1. Bevoegdheden die bij of krachtens dit wetboek uitdrukkelijk aan de verdachte zijn toegekend, kunnen door diens raadsman worden uitgeoefend, indien deze door de verdachte is gemachtigd en de aard van de bevoegdheid zich daartegen niet verzet.

  2. Machtiging door de verdachte zal worden aangenomen, wanneer de raadsman verklaart dat dit het geval is.

  3. Toezending van processtukken aan de verdachte geschiedt tevens aan diens raadsman, voor zover dat uitdrukkelijk is bepaald.