1. Tenzij Onze Minister reeds aanstonds van oordeel is dat het verzoek om tenuitvoerlegging moet worden afgewezen, stelt hij het met de daarbij behorende stukken in handen van de procureur-generaal.

  2. Indien de procureur-generaal van oordeel is dat het verzoek niet voor inwilliging vatbaar is of dat aanleiding bestaat gebruik te maken van een van de in het toepasselijke verdrag omschreven gronden tot weigering van de tenuitvoerlegging, brengt hij dit oordeel onverwijld vergezeld van zijn advies ter kennis van Onze Minister, die daaromtrent beslist. De procureur-generaal deelt de veroordeelde die krachtens deze titel voorlopig zijn vrijheid is ontnomen, onverwijld mee op welke dag hij zijn advies aan Onze Minister heeft uitgebracht.