1. Tot het onderzoek wordt, op de vordering van het openbaar ministerie, in een door de rechter te bepalen terechtzitting met de meeste spoed overgegaan.

  2. Het openbaar ministerie doet de aangehoudene, de getuigen die van zijnentwege zullen worden verhoord en die waarop de aangehoudene zich beroept, dagvaarden. Het tweede lid van artikel 287 vindt met betrekking tot al deze getuigen overeenkomstig toepassing.

  3. Indien het openbaar ministerie weigert een getuige te dagvaarden, kan de rechter op het verzoek van de aangehoudene, de dagvaarding bevelen. Het tweede tot en met vijfde lid van artikel 289 vinden in het laatste geval overeenkomstig toepassing.

  4. Indien de zaak bij de rechter in eerste aanleg is aangebracht, wordt de aangehoudene door de rechter een raadsman toegevoegd. Ten aanzien van de raadsman gelden de bepalingen van de Tweede Titel van het Tweede Boek.