In de gevallen waarin het binnentreden van plaatsen krachtens dit wetboek is toegelaten, geschiedt dit, buiten het geval van ontdekking op heterdaad, niet:

  1. in de vergaderruimten van een van de eilandsraden, gedurende de vergadering;

  2. in de ruimten bestemd voor godsdienstoefeningen of bezinningssamenkomsten van levensbeschouwelijke aard, gedurende de godsdienstoefening of bezinningssamenkomst;

  3. in de ruimten waarin terechtzittingen worden gehouden, gedurende de terechtzitting.