1. Het bevel tot inverzekeringstelling of tot verlenging daarvan is gedagtekend en ondertekend.

  2. Het bevat een zo nauwkeurig mogelijke aanduiding van het strafbare feit, en vermeldt zoveel mogelijk de datum en de plaats van het feit, de grond van de uitvaardiging en de bepaalde omstandigheden die tot het aannemen van die grond hebben geleid. Het vermeldt tevens het tijdstip waarop en de duur waarvoor het is verleend, alsmede de plaats waar de inverzekeringstelling wordt ondergaan.

  3. De verdachte wordt in het bevel met naam, voornamen en andere bekende persoonsgegevens aangeduid of, wanneer deze onbekend zijn, zo duidelijk mogelijk aangewezen.

  4. Een afschrift van het bevel wordt hem onverwijld uitgereikt. Aan het bureau van de reclassering wordt eveneens een afschrift verstrekt.