Wetboek van Strafvordering BES Laatste controle 29-03-2026, laatste wijziging 22-03-2026.

Inhoud
Titel I Algemene bepalingen
Titel II Legaliteitsbeginsel
Titel III Het openbaar ministerie en de bevoegdheid van de rechter
Titel IV Rechterlijk bevel tot vervolging of verdere vervolging van strafbare feiten
Titel V Schorsing van de vervolging
Titel VI Behandeling door de raadkamer
Titel VII Rechterlijke voorzieningen bij dringende noodzaak
Titel VIII Algemeen voorschrift met betrekking tot rechterlijke beslissingen
Titel IX Geheimhouding
Titel X Beëdiging
Tweede Boek De verdachte en zijn raadsman
Titel I De verdachte
Titel II De raadsman
Eerste Afdeling Algemene bepalingen
Tweede Afdeling Keuze van de raadsman
Derde Afdeling Toevoeging van een raadsman
Par. 1 Algemene bepalingen
Par. 2 Vervanging van de toegevoegde raadsman
Par. 3 Beroep inzake toevoeging
Par. 4 Kennisgeving van de toevoeging
Par. 5 Beloning en vergoeding van kosten
Vierde Afdeling Bevoegdheden van de raadsman betreffende het verkeer met de verdachte en de kennisneming van processtukken
Derde Boek Enige bijzondere dwangmiddelen
Titel I Algemeen
Titel II Staandehouding en aanhouding
Titel III Betreden van plaatsen ter aanhouding
Titel IV Onderzoek aan lichaam en kleding
Titel V Ophouding voor verhoor
Titel VI Mededeling van rechten bij ophouding voor verhoor
Titel VII Inverzekeringstelling
Titel VIII Voorlopige hechtenis
Eerste Afdeling Bewaring
Tweede Afdeling Gevangenhouding en gevangenneming
Derde Afdeling Gevallen waarin voorlopige hechtenis is toegestaan
Vierde Afdeling Gronden voor voorlopige hechtenis
Vijfde Afdeling Tenuitvoerlegging en opheffing van bevelen tot voorlopige hechtenis
Zesde Afdeling Hoger beroep inzake bevelen tot voorlopige hechtenis
Zevende Afdeling Voorlopige hechtenis bij einduitspraken
Achtste Afdeling Het horen van de in voorlopige hechtenis gestelde verdachte
Negende Afdeling Inhoud van de bevelen en hun betekening
Tiende Afdeling Schorsing en opschorting van de voorlopige hechtenis
Titel IX Inbeslagneming
Titel X Binnentreden in woningen
Titel XI Betreden van enkele bijzondere plaatsen
Titel XII Handhaving van de orde ter gelegenheid van ambtsverrichtingen
Titel XIII Maatregelen ter gelegenheid van een schouw of een huiszoeking
Titel XV Opneming ter observatie
Titel XVI Strafrechtelijk financieel onderzoek
Titel XVII Bijzondere bevoegdheden tot opsporing
Titel XVIII Bijzondere bevoegdheden
Eerste Afdeling Planmatige observatie
Tweede Afdeling Infiltratie
Derde Afdeling Pseudo-koop of -dienstverlening
Vierde Afdeling Stelselmatig inwinnen van informatie
Vijfde Afdeling Bevoegdheden in een besloten plaats
Zesde Afdeling Opnemen en onderzoek communicatie
Zevende Afdeling Vorderen van gegevens
Achtste Afdeling Steunbevoegdheden
Titel XIX Bijstand aan opsporing door burgers
Eerste Afdeling Burgerpseudokoop of -dienstverlening en inwinning van informatie
Tweede Afdeling Burgerinfiltratie
Titel XX Doorlaten
Titel XXI Verkennend onderzoek
Titel XXII Schadevergoeding wegens toepassing van dwangmiddelen
Vierde Boek Opsporingsonderzoek, gerechtelijk vooronderzoeken daarna te nemen beslissingen
Titel I Het opsporingsonderzoek
Titel II De rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken
Titel III Gang van het gerechtelijk vooronderzoek
Titel IV Beslissing omtrent al dan niet verdere vervolging
Vijfde Boek De terechtzitting
Titel I Het aanhangig maken van de zaak ter terechtzitting in eerste aanleg
Titel II Bezwaarschrift tegen de dagvaarding
Titel III Het aanhangig maken van de zaak ter terechtzitting in hoger beroep
Titel IV Behandeling ter terechtzitting
Eerste Afdeling Algemene bepaling
Tweede Afdeling Onderzoek van de zaak op de terechtzitting
Derde Afdeling Benadeelde partij
Vierde Afdeling Bewijs
Vijfde Afdeling Beraadslaging en uitspraak
Zesde Afdeling Zaken ad informandum
Zevende Afdeling Gevolgen van normschendingen
Titel V Berechting van overtredingen in eerste aanleg
Zesde Boek Rechtsmiddelen
Zevende Boek Enige rechtsplegingen van bijzondere aard
Titel I Strafvordering ter zake van ambtsmisdrijven
Titel II Strafvordering in zaken betreffende jeugdige personen
Titel III Berechting van verdachten, bij wie tijdens het begaan van het feit gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke storing van de geestvermogens bestond
Titel IIIa Strafvordering ter zake van ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel
Titel IV Verschoning en wraking van rechters
Titel V Vervolging en berechting van rechtspersonen en andere samenwerkingsverbanden
Titel VI Strafvordering buiten het rechtsgebied van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Titel VII Rechterlijke bevelen tot handhaving van de openbare orde
Titel VIII Internationale rechtshulp
Titel IX Overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen
Eerste Afdeling Algemene bepalingen
Tweede Afdeling
Derde Afdeling Procedure
Par. 1 Behandeling van buitenlandse verzoeken tot tenuitvoerlegging
Par. 2 Behandeling van verzoeken van Bonaire, Sint Eustatius en Saba tot tenuitvoerlegging in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba van in een vreemde staat opgelegde sancties
Par. 3 Gerechtelijke procedure
Par. 4 Buitengerechtelijke procedure
Vierde Afdeling Overdracht van de tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Par. 1 Van Bonaire, Sint Eustatius en Saba uitgaande verzoeken
Par. 2 Tot Bonaire, Sint Eustatius en Saba gerichte verzoeken
Par. 3 Overbrenging
Vijfde Afdeling Slotbepalingen
Achtste Boek Tenuitvoerlegging en kosten

Achtste Boek

Tenuitvoerlegging en kosten

Artikel 605

De tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen geschiedt op last van het openbaar ministerie.

Artikel 606

  1. De benadeelde partij, die zich in het geding over de strafzaak gevoegd heeft, doet zelf het vonnis, voor zover haar vordering aangaat, tenuitvoerleggen, op de wijze bepaald voor vonnissen in burgerlijke zaken. Indien het een mondeling vonnis geldt, geschiedt de tenuitvoerlegging uit kracht van een mededeling van de griffier, houdende afschrift van de aantekening van het vonnis, vermeldende de benadeelde partij, degene tegen wie en de rechter door wie het vonnis is gewezen, en dragende aan het hoofd de woorden: «In naam van de Koning».

  2. Allen die ter zake van hetzelfde strafbare feit bij hetzelfde vonnis veroordeeld zijn tot schadevergoeding aan de benadeelde partij, zijn hoofdelijk daarvoor aansprakelijk.

Artikel 607

Indien bij dit wetboek enige betekening, dagvaarding, oproeping, kennisgeving, aanzegging of andere mededeling is voorgeschreven, geschiedt deze, indien niet anders is bepaald, op last van het openbaar ministerie.

Artikel 608

Het openbaar ministerie kan voor de tenuitvoerlegging van rechterlijke of eigen beslissingen de nodige bijzondere of algemene last geven aan de deurwaarders en aan de ambtenaren van politie, alsmede voor de tenuitvoerlegging aan boord van een Nederlands schip dan wel op een bij landsbesluit aangewezen installatie ter zee aan de schipper, een en ander voor zover het volkenrecht en het interregionale recht dit toelaten. Voor de tenuitvoerlegging van bevelen tot inbeslagneming en teruggave van onroerende goederen wordt de bijzondere last tot de deurwaarder gericht.

Artikel 609

  1. Voor zover niet anders is bepaald, mag geen beslissing worden tenuitvoergelegd, zolang daartegen nog enig gewoon rechtsmiddel openstaat en, zo dit is aangewend, totdat het is ingetrokken of daarop is beslist.

  2. Is een mededeling als bedoeld in artikel 411 voorgeschreven, dan kan de tenuitvoerlegging van het vonnis geschieden na de betekening van die mededeling. Bij vonnissen bij verstek gewezen, waarbij zodanige mededeling niet behoeft te geschieden, kan de tenuitvoerlegging geschieden na de uitspraak. Door verzet, hoger beroep of beroep in cassatie wordt de tenuitvoerlegging geschorst of opgeschort.

  3. De laatste volzin van het tweede lid geldt niet:

    1. voor bevelen bij het vonnis verleend, die dadelijk uitvoerbaar zijn;

    2. indien naar het oordeel van het openbaar ministerie vaststaat dat het rechtsmiddel na het verstrijken van de daarvoor gestelde termijn is aangewend, tenzij op verzoek van degene die het middel aanwendde, en na te zijn gehoord, indien hij dit bij het verzoek heeft gevraagd, de voorzitter van het Hof of de rechter in eerste aanleg anders bepaalt.

  4. Een uitspraak op de vordering van het openbaar ministerie, als bedoeld in artikel 38e van het Wetboek van Strafrecht BES, kan eerst worden tenuitvoergelegd, nadat de veroordeling, als bedoeld in artikel 38e, eerste onderscheidenlijk derde lid, van het Wetboek van Strafrecht BES, in kracht van gewijsde is gegaan.

Artikel 610

De tenuitvoerlegging of ingang van straffen wordt opgeschort gedurende acht dagen volgende op de dag waarop het vonnis, waarbij zij zijn opgelegd, in kracht van gewijsde is gegaan.

Artikel 611

  1. Een verzoekschrift om gratie, dat is ingediend binnen de in artikel 610 bedoelde termijn ter griffie van het Hof, schort de tenuitvoerlegging of ingang van de straf waarvan gratie wordt verzocht op, totdat op het verzoek is beschikt.

  2. De griffier maakt onverwijld het openbaar ministerie bekend met de indiening van een ter griffie ontvangen verzoekschrift. Hij tekent de dag van indiening op het verzoekschrift aan. Het verzoekschrift wordt vervolgens, voorzien van het advies van de rechter naar Onze Minister van Justitie opgezonden.

Artikel 612

  1. De artikelen 610 en 611, eerste lid, blijven buiten toepassing:

    1. indien de veroordeelde te kennen geeft de opschorting van de tenuitvoerlegging of ingang van de straf niet te wensen;

    2. indien, voor zover het betreft vrijheidsstraffen, op het tijdstip dat het vonnis in kracht van gewijsde gaat, de veroordeelde zich ter zake van het feit waarvoor hij bij dat vonnis is veroordeeld, in voorlopige hechtenis bevindt.

  2. De in het eerste lid, onderdeel a, bedoelde kennisgeving wordt, hetzij in persoon hetzij door iemand die daartoe bepaaldelijk door de veroordeelde is gemachtigd, gedaan aan de griffier van het gerecht dat het vonnis heeft uitgesproken. Artikel 447 is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 613

Wanneer een verzoekschrift om gratie van een vrijheidsstraf is ingediend, zonder dat een wettelijke regeling daaraan de opschorting van de tenuitvoerlegging verbindt, kan Onze Minister van Justitie niettemin bepalen dat de tenuitvoerlegging wordt of blijft opgeschort of wel dat zij wordt of blijft geschorst zolang op het verzoek niet is beschikt.

Artikel 614

Een verzoekschrift om gratie dat van een derde afkomstig is, wordt buiten verdere behandeling gelaten indien blijkt dat de veroordeelde niet met het verzoek instemt. Het verliest alsdan de opschortende werking die de wettelijke regeling daaraan verbindt.

Artikel 615

  1. Voor zover de tenuitvoerlegging is toegelaten, wordt het vonnis zodra mogelijk ten uitvoer gelegd.

  2. Bestaat de straf uit geldboete, dan bepaalt het openbaar ministerie de dag waarop de betaling uiterlijk moet geschieden. Het ziet erop toe dat de veroordeelde hierover tijdig wordt ingelicht.

  3. Het openbaar ministerie kan uitstel van betaling verlenen of betaling in termijnen toestaan.

  4. Bij toepassing van het derde lid moet het totale bedrag in ieder geval worden voldaan binnen twee jaar na de dag waarop het vonnis voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden.

Artikel 616

  1. Indien voor de tenuitvoerlegging van een in kracht van gewijsde gegaan vonnis, houdende veroordeling tot vrijheidsstraf of tot de straf van berisping, blijkt of is gebleken dat de veroordeelde lijdt aan een psychiatrische aandoening, beveelt het gerecht dat het vonnis heeft uitgesproken, de opschorting van de tenuitvoerlegging.

  2. De opschorting wordt bevolen, hetzij op de vordering van het openbaar ministerie, hetzij op het verzoekschrift van de advocaat van de veroordeelde.Ten aanzien van de advocaat gelden de bepalingen van de Tweede Titel van het Tweede Boek.

  3. Na het herstel wordt het bevel tot opschorting door hetzelfde gerecht, op vordering van het openbaar ministerie, ingetrokken.

Artikel 617

  1. Indien, ondanks de psychiatrische aandoening van de veroordeelde, de tenuitvoerlegging van andere dan bij artikel 616 bedoelde straffen mogelijk is, wordt de curator op de gewone wijze tot voldoening aan het vonnis uitgenodigd. Zo de veroordeelde nog geen curator heeft, wordt deze zo nodig te dien einde op de vordering van het openbaar ministerie benoemd.

  2. Ten aanzien van de vervangende straf is artikel 616 van toepassing.

Artikel 618

  1. De last tot tenuitvoerlegging van een bevel tot vrijheidsontneming of veroordelend vonnis behelst een zo nauwkeurig mogelijke aanduiding van de te vatten persoon, een opgave van de beslissing of het bevel waarop de aanduiding steunt, en een vermelding van de plaats waarheen de aangehoudene moet worden overgebracht, of van de rechter of ambtenaar voor wie hij moet worden geleid.

  2. Indien de last dit uitdrukkelijk bepaalt, kan de te vatten persoon, voor zover het volkenrecht en het interregionale recht dit toelaten, buiten het rechtsgebied van Bonaire, Sint Eustatius en Saba worden aangehouden.

  3. Het bepaalde in het tweede lid geldt niet, wanneer de last betrekking heeft op een bevel tot medebrenging van een verdachte, getuige, deskundige of tolk.

  4. Hij die overeenkomstig de last een persoon heeft aangehouden, geleidt deze onverwijld naar de plaats of voor de rechter of ambtenaar, in de last vermeld.

  5. Geschiedt de aanhouding buiten het rechtsgebied van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, dan zijn de artikelen 522, 534 en 535 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 619

  1. Indien de aangehoudene beweert niet te zijn de persoon tegen wie de last is gericht, zal hij, indien hij krachtens artikel 618 naar een andere plaats moet worden overgebracht, tevoren in de gelegenheid worden gesteld om te worden gehoord door de rechter in eerste aanleg.

  2. Is hij aangehouden buiten het rechtsgebied van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, dan geeft hij, die de aanhouding heeft verricht, onverwijld en op de snelst mogelijke wijze van die bewering van de aangehoudene kennis aan het openbaar ministerie.

Artikel 620

De met de tenuitvoerlegging belaste ambtenaar kan ter aanhouding van de te vatten persoon elke plaats betreden. De artikelen 155 tot en met 164 zijn van toepassing. Geschiedt de aanhouding echter buiten het rechtsgebied van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, dan is artikel 539 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 621

  1. De opneming van een persoon tegen wie een bevel tot vrijheidsontneming of veroordelend vonnis wordt ten uitvoer gelegd, in de daartoe bestemde gevangenis of andere inrichting, geschiedt hetzij op vertoon van het bevel tot voorlopige hechtenis of inverzekeringstelling, of wel van het veroordelend vonnis of een uittreksel daarvan, hetzij op vertoon van de last tot tenuitvoerlegging van het openbaar ministerie.

  2. In het laatste geval doet de ambtenaar, die de last heeft gegeven, het bevel tot voorlopige hechtenis of inverzekeringstelling of, in geval van tenuitvoerlegging van vrijheidsstraf, het veroordelend vonnis of een uittreksel daarvan ten spoedigste toekomen aan het hoofd van de inrichting.

  3. In geval van tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf, opgelegd bij een mondeling vonnis, geschiedt de in het eerste lid bedoelde opneming op vertoon van:

    1. hetzij het proces-verbaal van de terechtzitting, dan wel een afschrift daarvan of uittreksel daaruit;

    2. hetzij de last tot tenuitvoerlegging van het openbaar ministerie, dan wel een afschrift daarvan.

  4. In het geval, bedoeld in het derde lid, onderdeel b, doet de ambtenaar die de last heeft gegeven, het proces-verbaal van de terechtzitting, dan wel een afschrift daarvan of uittreksel daaruit, houdende aantekening van het mondelinge vonnis, ten spoedigste toekomen aan het hoofd van de inrichting.

Artikel 622

Het hoofd van de gevangenis of andere inrichting, waarin de straf van vrijheidsontneming wordt ten uitvoer gelegd, is verplicht een register te houden volgens een door Onze Minister van Justitie vast te stellen model.

Artikel 623

  1. In het register worden bij de opneming van een persoon tegen wie een bevel tot vrijheidsontneming of een veroordelend vonnis wordt ten uitvoer gelegd, diens naam, voornaam, beroep, geboorteplaats en woon- of verblijfplaats ingeschreven. Indien het een of ander onbekend is, wordt daarvan melding gemaakt.

  2. De inschrijving wijst verder aan:

    1. de rechter of de ambtenaar, wiens beslissing wordt ten uitvoer gelegd;

    2. de dagtekening van die beslissing; de dag en het uur, waarop de opneming geschiedt, en zo mogelijk het ogenblik waarop de vrijheidsontneming is aangevangen;

    3. bij veroordeling, de duur van de straf.

  3. De inschrijving wordt mede ondertekend door de ambtenaar, die het bevel of vonnis ten uitvoer legt. Deze ontvangt van het hoofd van de inrichting de schriftelijke verklaring dat de opneming heeft plaatsgehad, welke verklaring hij overlegt aan de ambtenaar op wiens last de tenuitvoerlegging is geschied.

Artikel 624

  1. In het bovengemeld register wordt ter zijde van de inschrijving aangetekend de dag en het uur waarop het verblijf van de gevangene of verpleegde in de inrichting ophoudt, met vermelding van de beslissing krachtens welke, of van enige andere oorzaak ten gevolge waarvan dit plaatsheeft.

  2. Het hoofd van de inrichting ondertekent de inschrijving alsmede de aantekeningen in dit artikel bedoeld.

Artikel 625

  1. De invrijheidstelling geschiedt door het hoofd van de inrichting:

    1. op de laatste dag van de straftijd, indien de duur van de straf niet meer is dan drie dagen;

    2. op de laatste dag van de straftijd die geen zondag of algemeen erkende feestdag is, indien de duur van de straf meer dan drie dagen en minder dan twee maanden is;

    3. in andere gevallen van tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf, op de laatste dag van de straftijd die geen zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag is;

    4. zodra de geldigheid van het bevel tot vrijheidsontneming ophoudt;

    5. zodra het bevoegd gezag de last tot invrijheidstelling aan het hoofd van de inrichting heeft verstrekt.

  2. De invrijheidstelling vindt in geen geval plaats na het ogenblik waarop de straftijd verstrijkt.

  3. Indien de invrijheidstelling ingevolge het eerste lid, aanhef en onderdelen a, b of c, geschiedt alvorens de straftijd geheel is verstreken, vervalt het recht van tenuitvoerlegging voor het nog resterende gedeelte van de straf.

  4. Voor de toepassing van het eerste tot en met derde lid wordt, in gevallen waarin ten aanzien van een gedeelte van de straf een bevel als bedoeld in artikel 17a van het Wetboek van Strafrecht BES is gegeven, met dat gedeelte alleen rekening gehouden, voor zover de tenuitvoerlegging daarvan door de rechter is gelast.

Artikel 626

Indien de veroordeelde meer dan een straf achtereenvolgens moet ondergaan, worden zij voor de toepassing van artikel 625, eerste lid, aanhef en onderdelen a, b of c, als één straf aangemerkt.

Artikel 627

  1. Het Hof van Justitie waakt voor de nakoming van de voorschriften van de artikelen 621 tot en met 625 en doet te dien einde de gevangenis en andere inrichtingen door een of meer leden op onbepaalde tijden, doch tenminste tweemaal ’s jaars, bezoeken.

  2. Van de bevindingen wordt telkenmale schriftelijk verslag gedaan aan Onze Minister van Justitie.

  3. De officieren van justitie zijn verplicht tot het bezoeken en het doen van verslag op de voet als in het eerste en tweede lid is vermeld.

Artikel 628

  1. De tenuitvoerlegging van vonnissen, houdende veroordeling tot geldboete, geschiedt door het openbaar ministerie.

  2. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de plaats van betaling van geldboeten.

Artikel 629

  1. Bij gebreke van volledige betaling binnen de ingevolge artikel 615 bepaalde termijn wordt het verschuldigde bedrag, na voorafgaande schriftelijke waarschuwing, op de goederen van de veroordeelde verhaald. In verband met het verhaal kan woonplaats worden gekozen ten parkette van het openbaar ministerie dat met de tenuitvoerlegging is belast.

  2. Het met de tenuitvoerlegging belaste openbaar ministerie kan van het nemen van verhaal afzien.

  3. Is volledig verhaal onmogelijk gebleken of daarvan met toepassing van het tweede lid afgezien, dan wordt, na voorafgaande schriftelijke waarschuwing, de vervangende vrijheidsstraf ten uitvoer gelegd.

  4. Tenzij de veroordeelde in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba geen bekende woon- of verblijfplaats heeft, wordt tot tenuitvoerlegging van vervangende vrijheidsstraf niet overgegaan dan nadat veertien dagen zijn verstreken sedert de dag waarop de in het derde lid bedoelde waarschuwing aan hem is verzonden.

Artikel 629a

  1. Op voorwerpen en vorderingen, inbeslaggenomen op grond van artikel 119a, geschiedt het verhaal op de wijze voorzien in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering BES krachtens de onherroepelijke einduitspraak waarbij de geldboete is opgelegd.

  2. De einduitspraak, bedoeld in het eerste lid, geldt als executoriale titel. Betekening van deze titel aan de veroordeelde en, zo het beslag onder een derde is gelegd, ook aan deze, kan plaatsvinden door betekening van een kennisgeving inhoudende de bij de einduitspraak opgelegde straf, voor zover voor het nemen van verhaal van belang.

  3. Ten aanzien van derden die geheel of gedeeltelijk recht menen te hebben op de inbeslaggenomen voorwerpen en vorderingen zijn de bepalingen van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering BES van toepassing.

Artikel 630

  1. Op voorwerpen en vorderingen van de veroordeelde die niet op grond van artikel 119a in beslag zijn genomen geschiedt verhaal krachtens een dwangbevel medebrengende het recht om die goederen zonder vonnis aan te tasten.

  2. Het dwangbevel wordt in naam van de Koning uitgevaardigd door het openbaar ministerie. Het wordt ten uitvoer gelegd als een vonnis van de burgerlijke rechter.

  3. De tenuitvoerlegging van het dwangbevel kan niet worden geschorst dan door een verzet, dat evenwel nimmer gericht zal kunnen zijn tegen het vonnis waarbij de geldboete werd opgelegd. Verzet wordt gedaan bij een met redenen omkleed bezwaarschrift, dat voor de verkoop en uiterlijk binnen zeven dagen te rekenen van de dag van de inbeslagneming, wordt ingediend bij het gerecht waartoe de rechter behoort, die de straf heeft opgelegd. Het gerecht geeft binnen zeven dagen, na zo nodig de veroordeelde en de ambtenaar die het dwangbevel heeft uitgevaardigd, te hebben gehoord, althans daartoe behoorlijk te hebben opgeroepen om te verschijnen, zijn met redenen omklede beschikking, die onverwijld aan de veroordeelde wordt betekend.

  4. Ten aanzien van derden, die bij een inbeslagneming van goederen daarop geheel of gedeeltelijk recht menen te hebben, zijn de bepalingen van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering BES van toepassing.

Artikel 631

  1. Verhaal kan zonder dwangbevel worden genomen op:

    1. inkomsten in geld uit arbeid van de veroordeelde;

    2. pensioenen, wachtgelden en andere periodieke uitkeringen waarop de veroordeelde aanspraak heeft;

    3. het tegoed van een rekening bij een bank- of giro- instelling waarover de veroordeelde ten eigen bate vermag te beschikken.

  2. Verhaal met toepassing van het eerste lid geschiedt door middel van een schriftelijke kennisgeving van het openbaar ministerie. De kennisgeving bevat een voor de uitoefening van het verhaal voldoende aanduiding van de persoon van de veroordeelde, en vermeldt welk bedrag uit hoofde van de veroordeling nog verschuldigd is, bij welke rechterlijke uitspraak de geldboete is opgelegd, alsmede de plaats waar de betaling moet geschieden. Zij wordt betekend aan de veroordeelde en aan degene onder wie het verhaal wordt genomen. De artikelen 517 tot en met 520 zijn van overeenkomstige toepassing.

  3. Door de betekening van de kennisgeving is degene onder wie het verhaal wordt genomen, verplicht tot betaling aan 's Rijks kas van het in de kennisgeving bedoelde bedrag voor zover de veroordeelde op hem een opeisbare vordering heeft of verkrijgt. Het openbaar ministerie bepaalt de termijn waarbinnen de betaling moet geschieden. De verplichting tot betaling vervalt, zodra het uit hoofde van de veroordeling verschuldigde bedrag is betaald of verhaald en uiterlijk wanneer twee jaren na de dag van betekening zijn verstreken.

  4. Degene onder wie het verhaal wordt genomen, kan zich niet ten nadele van 's Rijks kas beroepen op het tenietgaan of de vermindering van zijn schuld aan de veroordeelde door betaling of door verrekening met een tegenvordering, die na de betekening aan hem is opgekomen of opeisbaar is geworden. Voor de toepassing van de artikelen 617 en 618 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering BES en artikel 29 van het Faillissementswet BES wordt het verhaal met beslag onder derden gelijkgesteld.

  5. Indien verhaal is genomen op een periodieke uitkering, die ingevolge enig wettelijk voorschrift niet vatbaar is voor beslag, kan telkens ten hoogste een vijfde gedeelte van de uitkering tot betaling van het uit hoofde van de veroordeling verschuldigde bedrag worden bestemd. Overigens strekt het verhaal zich niet uit tot gelden, waarvan bij wettelijke regeling bepaald is dat zij niet voor inbeslagneming vatbaar zijn.

  6. Iedere belanghebbende kan zich binnen zeven dagen na de betekening van de in het tweede lid van dit artikel bedoelde kennisgeving bij met redenen omkleed bezwaarschrift verzetten tegen het verhaal. Artikel 630, derde lid, is op dit verzet van toepassing.

  7. Een ieder, behoudens de veroordeelde, is verplicht desgevorderd aan het openbaar ministerie de inlichtingen te verstrekken, die naar het redelijk oordeel van het openbaar ministerie noodzakelijk zijn ten behoeve van de toepassing van het eerste lid van dit artikel. De artikelen 251 en 252 zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 632

  1. Indien niet in beslag genomen voorwerpen verbeurd zijn verklaard, dan wel openbaarmaking van de uitspraak op kosten van de veroordeelde is bevolen, vinden de artikelen 615, tweede, derde en vierde lid, en 628 overeenkomstig toepassing.

  2. Wanneer binnen de daarvoor bepaalde termijn noch uitlevering van de voorwerpen, noch betaling van de geschatte waarde plaatsheeft, dan wel de kosten van openbaarmaking niet worden betaald, vinden de artikelen 629 tot en met 631 overeenkomstig toepassing.

Artikel 633

Verbeurdverklaring van vorderingen wordt ten uitvoer gelegd door betekening van de uitspraak aan de schuldenaar.

Artikel 634

  1. Indien de maatregel bedoeld in artikel 38e van het Wetboek van Strafrecht BES is opgelegd, vinden de artikelen 615, tweede en derde lid, 628 tot en met 631 overeenkomstig toepassing.

  2. Op de vordering van het openbaar ministerie, of op het schriftelijke verzoek van de veroordeelde of van een benadeelde derde, kan de rechter die de in het eerste lid genoemde maatregel heeft opgelegd, het daarin vastgestelde bedrag en de bevolen vervangende hechtenis verminderen of kwijtschelden. Is het bedrag reeds betaald of verhaald dan kan de rechter bevelen dat het geheel of gedeeltelijk zal worden teruggegeven of aan een door hem aangewezen derde uitgekeerd. Het bevel laat ieders recht op het teruggegeven of uitgekeerde bedrag onverlet.

  3. Wanneer blijkt dat een hoger bedrag is vastgesteld dan de som van het werkelijke voordeel, geeft de rechter een beschikking strekkende tot vermindering of teruggave, ten minste gelijk aan het verschil.

  4. Tot vermindering of kwijtschelding als bedoeld in het tweede lid kan slechts worden besloten op grond van omstandigheden die zich na de uitspraak hebben voorgedaan, of die ten tijde daarvan niet, of niet volledig, aan de rechter bekend waren.

  5. De rechter beslist, het openbaar ministerie gehoord, na verhoor of behoorlijke oproeping van de veroordeelde en, zo deze het verzoek heeft gedaan, de benadeelde derde.

  6. De vordering en het verzoek, bedoeld in het tweede lid, kunnen niet meer worden gedaan nadat drie jaren zijn verstreken sedert de dag waarop het bedrag, of het laatste gedeelte daarvan, is betaald of verhaald.

  7. De rechter kan ambtshalve bevelen dat de maatregel, hangende zijn beslissing, niet ten uitvoer zal worden gelegd. Het bevel wordt onverwijld ter kennis gebracht van het openbaar ministerie.

  8. De beschikking wordt aan de veroordeelde en, zo zij op verzoek van een derde is gewezen, ook aan deze betekend. Zij is niet aan enig gewoon rechtsmiddel onderworpen.

Artikel 635

Indien het openbaar ministerie overeenkomstig artikel 76 van het Wetboek van Strafrecht BES voorwaarden stelt ter voorkoming van de strafvervolging, bepaalt het daarbij de termijn waarbinnen aan die voorwaarden moet zijn voldaan, en zo nodig tevens de plaats waar dat moet geschieden. De gestelde termijn kan worden verlengd.

Artikel 635a

  1. Indien de officier van justitie overeenkomstig artikel 503b een schikking met de verdachte of veroordeelde aangaat, bepaalt hij de termijn waarbinnen aan de termen van die schikking moet worden voldaan.Tot dat tijdstip is de termijn waarbinnen ingevolge artikel 503a, eerste lid, een vordering aanhangig moet zijn gemaakt geschorst. Door voldoening aan die termen vervalt het recht tot indiening van de vordering of is, indien die vordering reeds is ingediend, de zaak van rechtswege geëindigd.

  2. Wanneer na voldoening aan die termen, bedoeld in het eerste lid, blijkt van omstandigheden die de toepasselijkheid van de maatregel bedoeld in artikel 38e van het Wetboek van Strafrecht BES zouden hebben uitgesloten, kan de gewezen verdachte of veroordeelde de officier van justitie verzoeken om teruggave van betaalde geldbedragen of overgedragen voorwerpen.

  3. Binnen veertien dagen nadat de gewezen verdachte of veroordeelde kennis heeft gekregen van de beslissing op een overeenkomstig het tweede lid gedaan verzoek, kan hij schriftelijk beklag doen bij het gerecht waarbij de officier van justitie is geplaatst.

  4. Het beklag kan ook worden gedaan wanneer dertig dagen zijn verstreken sedert de indiening van het verzoek en inmiddels daarop niet is beslist.

  5. Acht het gerecht het beklag gegrond, dan beveelt het de teruggave van betaalde geldbedragen of overgedragen voorwerpen naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid.

Artikel 636

Indien iemand die tot het ondergaan van straf is aangehouden, blijft ontkennen de veroordeelde te zijn, of indien daaromtrent niettegenstaande erkentenis twijfel blijft bestaan, beslist de rechter die in eerste aanleg van het strafbare feit heeft kennisgenomen, of hij al dan niet de veroordeelde is.

Artikel 637

  1. Tot het onderzoek wordt, op de vordering van het openbaar ministerie, in een door de rechter te bepalen terechtzitting met de meeste spoed overgegaan.

  2. Het openbaar ministerie doet de aangehoudene, de getuigen die van zijnentwege zullen worden verhoord en die waarop de aangehoudene zich beroept, dagvaarden. Het tweede lid van artikel 287 vindt met betrekking tot al deze getuigen overeenkomstig toepassing.

  3. Indien het openbaar ministerie weigert een getuige te dagvaarden, kan de rechter op het verzoek van de aangehoudene, de dagvaarding bevelen. Het tweede tot en met vijfde lid van artikel 289 vinden in het laatste geval overeenkomstig toepassing.

  4. Indien de zaak bij de rechter in eerste aanleg is aangebracht, wordt de aangehoudene door de rechter een raadsman toegevoegd. Ten aanzien van de raadsman gelden de bepalingen van de Tweede Titel van het Tweede Boek.

Artikel 638

Het onderzoek en de beslissing geschieden overeenkomstig de bepalingen van de Vierde Titel van het Vijfde Boek. Artikel 424 vindt overeenkomstig toepassing.

Artikel 639

Indien de rechter de identiteit niet aanneemt, gelast hij de invrijheidstelling. In het andere geval wordt de tenuitvoerlegging geacht te zijn aangevangen op het ogenblik van de vrijheidsontneming.

Artikel 640

  1. De vonnissen houdende beslissingen omtrent de identiteit, zijn vatbaar voor zodanig beroep als tegen de vonnissen waarbij over het strafbare feit uitspraak werd gedaan, openstond.

  2. Het beroep wordt naar de gewone regelen ingesteld en behandeld. Het onderzoek en de beslissing geschieden overeenkomstig de Vierde Titel van het Vijfde Boek.

Artikel 641

Ten aanzien van personen die tot het ondergaan van enige maatregel zijn aangehouden, vindt deze afdeling overeenkomstig toepassing, met dien verstande, dat, indien de identiteit wordt aangenomen, tot toepassing van de maatregel wordt overgegaan.

Artikel 642

De kennisgeving van gerechtelijke mededelingen aan natuurlijke personen, als in dit wetboek en het Wetboek van Strafrecht BES voorzien, geschiedt, tenzij bij wettelijke regeling anders is bepaald of toegelaten, door toezending van een gewone of aangetekende brief over de post.

Artikel 643

  1. Betekening van gerechtelijke mededelingen vindt alleen plaats in de gevallen bij wettelijke regeling bepaald.

  2. Dagvaardingen en aanzeggingen die aan het openbaar ministerie zijn opgedragen, worden steeds betekend.

  3. In alle gevallen waarin een gerechtelijke mededeling moet worden betekend, geschiedt de betekening door uitreiking van een gerechtelijk schrijven.

  4. De uitreiking van het gerechtelijk schrijven, als bedoeld in het derde lid, wordt door het openbaar ministerie opgedragen aan een deurwaarder of ambtenaar van politie.

  5. Ingeval de met de betekening belaste ambtenaar noch de verdachte, noch een van diens huisgenoten aan zijn woon- of verblijfplaats aantreft, zal hij een afschrift van het gerechtelijk schrijven terstond terhandstellen aan de officier van justitie bij het gerecht in eerste aanleg waar de rechter waarvoor gedagvaard wordt, zitting houdt. De officier van justitie zal het oorspronkelijk schrijven voor gezien tekenen en het afschrift zo mogelijk aan de verdachte doen toekomen, zonder dat van ontvangst door deze in rechte zal behoeven te blijken.

  6. Indien de verdachte geen bekende woon- of verblijfplaats in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba heeft, geschiedt de betekening van het gerechtelijk schrijven door middel van aanplakking van het afschrift aan het gebouw, waar de rechter waarvoor gedagvaard wordt, zitting houdt.

  7. Bij bekende verblijfplaats van de verdachte in het buitenland wordt het gerechtelijk schrijven door tussenkomst van de procureur-generaal aan zijn ambtgenoot in het andere land ter betekening verzonden.

Artikel 644

De uitreiking geschiedt:

  1. aan hen die in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba in verband met de strafzaak waarop het uit te reiken stuk betrekking heeft, rechtens hun vrijheid is ontnomen: in persoon;

  2. aan alle anderen: in persoon of, indien betekening in persoon niet is vereist en het stuk wordt aangeboden in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba aan hun woon- of verblijfplaats en zij daar niet worden aangetroffen, aan degene die zich in het huis bevindt en die zich bereid verklaart om het stuk onverwijld aan hem voor wie het bestemd is te doen toekomen. Onder woon- of verblijfplaats wordt mede begrepen het adres waarop de persoon voor wie het schrijven bestemd is op de dag van aanbieding stond ingeschreven in het bevolkingsregister.

Artikel 645

In het belang van een goede uitvoering van de artikelen 642, 643 en 644 kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur nadere voorschriften worden gegeven.

Artikel 646

  1. Van iedere uitreiking, als bedoeld in artikel 643, wordt een akte opgemaakt, waarin zijn vermeld:

    1. de autoriteit van welke het gerechtelijk schrijven uitgaat;

    2. het nummer van het schrijven;

    3. de persoon voor wie het schrijven bestemd is;

    4. de persoon aan wie het is uitgereikt;

    5. de ambtenaar die het heeft uitgereikt;

    6. de plaats van uitreiking;

    7. de dag en het uur van uitreiking;

  2. De akte wordt door hen die met de uitreiking zijn belast, ieder voor zover het zijn bevindingen en handelingen betreft, ter plaatse van die bevindingen en handelingen in persoon opgemaakt op de eed afgelegd bij de aanvaarding van hun bediening en terstond ondertekend.

  3. Het model van de akte wordt vastgesteld door het openbaar ministerie. Dit kan nadere voorschriften geven in het belang van een goede uitvoering van dit artikel.

Artikel 647

  1. De betekening is nietig, indien de uitreiking niet heeft plaatsgehad overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 643, 644 en 646.

  2. De nietigheid wordt gedekt door vrijwillige verschijning ter zitting van degene voor wie het schrijven bestemd was.

Artikel 648

  1. Aan de gewezen verdachte of zijn erfgenamen wordt uit 's Rijks kas een vergoeding toegekend voor de kosten, die ingevolge het bij en krachtens het Besluit tarief justitiekosten strafzaken bepaalde ten laste van de gewezen verdachte zijn gekomen, voor zover de aanwending van die kosten het belang van het onderzoek heeft gediend of door de intrekking van dagvaardingen of rechtsmiddelen door het openbaar ministerie nutteloos is geworden.

  2. Het bedrag van de vergoeding wordt op verzoek van de gewezen verdachte of zijn erfgenamen vastgesteld. Het verzoek moet worden ingediend binnen drie maanden na het eindigen van de zaak bij de president van het Hof van Justitie. Deze kan een van de rechters die over de zaak hebben gezeten, tot de vaststelling van de vergoeding aanwijzen. De rechter geeft voor het bedrag van de vergoeding een bevelschrift van tenuitvoerlegging af.

  3. Degenen, die het verzoek hebben ingediend, kunnen worden gehoord. Indien zij dit verlangen, worden zij gehoord, althans daartoe behoorlijk opgeroepen.

  4. Uitbetaling geschiedt door of vanwege Onze Minister van Financiën.

  5. Een en ander vindt overeenkomstige toepassing op rechtsgedingen tot herkenning van veroordeelden of van andere gevonniste personen en op de behandeling van klaagschriften, als bedoeld in de artikelen 150 tot en met 151.

Artikel 649

  1. Indien de zaak eindigt zonder oplegging van straf of maatregel, maar niet indien de gewezen verdachte is schuldig verklaard zonder oplegging van enige straf of maatregel, wordt aan de gewezen verdachte of zijn erfgenamen uit 's Rijks kas een vergoeding toegekend voor zijn ten behoeve van het onderzoek en de behandeling van de zaak gemaakte reis- en verblijfkosten, berekend op de voet van het bij en krachtens Besluit tarief justitiekosten strafzaken bepaalde.

  2. Indien de zaak eindigt zonder oplegging van straf of maatregel, maar niet indien de gewezen verdachte is schuldig verklaard zonder oplegging van enige straf of maatregel, kan aan de gewezen verdachte of zijn erfgenamen uit 's Rijks kas een vergoeding worden toegekend voor de schade, die hij ten gevolge van hem niet toe te rekenen tijdverzuim door het voorbereidend vooronderzoek en de behandeling van de zaak ter terechtzitting werkelijk heeft geleden, alsmede in de kosten van een raadsman. Een vergoeding voor de kosten van een raadsman gedurende de verzekering en de voorlopige hechtenis is hierin begrepen. Een vergoeding voor deze kosten kan voorts worden toegekend in het geval dat de zaak eindigt met oplegging van straf of maatregel op grond van een feit, waarvoor voorlopige hechtenis niet is toegelaten.

  3. Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing voor ouders van een minderjarige verdachte, die zijn opgeroepen ingevolge artikel 489, eerste lid.

  4. De artikelen 178, vijfde lid, en 648 tweede tot en met vierde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.

  5. Indien de gewezen verdachte na het indienen van zijn verzoek overleden is, geschiedt de toekenning ten behoeve van zijn erfgenamen.

Artikel 650

  1. De kosten van uitlevering of overbrenging van voorwerpen ingevolge een bevel van de rechter-commissaris of van de officier van justitie worden door de rechter-commissaris dan wel de officier van justitie begroot en aan de betrokken persoon uit ’s Rijks kas vergoed.

  2. De rechter-commissaris of de officier van justitie geeft daarvoor een bevelschrift van tenuitvoerlegging af.

  3. Artikel 648, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 651

Deze wet wordt aangehaald als: Wetboek van Strafvordering BES.

Artikel 652

Degenen die op het moment van inwerkingtreding van deze wet bevoegd zijn tot de opsporing van strafbare feiten, behouden deze bevoegdheid voor de duur van maximaal vijf jaar na inwerkingtreding van deze wet.

← terug naar Wetboek van Strafvordering BES