1. De officier van justitie kan bepalen, dat de aangehoudene, tegen wie ernstige bezwaren bestaan, aan zijn lichaam of kleding zal worden onderzocht. Artikel 78, derde lid, is van toepassing.

  2. De bevoegdheid, vermeld in artikel 78, tweede lid, komt, indien ter plaatse geen opsporingsambtenaar aanwezig is, mede toe aan de commandant, de schipper en de gezagvoerder van het luchtvaartuig.