1. Het bevel tot voorlopige hechtenis of tot verlenging van de geldigheidsduur daarvan is gedagtekend en ondertekend.

  2. Het omschrijft het strafbare feit op zodanige wijze, dat de verdachte daaruit redelijkerwijze kan begrijpen, welke verdenking ten aanzien van hem is gerezen, alsmede de feiten of omstandigheden waaruit blijkt dat de in artikel 101 gestelde voorwaarden zijn vervuld.

  3. De verdachte wordt in het bevel met naam, voornamen en andere bekende

    persoonsgegevens aangeduid of, wanneer deze onbekend zijn, zo duidelijk mogelijk aangewezen.

  4. Het bevel vermeldt voorts het tijdstip waarop en de duur waarvoor het is verleend, alsmede de plaats waarin de voorlopige hechtenis zal worden ondergaan.

  5. Het wordt voor of bij de tenuitvoerlegging aan de verdachte betekend.