1. De verdachte wordt aan geen andere beperkingen onderworpen dan die welke voor het doel van de ophouding voor het verhoor of in het belang van de orde volstrekt noodzakelijk zijn.

  2. Tijdens de ophouding voor het verhoor kunnen onder meer de in artikel 90, tweede lid, onderdelen a en c, bedoelde maatregelen in het belang van het onderzoek worden bevolen.

  3. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de maatregelen die in het belang van het onderzoek kunnen worden bevolen.