1. De artikelen 610 en 611, eerste lid, blijven buiten toepassing:

    1. indien de veroordeelde te kennen geeft de opschorting van de tenuitvoerlegging of ingang van de straf niet te wensen;

    2. indien, voor zover het betreft vrijheidsstraffen, op het tijdstip dat het vonnis in kracht van gewijsde gaat, de veroordeelde zich ter zake van het feit waarvoor hij bij dat vonnis is veroordeeld, in voorlopige hechtenis bevindt.

  2. De in het eerste lid, onderdeel a, bedoelde kennisgeving wordt, hetzij in persoon hetzij door iemand die daartoe bepaaldelijk door de veroordeelde is gemachtigd, gedaan aan de griffier van het gerecht dat het vonnis heeft uitgesproken. Artikel 447 is van overeenkomstige toepassing.