1. De verdachte kan slechts worden aangehouden:

    1. in geval van ontdekking op heterdaad van een misdrijf, door een ieder;

    2. in geval van ontdekking op heterdaad van een overtreding, door een opsporingsambtenaar, een commandant, een schipper of een gezagvoerder van een luchtvaartuig;

    3. buiten het geval van ontdekking op heterdaad, indien het een misdrijf of het strafbare feit omschreven in artikel 454, onder 3e, van het Wetboek van Strafrecht BES betreft, door een opsporingsambtenaar, een commandant of een schipper.

  2. De officier van justitie kan in de gevallen, genoemd in het eerste lid, de aanhouding van de verdachte bevelen.