1. In gevallen, waarin uit feiten of omstandigheden een redelijk vermoeden voortvloeit, dat een minderjarige beneden de leeftijd van twaalf jaren een strafbaar feit heeft begaan, zijn uitsluitend de artikelen 72 tot en met 79, 80, 82, 120 tot en met 129, 145, 150, 153 en 154 van toepassing. De artikelen 141 tot en met 143 zijn van overeenkomstige toepassing.

  2. Het afleggen van een verklaring als bedoeld in artikel 144 en het doen van beklag als bedoeld in artikel 150 geschiedt voor de minderjarige, in het eerste lid bedoeld, door zijn wettelijke vertegenwoordiger in burgerlijke zaken.