1. De verdachte is te allen tijde bevoegd een of meer raadslieden te kiezen.

  2. Tot de keuze van een of meer raadslieden is ook de wettige vertegenwoordiger van de verdachte bevoegd.

  3. Is de verdachte verhinderd van zijn wil te dien aanzien te doen blijken en heeft hij geen wettige vertegenwoordiger, dan is zijn echtgenoot of de meest gerede van zijn bloed- of aanverwanten, tot de vierde graad ingesloten, tot die keuze bevoegd.

  4. De ingevolge het tweede of derde lid gekozen of de ingevolge de artikelen 61 tot en met 68 toegevoegde raadsman treedt af, zodra de verdachte zelf een raadsman heeft gekozen.

  5. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden geregeld, op welke wijze van een keuze ingevolge het eerste, tweede of derde lid dient te blijken.