1. Indien de verdachte de hem gegeven bevelen niet nakomt, is iedere opsporingsambtenaar bevoegd hem aan te houden en onverwijld opnieuw te geleiden voor de officier van justitie. De opsporingsambtenaar kan, ter aanhouding van de verdachte, elke plaats betreden. De artikelen 155 tot en met 164 zijn van toepassing.

  2. In dit geval of indien de verdachte niet kon worden aangehouden, vordert de officier van justitie onverwijld dat de rechter-commissaris ter zake een onderzoek zal instellen. Deze geeft daaraan zo spoedig mogelijk gevolg.

  3. Ten aanzien van het onderzoek en het oproepen van getuigen gelden de voorgaande bepalingen van deze titel.