1. De voorzitter bepaalt de volgorde waarin de getuigen worden voorgeroepen, nadat hij de procureur-generaal en de verdachte heeft gehoord.

  2. Hij beveelt dat de getuigen zich zullen begeven naar het voor hen bestemde vertrek, met uitzondering van de eerste die hij voor het Hof doet verschijnen.

  3. Hij neemt, zo nodig, maatregelen om de getuigen te beletten dat zij zich vóór het afleggen van hun getuigenis met elkaar onderhouden.