1. Opsporingsambtenaren zijn te allen tijde bevoegd tot inbeslagneming van daarvoor vatbare voorwerpen en kunnen daartoe hun uitlevering vorderen. De officier van justitie kan de inbeslagneming van daarvoor vatbare voorwerpen bevelen.

  2. In geval van ontdekking op heterdaad komen de bevoegdheden, genoemd in de eerste volzin van het eerste lid, toe aan de commandant, aan de schipper en aan de gezagvoerder van het luchtvaartuig, voor zover ter plaatse geen opsporingsambtenaar aanwezig is.

  3. Met betrekking tot de overlevering van het inbeslaggenomen voorwerp is artikel 532 van overeenkomstige toepassing.