1. De voorzitter kan, hetzij ambtshalve, hetzij op de vordering van de procureur-generaal of op het verzoek van de verdachte, bepalen dat vragen betreffende de persoonlijke of de levensomstandigheden van de verdachte buiten diens tegenwoordigheid zullen worden gesteld en behandeld, dat de procureur-generaal of de raadsman buiten tegenwoordigheid van de verdachte betreffende diens geestvermogens het woord zal voeren.

  2. De voorzitter kan dienovereenkomstig bepalen, dat de verdachte buiten tegenwoordigheid van een of meer medeverdachten zal worden verhoord.

  3. Het tweede lid van artikel 332 is van toepassing.