1. De aanvrage tot herziening kan na het overlijden van de veroordeelde gedaan worden door de overlevende echtgenoot, dan wel de persoon met wie de overledene duurzaam feitelijk samenwoonde, elke bloedverwant in de rechte lijn of in de tweede graad van de zijlijn en door de procureur-generaal.

  2. De voorgaande artikelen van deze titel zijn dan van overeenkomstige toepassing.

  3. Deze aanvrage strekt alleen tot opheffing van de veroordeling tegen de overledene uitgesproken.