1. Beslag op grond van artikel 119a kan slechts worden gelegd of gehandhaafd krachtens schriftelijke machtiging op vordering van de officier van justitie te verlenen door de rechter-commissaris.

  2. De machtiging wordt door de officier van justitie zo spoedig mogelijk aan de verdachte of de veroordeelde, en zo het beslag onder een derde is gelegd, ook aan deze betekend.