijking van het bepaalde omtrent het verhoor van de getuige en de daaraan door de verdachte of diens raadsman te ontlenen bevoegdheden.
Artikel 262
-
De rechter-commissaris kan, op de vordering van de officier van justitie of op het verzoek van de verdachte, een of meer deskundigen benoemen, ten einde hem voor te lichten of bij te staan en, zo nodig, met opdracht het door hem gevorderde onderzoek in te stellen en hem een met redenen omkleed verslag uit te brengen. Hij kan hun dagvaarding bevelen.
-
De verdachte is bevoegd te verzoeken dat een of meer door hem aanbevolen personen als deskundigen zullen worden benoemd. Indien het belang van het onderzoek dit niet verbiedt, kiest de rechter-commissaris een of meer van de deskundigen uit de door de verdachte aanbevolen personen.
-
Ten aanzien van de deskundigen en hun verhoor vinden de artikelen 243, en 245 tot en met 247 alsmede de artikelen 251 tot en met 254 overeenkomstige toepassing.
-
Ieder die tot deskundige is benoemd, is verplicht de door de rechter-commissaris gevorderde diensten te bewijzen.
Artikel 263
-
De deskundige wordt door de rechter-commissaris beëdigd.
-
Van degene die, op de vordering van het openbaar ministerie, door het Hof van Justitie als vaste gerechtelijke deskundige is beëdigd, wordt ter zake van het uitbrengen van een schriftelijk verslag geen nadere eed gevorderd.
Artikel 264
De rechter-commissaris bepaalt het tijdstip waarop het onderzoek van de deskundigen zal aanvangen, en de termijn waarbinnen dit zal moeten zijn afgelopen; deze termijn kan door de rechter-commissaris worden verlengd.
Artikel 265
-
De rechter-commissaris geeft de officier van justitie schriftelijk of mondeling kennis van de aan de deskundigen verleende opdracht, van tijd en plaats van hun onderzoek en van de uitslag daarvan.
-
Indien het belang van het onderzoek zich daartegen niet verzet, geeft de rechter-commissaris na de officier van justitie te hebben gehoord, de verdachte en diens raadsman schriftelijk kennis van de aan de deskundigen verleende opdracht en van tijd en plaats van hun onderzoek.
-
Van de uitslag daarvan geschiedt gelijke kennisgeving, zodra het belang van het onderzoek dit toelaat.
Artikel 266
-
Het onderzoek van de deskundigen geschiedt in tegenwoordigheid van de rechter-commissaris, indien deze dat nodig oordeelt.
-
De rechter-commissaris kan, indien het belang van het onderzoek zich daartegen niet verzet, bepalen dat de verdachte aan wie van de opdracht aan deskundigen is kennis gegeven, en diens raadsman, het onderzoek van de deskundigen geheel of gedeeltelijk zullen kunnen bijwonen. De officier van justitie kan bij het onderzoek tegenwoordig zijn.
-
De officier van justitie, de verdachte en diens raadsman, hebben, ook indien het onderzoek van de deskundigen buiten hun tegenwoordigheid geschiedt, de bevoegdheid met betrekking tot dat onderzoek aanwijzingen te doen en opmerkingen te maken. Desverlangd wordt aan de deskundigen en aan de verdachte de gelegenheid gegeven om ten overstaan van of, voor zover dat in het belang van het onderzoek noodzakelijk schijnt, door bemiddeling van de rechter-commissaris een onderhoud te hebben. Ten aanzien van de officier van justitie en de raadsman is daarbij het tweede lid van artikel 233 van overeenkomstige toepassing.
-
De rechter-commissaris stelt de deskundigen mondeling of schriftelijk in kennis van de opmerkingen en aanwijzingen, voor zover deze geschied zijn buiten hun tegenwoordigheid.
Artikel 267
-
De verdachte aan wie van de opdracht aan de deskundigen is kennisgegeven, is bevoegd zijnerzijds een deskundige aan te wijzen, die het recht heeft bij het onderzoek van de door de rechter-commissaris benoemde deskundigen tegenwoordig te zijn, daarbij de nodige aanwijzingen te doen en opmerkingen te maken.
-
De rechter-commissaris kan om redenen in de persoon gelegen, de toelating van een bepaalde aangewezen deskundige tot het onderzoek weigeren.
-
De verdachte kan alsdan onverwijld de weigering onderwerpen aan het oordeel van het Hof, dat alsnog de toelating kan bevelen.
-
In geen geval mag, tenzij de rechter-commissaris hierin bewilligt, door de aanwijzing vertraging in de aanvang of de loop van het onderzoek plaatshebben.
Artikel 268
-
De verdachte aan wie van de uitslag van het onderzoek is kennisgegeven, is bevoegd zijnerzijds een deskundige aan te wijzen, die het recht heeft het verslag van de door de rechter-commissaris benoemde deskundigen te onderzoeken. Het tweede en derde lid van artikel 267 zijn van overeenkomstige toepassing.
-
In geen geval mag, tenzij de rechter-commissaris hierin bewilligt, door de aanwijzing vertraging in de loop van het gerechtelijk vooronderzoek plaatshebben.
-
De rechter-commissaris verleent aan de aangewezen deskundige inzage of afschrift van het verslag, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 269
-
Met betrekking tot de door de verdachte overeenkomstig een van de beide voorgaande artikelen aangewezen deskundige zijn de artikelen 245 tot en met 247, 263 tot en met 265, 266, derde en vierde lid, en 267 van overeenkomstige toepassing.
-
Die deskundige brengt aan de rechter-commissaris een met redenen omkleed verslag uit. Het verslag wordt schriftelijk of mondeling uitgebracht, naar gelang de rechter-commissaris dit vordert.
-
Die deskundige ontvangt uit 's Rijks kas vergoeding op dezelfde voet als de deskundigen, die door de rechter-commissaris zijn benoemd.
Artikel 270
Ingeval hetzij de wijze waarop het onderzoek door de deskundigen is geschied, hetzij het verschil van de deskundigen omtrent de feiten, hetzij het verschil in oordeelvelling, daartoe aanleiding geeft, kan de rechter-commissaris, hetzij op de vordering van de officier van justitie, hetzij op het verzoek van de verdachte, het onderzoek aan andere deskundigen opdragen. De voorgaande artikelen van deze afdeling en artikel 271 zijn van toepassing.
Artikel 271
De rechter-commissaris kan de deskundigen geheimhouding opleggen.
Artikel 272
Indien de rechter-commissaris oordeelt dat het gerechtelijk vooronderzoek is voltooid of dat tot voortzetting daarvan geen grond bestaat, of wel indien de officier van justitie hem schriftelijk meedeelt dat van verdere vervolging wordt afgezien, sluit hij het onderzoek bij een beschikking waarin de reden van de sluiting is vermeld, en doet hij deze aan de officier van justitie toekomen en aan de verdachte betekenen. Tegen deze beschikking is geen voorziening toegelaten.
Artikel 273
-
Indien in de zaak een bevel krachtens de artikelen 15 tot en met 29 is gevraagd of gegeven, doet de officier van justitie een mededeling overeenkomstig artikel 272 niet dan nadat daarin is bewilligd door het Hof van Justitie.
-
De officier van justitie doet te dien einde de processtukken, vergezeld van een verslag houdende de gronden voor zodanige mededeling, toekomen aan het Hof van Justitie.
Artikel 274
-
Indien het gerechtelijk vooronderzoek is gesloten, doch het onderzoek op de terechtzitting nog niet is aangevangen, kan de rechter in eerste aanleg, op de vordering van de officier van justitie of op het verzoek van de verdachte, de rechter-commissaris het verrichten van bepaalde handelingen van nader onderzoek opdragen.
-
De vordering van de officier van justitie en het verzoek van de verdachte bevatten, op straffe van niet-ontvankelijkheid met redenen omkleed, een nauwkeurige opgave van de handelingen van onderzoek die door de rechter-commissaris dienen te worden verricht.
-
Indien de rechter daartoe gronden aanwezig acht, hoort hij de officier van justitie of de verdachte, tenzij hij de vordering of het verzoek aanstonds niet ontvankelijk of ongegrond acht.
-
Het door de rechter-commissaris te verrichten nader onderzoek geldt als een gerechtelijk vooronderzoek en wordt gevoerd overeenkomstig de artikelen 226 tot en met 272.
Artikel 275
-
Indien naar aanleiding van het ingestelde voorbereidend onderzoek de officier van justitie van oordeel is dat verdere vervolging moet plaatshebben, gaat hij daartoe zo spoedig mogelijk over.
-
Zolang het onderzoek op de terechtzitting nog niet is aangevangen, kan van verdere vervolging worden afgezien, ook op gronden aan het algemeen belang ontleend.
Artikel 276
-
In geval van de mededeling genoemd in artikel 272 doet de officier van justitie de verdachte onverwijld kennisgeven, dat hij hem ter zake van het feit waarop het gerechtelijk vooronderzoek betrekking had, niet verder zal vervolgen.
-
Is voorlopige hechtenis toegepast en heeft de officier van justitie de mededeling genoemd in artikel 272 gedaan, dan wordt daardoor elk bevel tot voorlopige hechtenis op het tijdstip van de beschikking tot sluiting van het gerechtelijk vooronderzoek van rechtswege opgeheven. De rechter-commissaris maakt daarvan in zijn beschikking melding.
Artikel 277
-
Indien een gerechtelijk vooronderzoek heeft plaatsgehad, doet de officier van justitie, buiten het geval van artikel 276, uiterlijk binnen een maand nadat de beschikking tot sluiting daarvan aan de verdachte betekend is geworden, hetzij deze kennisgeven dat hij hem ter zake van het feit waarop dat onderzoek betrekking had, niet verder zal vervolgen, hetzij hem dagvaarden ter terechtzitting.
-
De termijn kan op de vordering van de officier van justitie door de rechter-commissaris eenmaal voor ten hoogste een maand worden verlengd. Indien de officier van justitie het Hof ingevolge artikel 279, tweede lid, om bewilliging heeft verzocht, wordt de termijn van rechtswege verlengd tot en met de veertiende dag nadat het Hof op het verzoek heeft beslist.
-
De officier van justitie kan, op het verzoek van de verdachte, en al dan niet onder het stellen van bepaalde voorwaarden, voor het doen van kennisgeving overeenkomstig het eerste lid een bepaalde langere termijn nemen.
Artikel 278
-
Indien een gerechtelijk vooronderzoek niet heeft plaatsgehad, doch wel voorlopige hechtenis is toegepast, doet de officier van justitie, zodra de zaak tot klaarheid is gebracht, hetzij de verdachte kennisgeven dat hij hem ter zake van het feit, waarvoor de voorlopige hechtenis is toegepast, niet verder zal vervolgen, hetzij hem dagvaarden ter terechtzitting.
-
De rechter-commissaris kan, op het verzoek van de verdachte, de officier van justitie eenmaal een termijn stellen van ten hoogste een maand, binnen welke deze tot kennisgeving of dagvaarding overeenkomstig de bepaling van het eerste lid moet overgaan.
-
De verdachte wordt op het verzoek gehoord.
-
Het tweede en derde lid van artikel 277 zijn van toepassing.
-
De verplichting tot kennisgeving of dagvaarding vervalt, indien binnen de gestelde of verlengde termijn een gerechtelijk vooronderzoek is geopend.
Artikel 279
-
Door een kennisgeving van niet verdere vervolging eindigt de zaak.
-
Indien in de zaak een bevel krachtens de artikelen 15 tot en met 29, is gevraagd of gegeven, blijft een kennisgeving van niet verdere vervolging achterwege, tenzij daaraan een mededeling overeenkomstig artikel 272 is voorafgegaan of in de kennisgeving is bewilligd door het Hof van Justitie. Artikel 273, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 280
Indien de zaak niet verder wordt vervolgd op grond van:
onbevoegdheid van de rechter tot kennisneming van het feit,
niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie,
niet-strafbaarheid van het feit of van de verdachte,
onvoldoende aanwijzing van schuld,
wordt daarvan in de kennisgeving melding gemaakt.
Artikel 281
Indien de officier van justitie van oordeel is, dat artikel 39, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht BES van toepassing is, doch dat tevens de last, bedoeld in het tweede lid van dat artikel, moet worden gegeven, is hij bevoegd een behandeling door de raadkamer te vorderen. De verdachte wordt bij het onderzoek gehoord. De artikelen 294, tweede lid, en 295 zijn van toepassing.
Artikel 282
-
De verdachte kan na de hem betekende kennisgeving van niet verdere vervolging, na zijn buitenvervolgingstelling of na de hem betekende beschikking houdende de verklaring dat de zaak geëindigd is, ter zake van hetzelfde feit niet weer in rechte worden betrokken, tenzij nieuwe bezwaren zijn bekend geworden.
-
Als nieuwe bezwaren kunnen enkel worden aangemerkt verklaringen van getuigen of van de verdachte en stukken, bescheiden en processen-verbaal, die later zijn bekend geworden of niet zijn onderzocht.
-
In dat geval kan de verdachte niet ter terechtzitting van de rechter in eerste aanleg worden gedagvaard, dan na een ter zake van die nieuwe bezwaren ingesteld gerechtelijk vooronderzoek.
-
Bij verzuim van een termijn, als bedoeld in de artikelen 272 tot en met 278, kan de verdachte ter zake van hetzelfde feit niet weer in rechte worden betrokken dan onder de voorwaarden, in eerste tot en met derde lid bepaald. Echter kan het gerecht, voor hetwelk de zaak het laatst werd vervolgd, op de vordering van de officier van justitie, deze alsnog eenmaal een nieuwe termijn stellen, indien het algemeen belang dat dringend eist. De verdachte wordt op de vordering gehoord. Artikel 277, tweede lid, is van toepassing.
-
Verzuim van een termijn voor verdere vervolging of kennisgeving van niet verdere vervolging wordt niet aanwezig geacht, indien een tijdig uitgebrachte dagvaarding om ter terechtzitting te verschijnen, vervalt of wordt ingetrokken of nietig verklaard.
Artikel 283
Door de kennisgeving van niet verdere vervolging, de beschikking tot buitenvervolgingstelling of de beschikking houdende verklaring dat de zaak geëindigd is, wordt elk bevel tot voorlopige hechtenis van rechtswege opgeheven. Daarvan wordt in de kennisgeving of beschikking melding gemaakt.